Terugkiek’n?

Het IS ten slotte 31 december. Hoewel ik er heimelijk van droom om ook vanavond weer vroeg naar bed te gaan, zal ik dat niet doen. Ik wacht keurig snackend op twaalf uur, kijk de man glazig aan, bel wat familie (als ik erdoorheen kom), of familie belt mij (als zij erdoorheen komen), ik kijk wat tv, en zal met een onverklaarbaar nostalgisch gevoel, of is dat dan toch mijn te volle maag, om een uur of één, half twee, mijn bed induiken.

Ik heb niets met blijven hangen in het verleden. Ik heb zelfs niets met mijn gewezen rimpelloze, onvermoeibare, flexibele, hyperslanke zelf. De haken en ogen die dáár dan weer langs hingen, staan me wellicht nog iets te helder voor ogen. Ik heb ook niets met ‘toen was het leuk’. Alsof het vanaf nu nooit meer leuk is. Integendeel. Het wordt sinds lange tijd elk jaar nog maar leuker. Kom maar OP met dat nieuwe jaar!

Ik kiek terug op een jaar met een paar kleine dipjes. Misschien waren het er meer, maar die herinner ik me dan mooi niet meer. De hoogtepunten waren talrijker, en die dik ik dan graag nog wat aan, al is dat met mijn hopeloze halfvolle-glas-filosofie niet eens echt nodig. Ik had in 2011 werk dat me beviel, een man die lief was, vrienden die me op mijn plek durfden te zetten en kinderen die dingen deden waar ze zin in hadden.

Als dat zich in 2012 een beetje doorzet, dan hoort u mij niet zeuren.

Voorwaarts mars.

Dus.

Richting geven

Natuurlijk stuur ik u het bos in met de titel boven het stukje. Maar dat ziet u later wel. Lees nou maar gewoon. Over hoe gisteren om 7.00 uur ‘s morgens de wekker afging en de man iets mompelde van ‘Je bent niet wijs’, maar ja, zo veel te doen en zo weinig tijd, hè, dus voort maar. Op naar S., want die zou ik assisteren bij het ophalen van nieuwe kippen, nadat de vorige, oude dames aan een gruwelijk eind waren gekomen. (Daarover geen stukje, want ik wil niet te veel flauwtes op mijn geweten hebben.)

Het ophalen van de kippen is eigenlijk wel een apart stukje waard, maar we moesten door, en zo gaat ook dit stukje door. Naar Kevelaer. Het derde bedevaartoord, dit jaar. Na Valkenburg met zoon en Montserrat met moeder, nu Kevelaer met S. Je zou er haast iets van denken. En dat mag best. Maar het klopt denk ik niet. Want nee, ik ben geen gelover. Kom bij mij niet aan bij hiernamaals en ‘als je maar vijf keer per dag je neus tegen de grond drukt, dan komt het goed’. Geen verplichte rokjes en al helemaal geen lange haren.

En toch loop ik menigmaal een kerk in. En toch steek ik daar dan een kaarsje aan. En toch bewonder ik glas-in-lood en iconen, en ik jank bij verschrikkelijk mooie muziek die vanuit een religieuze dan wel mystieke beleving werd gecomponeerd dan wel uitgevoerd. Als ik heel eerlijk ben, vond ik vroeger het hele ritueel van een katholieke kerkdienst iets als een rustpunt hebben. Een meditatief momentje, zo u wilt. En ja, inderdaad. Na Kevelaer 2011 heb ik er wéér een rozenkrans(-je) bij. Voor in de auto.

En daar houdt het mee op, en ik voel me daar al lang niet meer vreemd onder. Het is zo het is. Ik hoor inmiddels bij de club die het houdt bij ‘Doe waar je zin in hebt, zo lang een ander er geen last van heeft.’ Of, zo u wilt: ‘Zorg goed voor je kippen, dan heb je elke dag een ei’. En als u er nóg een andere richting aan wilt geven, bent u heel erg welkom. Ook zonder Tom-Tom. (Wat óók al een heel apart stukje waard is, maar aangezien time nog steeds flies, duik ik helaas toch nog even liever de studieboeken in…)