22-02-2010 – 17-05-2012
Zo onverklaarbaar kan het soms gaan…
‘Ben je gespannen’, vroeg het paardenmeisje glimlachend. Ik stond tussen vier paarden in. Twee ervan stonden elkaar draaiend en schuddend te versieren. Eentje gaapte de hele tijd hartstochtelijk in mijn richting, en nummer vier hapte met haar lippen in mijn haar, duwde haar dikke neus in mijn nek, streek haar flank tegen mijn rug en het was een redelijk wonder dat er geen 16 hoeven op mijn rubberlaarzen stonden.
Het was de bedoeling dat ik die paarden op enige afstand zou houden, maar de enige hulp die ik had, was een flimsy stukje touw. En de glimlach van het paardenmeisje. Plus mijn afwezige ervaring met paarden. Gespannen. Duh. Ja, nee, het was nou niet dat je dat gemakkelijk zag, hoor, dat niet. Het was juist heel moeilijk te zien, heel subtiel, maar dat was haar vak. Om dat te zien, nu ze zo intensief met mij bezig was. ‘Gewoon’ op school zou het haar vast niet opvallen.
Ik knikte. Onderwijl al die grote, nieuwsgierige hoofden in de gaten houdend. ‘Maar ja’, ging het paardenmeisje verder, ‘je bent op school ook altijd heel erg vrolijk.’ Hmhm. ‘Je lacht wel heel veel daar.’ Hmhm. ‘Ik weet niet of dat altijd terecht is.’
HO!
Paardenmeisje!
VOOR dat we verder gaan….
IK BEN NIET DEPRESSIEF!!!
Dus.
(Zucht.)
De tweede klas wist effe niet waar we waren. Niet qua locatie (‘Wat doen jullie hierboven? We hebben beneden les!’ ‘Oh…’) en ook al niet waar het de lesstof betrof. Al bladerend door het vierde hoofdstuk, kwam ik er uiteindelijk achter dat paragraaf 3 NIET door mijn vervangster was gedaan. Ook 9 nog niet, maar de rest wel. Dachten ze. Ik toverde iets van een schema op het bord voor paragraaf 3, en de schatjes zuchtten diep.
Mijn eigen klas was er klaar voor, na wat aansporingen. Tassen van tafel. Koek doorslikken. Lippenstift weg. Omdraaien, graag. Op de ironisch bedoelde vraag wie er WEL het huiswerk had gemaakt, zag ik een enkele hand de lucht in gaan. Leerling L. gaf tegelijkertijd al zwaaiend toe ‘dat hij het OOK niet had’. Ook al vroeg ik dat niet. De klas die volgde, ook een havo 3, wist een verhoging van 400 procent te scoren. Waar het ‘leerlingen die het huiswerk hadden gemaakt’ betrof.
Aan het eind van de laatste les kwam Chef binnen sluipen om te vragen of ik nog leefde. Ik dacht van wel, maar zou toch nog even, voor ik naar het paardenmeisje ging, met een warme chocomel uit gaan hijgen in de docentenkamer. Alwaar collega A even later al mopperend aan kwam waaien. Niks ging goed en hoe meer energie ze in ‘de dingen’ stopte, hoe minder het op leek te leveren. Waarop ze hartverscheurend en al stampvoetend begon te huilen.
Al bij al geen bijzondere dag.
Zou ik zo zeggen.
Vroeger…ofwel zo’n vijf weken geleden, merkte ik na een poosje hard werken, sporten of andere inspanning, natuurlijk best dat ik moe werd. Ook wel eens zo moe, dat ik echt geen boeh of bah meer wilde zeggen. Maar het was een batterijtje dat langzaam leegliep. Een bandje, dat steeds minder snel ronddraaide, als in een ouderwetse walkman, waarin de muziek eerst vals werd, daarna onhoudbaar traag.
‘Alles wordt straks anders’, zei gisteren een nichtje van me. Zelf was ze nog een kuil dieper dan ik in gekukeld, en er, na anderhalf jaar, bijna weer uit. ‘Ik vind NU alles anders ook flink anders’, antwoordde ik. Ook dat begreep ze. De traagheid in het denken. De absolute Kleenex-houding jegens mooie films en kleine dieren, en alles wat er verder voor de voeten loopt.
Die schakelaar ook. Die je tot op heden niet kende, behalve dan bij jonge katjes. Het ene moment is alles jofel. Energie! Piek! Lekker dansen, zingen, je schreeuwend boven de muziek uit verstaanbaar maken tegenover een achterneef die je al lang niet meer zag. En dan: oef. Uit. Om.
Je werkt even in de tuin en plukt onkruid. Stopt boontjes in potjes, zaait sla in een bakje. Niks in de gaten. En weer gaat-ie om. Tot ik die stoppenkast heb gevonden, is in ieder geval alles anders. En daarna dus ook weer anders. Never a dull moment, voorlopig. Of in ieder geval voorlopig geen idee van hoe het even later gaat. Het is weer eens…
…iets anders.
Ik wilde een documentaire maken. Over uitzonderlijke studentjes, die gedetailleerde planningen maken en het geleerde werk netjes afstrepen. Die oefenexamens maken voor verschillende vakken, en niet tevreden zijn met een 5,3. Dan wordt de volgende dag nog maar eens verder getraind. Ik heb er al eentje gevonden, zo’n studentje. Hij woont onder ons eigen dak, en begint volgende week aan de examens voor de mavo.
Intens tevreden met het uitzonderlijk studentje -daar hoef ik me alvast niet druk om te maken- schuif ik ‘s avonds op de bank met een heerlijk bordje moussaka. Goed gelukt, al zeg ik het zelf. Kruidig sappige aubergines, hete aardappelen, en heel veel kaas en saus. Het bord ging leeg, maar in de oven wist ik nog een restje in de ovenschaal.
‘Dat zou ik bewaren voor morgen’, sprak het studentje, ‘dat is verstandiger.’ Ik keek hem verwonderd aan. ‘Ja’, ging hij verder, ‘waarom moet je je overeten? Je zit toch al vol. Dat is dus ook een vorm van verspilling.’ Ik haalde een nieuw bord vol en at het met smaak. Een beetje anders gaan zitten en dan past het best. Het studentje ging alvast maar koffie zetten.
Die documentaire gaat het overigens niet worden.
Ik maak beter een griezelfilm.
De vakantie was dus zonder de man. Niet voor het eerst, en ook niet voor het laatst. De man blijft nu eenmaal liever bij de konijnen. Dat heeft, zo moet gezegd, absoluut voordelen. Zo scheelt het de man in het vakantieland vaak een knijper op de neus bij het openen van de tijdelijke koelkast.
Thuis hoeft er dan nooit naar oppas gezocht te worden. Nooit hoopt de post zich hopeloos op tussen de voordeur en het gordijn. Nooit sterven de planten. Altijd blijft het bakje van Mickey gevuld, de achtergebleven was wordt verwerkt, en als je thuis komt, is het fris in huis en zijn er al boodschappen gedaan.
‘Oh shit, ik ben tomaten vergeten’, sprak de man gisteren, maar dat vond ik geen ramp. Na de tien kilo fruitsalade en de twee kilo weggewerkte tomaten liet ik me door deze misstap de napret niet verzieken. Er was heerlijk vers brood, er waren eieren, en eigenlijk gaat er niks boven een stukje toast met…
‘Geen kaas???’
(Ik heb het tot mijn verbijstering wel zes keer herhaald, terwijl de koelkast open stond, beurtelings de man aankijkend en de schappen scannend. En natuurlijk hebben we er hard om gelachen. Maar intussen, he. Maar intussen…)
Morgen is het alweer de laatste dag in ‘het’ huisje op ‘het’ duin, in ‘het’ dorp in Denemarken. Ik vind het niet zo’n ramp. Fijn om weer naar huis te gaan. Zoals het ook meer dan fijn was om hier te zijn. Er is, tot nu toe, geen enkele andere plaats waar ik zo snel, en zo volledig tot rust kan komen, als hier. Thumbs up voor de huisarts, die deze trip een geweldig idee vond, terwijl ik zelf toch twijfels had. Zo moe. Zo pfff.
Het is een week met kleine hiccupjes, in de vorm van een dagje heftige maagklachten bij jongste, en periodes van heftig verlangen bij oudste, maar verder is het een aaneenschakeling van gelukservaringen, afgewisseld met mooie herinneringen. In de kleine, met vreemd donkerbruin met beige tegels belegde badkamer zie ik steeds opnieuw kleine jongetjes onder het zand. Eindeloos douchend. Zonder dat het zand verdween.
In de Wintergarten, met die specifieke, hooi-achtige geur, zie ik ladingen emmers, schepjes, verzamelingen stenen, badhanddoeken. Strandstoeltjes ook, die natuurlijk iets gemakkelijker in de Volvo pasten, dan in de Twingo. Duitse kanalen zitten niet meer op de tv, maar ik zie elke avond rond tien uur nog het nieuws voor me, dat de man wilde zien. Standaardgrap: ‘Das Gewitter wird Ihnen angeboten von der (dem? die?) Dresdener Bank.’
Het huis staat zo ver weg, maar voelt zo belachelijk sterk als van onszelf. In al die jaren verandert er bijna niks. Nog steeds die kapotte staafmixer, nog steeds dat gruwelijk slechte schilderij boven de bank, die aardige productie van de dame met ontblote borst in de kamer waar oudste het eerstje jaar sliep (‘Mama!’). Het huis is een keer geverfd, er is nu een afwasmachine (nooit door ons gebruikt) en de bank waar je steeds vanaf gleed, is vervangen door twee heerlijk luie exemplaren.
Alleen nog beter, dus.
(Jooz…het IS te boeken…al zul je dan zelf de pannenkoeken moeten bakken.)
Dag twee (want die heenreisdag tellen we uiteraard even niet mee) van het Deense avontuur begint om half acht, als ik wakker word. Een klein juichmomentje, deze nacht van ruim zeven uur. Lezen, beetje e-mailen, lezen, en dan maar eens door de duinen, en het strand op. De vogels stellen zich vreselijk aan. Misschien om het gebrul van de zee te overstemmen.
Het water is koud, het zand is warm en zacht. Even stilstaan. Draaien naar de zon. Schelpje oprapen. Lang nadenken: gaat-ie mee of niet? Er liggen halve krabben met paarse pootjes. Of heten ze scharen? Stilstaan en staren. Zoute lucht. Ratelen van rollende stenen, als de zee zich terugtrekt. Op een grote zwarte steen zit ik meer dan het verplichte kwartiertje te niksen in het niets.
Bij de supermarkt koop ik kiwi’s en aardbeien en ik kijk naar wat verder allemaal lekker is. Door het dorp weer terug. Dooie slang aan de kant van de weg. Of dit nou de niet-zo-giftige of de -juist-erg-giftige soort is, weet ik niet meer. Het maakt in dit geval ook geen verschil. Na het Anitkvariat tweede paadje omhoog. Oudste heeft ontbijt op bed gemaakt voor jongste en bijt in een ei.
En dan is er koffie.