Thuus

En toen was het weer voorbij. Zeven, bijna acht, dagen van lummelen. Oh. U zei: ‘Maar u fietste zo veel en zo ver?’ Ja. Dat deed ik. In een tempo dat de 10 kilometer per uur soms haalde. Meestal niet. Het is het voordeel van ‘in je eentje’. Tsja. Ik geef het toe. Niemand die op je moet wachten, niemand die diepe zuchten slaakt…mwoah. Dat was voor dat weekje best lekker.

‘s Morgens maakte ik mijn ontbijt. De ene keer was dat een ei en een gebakken boterham (‘geroosterd’ zeg ik maar even niet meer, dat zorgt voor bijzondere beelden in het hoofd van deze en gene, iets met complete broodroosters en verlengsnoeren endezo,…op mijn spartaanse tocht, jawel…), de andere keer was het een gebakken boterham met jam en een gevallen peer of een gekochte banaan.

Tegen de middag begon ik met fietsen. Gemiddeld een kilometer of 35 per dag. Aan het eind daarvan was ik niet werkelijk kapot, maar verder kon ik ook niet. Iets met een zadel en een te geringe gewenning daaraan. Onderweg stopte ik vanwege honger en/of dorst, een fraai uitzicht, een kraampje met lekkers, een plantje dat ik van dichtbij wilde bekijken (en een fietssleutel die ik dan uit een moeras moest zien te vissen).

Aan het eind van de middag bereikte ik meestal het doel van de dag. Meestal nog iets eerder, soms wat later.  Het gevoel was echter steevast hetzelfde. Ik denk dat S. dat gevoel redelijk loepzuiver heeft weten te vangen.

(Maar…het was slechts één keer dat er bij het namiddaglijke ontwaken patat en sla klaarstond. Alleen daarom al krijgt de camping van S. van mij nèt een sterretje extra. Vooruit. Twee.)

Lekker

Een poosje geleden moest ik een lijstje maken. Dat poosje geleden kan ik precizeren (is dat een woord, vroeg de -weliswaar onbevoegd – docent Nederlands?) en dat lijstje ook, maar dat hoeft niet. Op het lijstje moest onder meer staan: ‘dingen die energie geven’. Oef.

Ik had ze niet. Niet werkelijk. Niet (meer) op dat moment van ‘lijstje invullen’. Natuurlijk schreef ik wel wat op. Zoals ik ook in den beginne dingen zei tegen de arts van wie ik dat lijstje moest maken. Dingen waarvan ik dacht dat ze wel pasten bij de situatie, zeg maar. Iets wat ik nu ook wel afgeleerd heb. Je komt er niet zo heel veel verder mee. Wat ik dan precies moet zeggen weet ik ook nog niet, maar ik doe mijn best.

Enniewee. Het lijstje. Waarop ik dingen schreef als: ‘dingen doen met S.’ Omdat dat nog het dichtst in de buurt kwam van ‘energie geven’, ook al was dat niet meer dan het proberen aan te blazen van afgefikt hout. Het gloeit even, maar stop je met blazen, dan..enfin. Ook stond er op: schilderen. Al kon ik de energie niet opbrengen. Wandelen met de man. Want dat vond ik toch fijn? Zo maakte ik mezelf wijs. Want vroeger vond ik dat fijn. Dus NU MOEST dat ook fijn zijn. Maar dat was het niet meer. Zoals niks meer werkelijk fijn was.

Het kamperen, wat ik zo graag deed…ik kon wel janken als ik er aan dacht. Omdat ik het niet meer zag gebeuren. Zo veel gedoe. Zo’n eind fietsen. Niet slapen, want dat kon ik niet, en DAT dan op een matje van nog geen centimeter dik. Dat werd ‘m niet.

En toen. Ging ik, inderdaad, in de loop van deze vakantie, op doktersadvies, steeds een stukje verder lopen. Verder zwemmen. Af en toe, en gaandeweg steeds vaker, was er het moment van genieten tijdens de activiteit zelf. Niet achteraf, als ik mijn vinkje kon zetten: ‘gedaan!’ Ik kreeg op een gegeven moment een beetje zin om toch te gaan kamperen. Een nachtje. Misschien twee. Misschien toch op de fiets.

Ik ben bijna een week weg. Ik ben de tijd de helft van de dag kwijt. (Het is dat ik zo vaak e-mail, sms en facebook, want dan zie ik de tijd nog eens een keer op mijn Blackberry.) Ik vraag me niet eens af of ik wel geniet. Volgens mij lukt het ZO ook wel.

Alleen

Mijn solotochtje door het noorden van het land ontlokt aan sommige mensen de vreemdste opmerkingen. Goedbedoeld, maar toch: vreemd. Ik zou stoer zijn, en avontuurlijk. Hm. In dit geplaveide pretpark dat Nederland heet, is er verschrikkelijk veel moois, maar er is weinig werkelijk avontuurlijks te beleven. Niet in de bossen, niet in het veld. Misschien in de Bijlmer, als je daar met je juwelen opzichtig dansjes gaat maken voor broeierige R&B-types, maar waar ik ga?

Neuh. Toch is dat niet het wonderlijkste wat ik hoor. Het wonderlijkste is toch het feit dat ik ‘alleen’ ga. Sommige mensen vinden het ook erg, en een gruwelijk idee. Het schokt me een beetje, omdat ik denk dat ‘alleen’ niet betekent dat je je niet kunt vermaken. Maar daarnaast is het ook een heel gekke vraag. In de drie dagen dat ik nu op pad ben, ben ik wellicht vijf seconden alleen geweest. Op een fietspad. In een douchehokje.

Altijd is er iemand in de buurt. Altijd fietst er iemand achter je, of komt iemand je tegemoet. Als je je fietssleutel laat vallen in een moeras, staat er plotseling een echtpaar achter je, om te helpen zoeken (en vinden!). Als je een alternatieve route zoekt, wijst een oude man over je schouder. Wanneer je op een camping in Groningen vermoeid aan komt, schenkt de terreinwacht thee voor je in. Er is mens in elke hoek om je heen.

Ik ben (bij lange na) niet alleen.

(En dan hebben we het nog niet eens over Facebook, Twitter, E-mail en sms gehad. Mooie tijden, mensen, mooie tijden.)

Mindful

‘Ik wil wel naar rechts,’ zei de man nadat we voor het eerst wakker werden in het hotel in Nes. Ik vond het goed. ‘Naar rechts’ was richting Het Oerd, een natuurgebied met vooral veel vogels, een heerlijk fietspad, aan het einde een weggetje naar het strand, maar verder: niets. ‘Het lijkt Denemarken wel,’ zei de man, waarop ik wist dat ik voorlopig wel weer wat potjes zou kunnen breken. Het was heter dan gedacht, en de man had geen water meegenomen, dus we moesten eerder dan gepland terug. Dat was dan wel weer errug jammer.

Gelukkig hadden we nog een dag. Weer naar rechts kon ook, maar de man vond links ook goed. ‘Naar links’ werd het. We fietsten in een onmogelijk tempo door de duinen. Onmogelijk voor mij, omdat mijn tempo mijzelf wanhopig maakt. Ik denk dat ik race, met hartkloppingen en buiten adem achter de man aan, maar de man fietste bijna even onmogelijk. ‘Ik probeer echt ALLES om zo sloom mogelijk te fietsen!’ riep hij vertwijfeld uit. Om vervolgens steeds binnen vijf minuten een stipje aan mijn horizon te zijn.

We stopten bij een duinopgang. De fietsen op slot, de tassen mee. Er zat voldoende drinken in. Wat lekkers. Handdoek. Boeken. De man zuchtte diep. Het was wederom als in Denemarken: geen kip te zien. Wel meeuwen. Eenmotorige vliegtuigjes kwamen over, in de verte dreven schepen als flatgebouwen. Dichtbij was het stil. De man snurkt namelijk heel erg zacht. Ik las. De man werd weer wakker. ‘Is dit nou ook ‘mindful’? Ja, toch?’ vroeg hij slaperig. Ik knikte. Slaap maar weer verder. De boot ging nog lang niet.