Fan

‘Mevrouw!’

Ze roept het voor haar doen vrij hard, wanhopig haast. Ze wijst erbij, haar arm gestrekt naar voren, haar bovenlichaam krommend naar achter.

‘Kan dat omgedraaid worden?’

Niet-begrijpend kijk ik in de richting van haar wijzende vinger. Het bord, de monitor, het kastje? Ik haal mijn schouders op.

‘Dat! Dat! Dat!’

Met de ene hand wappert ze naar voren, de andere gaat naar haar mond. Alsof ze het kokhalzen wil tegenhouden. Oh. Ja. Dat. Dat hebben we ook in havo 3.

Een Feyenoordfan.

Nu even niet

Collega T. en ik hebben allebei net iets te vaak last van een ietwat onwillig lijf. Iets met stoffen die in een te hoge, respectievelijk te lage concentratie door het bloed gieren. We besluiten iets te doen waartoe we ons niet eerder geroepen voelden: we houden een eetdagboek bij via de site van het Voedingscentrum.

‘Ik vertrouw dat ding niet’, moppert T. aan de koffietafel, ‘het geeft steeds aan dat ik te vet eet! Dat komt gewoon omdat mijn BMI te hoog is.’ ‘Mwaha,’ roep ik door een hap peer heen, ‘mijn BMI gaat ook door het dak, maar bij mij staat er zelfs: te weinig vet.’ Ook staat er: te weinig vitamine B, ijzer, seleen en te weinig van nog wat vage v’s, maar dat terzijde. ‘Volgens mij eet jij nog steeds blokjes kaas bij de verboden borrel’, grijns ik vals. T. haalt zijn bovenlip op, kijkt lelijk en zwijgt.

Dinsdag gaan we wokken met het team. We houden elkaars bordjes goed in de gaten. ‘Groente’ wijs ik op mijn eigen bord. ‘Met tahoe.’ ‘En saus’, ziet T. Hij prikt in zijn eigen baksels. Iets met vis en verscheidene brokken onbestendig groenvoer. Na het tweede bordje ‘toch best gezond’ hangen we besluiteloos voor de bakken etenswaar. ‘Vul jij elke dag je dagboek in’, vraagt T. en kijkt verlangend naar de sissende vissen op de bakplaat.

‘Neuh’, zeg ik. T. lacht. Een brede, gulle, opgeluchte lach.

‘Neem jij ook nog een visje?’

(Wat dacht je!)