Blik op de weg

Omdat we niets kunnen zonder te overdrijven, zijn de man en ik intussen bezig aan een schier obsessieve hobby: wandelen. Waar we eerst nog af en toe een blokje om gingen en verder nergens naar keken, bestuderen we nu voortdurend likkebaardend wandelsites, op zoek naar verse routes. We tellen kilometers en als het er niet genoeg zijn, moet er ‘nog een lusje bij’.

Dat er nog meer uit het wandelen te halen valt, hoorden we op de boerderij. Mijn ouders hebben tijdens het wandelen steevast een plastic tasje bij zich, dat zich gedurende het lopen gestaag vult met blik. Iets met ‘oud ijzer’ en ‘geld’ en ‘nou ja, bukken kost niks’ en het gras gaat er beter van groeien. Dat laatste stel ik me dan weer milieutechnisch/romantisch voor, hè.

De man en ik, we wandelen voortaan ook met een tasje. Hij let op rechts, ik speur op links. Alles wat geen blik is, mag niet mee, dus milieutechnisch is het toch een mager verhaal. Maar. Het speuren en zoeken, bukken en smijten, levert na een paar kilometer al een halve HEMA-tas met blik op. Tien kilometer verder zit de tas vol. ’10 kilometer, 27 blikjes’, sms ik mijn vader vol trots. Een kwartier later krijg ik respons: ‘Nog honderd vandaag.’

Waaruit ik opmaak dat onze eerste prestatie waarschijnlijk ‘peanuts’ is, maar de kilometers vlogen vandaag voorbij. Morgen gaat het zakje dus mooi weer mee.

Andere tijden

December is mijn favoriete wintermaand. Ik geloof niet dat er veel mensen zijn die dit gemist hebben, als ze mij kennen. Al tijden van tevoren begin ik met zoeken naar kersttakken, -lichtjes, -ballen en -stallen. De hele maand december en een stukje gesmokkeld januari is het huis op zijn kerstbest.

Nee. Dan Pasen. Niet dat ik het een vervelend feest vind. Integendeel. Pasen was heel vroeger al de belofte richting zomer. Het kampeerseizoen begon. Ik herinner me zonovergoten, maar ook iets minder zonovergoten kampeerfestijnen met familie en vrienden van familie. Kerkdiensten in campingkantines. Na afloop schalen vol gekleurde, gekookte eieren.

Pasen nu lijkt zo snel na het kerstfeest te komen. De kerstkaarten zijn nog maar net van de deur, de -ballen naar zolder. Waar lagen alle paashazen, -konijnen, -mandjes en houten eieren? Geen flauw idee, bedenk ik ieder jaar, en ieder jaar kom ik ze per ongeluk ergens in mei tegen. Als ik last van voorjaarsschoonmaakkriebels krijg.

(Dit jaar kwamen ze toevallig iets eerder. Ondanks de sneeuw.)

Lekker wel doen

Een jaar of zeven geleden sprak ik met een heerschap op de school zonder C. te S. Ik wilde me inschrijven voor de lerarenopleiding en vertelde daar enthousiast over. ‘Zou je dat wel doen?’ Ja, knikte ik. Zeker wilde ik dat doen. Een jaar of dertig eerder in de tijd hield het vak me ook al bezig, al had het toen meer te maken met ‘bazig zijn’ en ‘dingen vertellen die andere kleuters wel of niet moesten doen’. Maar goed. Toen had ik die opleiding niet eens in zicht; ik ben niet te streng voor mijzelf.

Ik moest het niet doen. Ik moest nog wel tien keer denken. Elf keer, als tien niet genoeg was. Volgens mij ging ik er hard van fronsen en deed ik een stapje achteruit, want de toon van het heerschap werd zachter. De leerlingen, ja, die zijn leuk, zo vertelde hij verder, maar dat gedoe eromheen. Hij zuchtte er diep en wanhopig bij. ‘Hm’, sprak ik wijs, en schreef me in.

In mijn lokaal hangen verzamelingen armen en benen die nog niet weten welke kant ze moeten gaan. De ene dag showen ze foto’s van de hond, de volgende dag vragen ze of ze van een eerste keer al zwanger geworden kunnen zijn. Soms hebben ze hun huiswerk af, vaker is er een creatieve smoes, waarin de hond niet zelden een hoofdrol speelt. Ze zetten hun voeten over de drempel als de bel net gegaan is. Ze zijn er niet uit te branden vanwege nóg een verhaal, als jij net naar huis wilt. Op hun te hoge hakken, met hun te grote petten en te dure gsm’s pakken ze me elke dag weer in.

Natuurlijk. Het heerschap van toen had helemaal gelijk. Gelukkig niet alleen over dat ene deel.

daddycool

(En dan heb ik het nog niet eens over die andere vreemde creaturen, die het leven zo aangenaam maken…en om wie je soms zo vreselijk hard moet lachen, zeker als ze een waanzinnige ‘Daddy Cool’ brengen. Al is, toegegeven, de ene collega de andere nog niet en kunnen ze zeker niet allemaal zo goed zingen. Vooruit…)

Wiebelbordjes

De laatste weken hield ik niet helemaal meer bij. Ze vlogen om. Van werk via taak naar klus stoof ik erdoorheen. En nog eens. En nog eens. Ik begon me af te vragen of het allemaal nog wel zo goed liep als ik dacht dat het liep. Was ik te ver gegaan, te snel, te hard van stapel (weer)?

Al snel kreeg ik door dat ik niet de enige was bij wie de bordjes massaal op de steeltjes  wiebelden. Het leek wel een dreigend Grieks huwelijk. En ik heb al zo de pest aan trouwerijen. Enniewee. Het lag niet aan mij. Zonder te willen klagen, want dat mag niet in het onderwijs, iets met ‘lange vakanties en daarom bek houden’, kwamen collega’s en ik al keuvelend bij de koffie tot de conclusie dat er op dit moment wel erg veel dingen bij elkaar kwamen. Hoe redden we ons daar nog uit?

Ik haalde diep adem. Zei: ‘Tja.’ ‘Potdorie.’ en ‘Het zal vanzelf wel weer zomeren .’ Waarop we dat laatste toch weer gezamenlijk betwijfelden. Zeker met de gestaag vallende bulk sneeuwvlokken op de achtergrond. In het postvakje lag informatie over een nieuw project, in de nieuwsbrief had ik moeten lezen dat er volgende week geen toetsen afgenomen mogen worden in de derde klas, op mijn bureau wachtte een stapel Cito-papieren die nog dienden te worden ingevuld.

In het weekend schijnt het ook nog eens te gaan vriezen.

Digitaal shopsucces

Jongste houdt best van fijne kleding, al beweert hij soms van niet. Schoenen van dat ene merk, met die twee toegestane kleuren, broeken die donker en NIET strak zijn en hoodies in mooie, heldere kleuren. Als het dan maar niet geel is. Of rood. Of oranje. Of…wel blauw, maar niet met rare plaatjes. Paars kan wel, maar niet met V-hals.

Tsja. Gaan winkelen en wat meenemen voor jongste is dus niet zo slim. Al is de neiging best groot, want jongste houdt zelf niet zo van shoppen. De laatste keer dat er broeken gekocht werden, schudde de jongeman treurig ‘nee’, bij bijna elke broek die ik voorstelde. De broeken die wel wat leken, werden in het pashok met zwaarmoedige gebaren aan het lijf gehesen. Zuchten van verlichting werden geslaakt aan de kassa.

Vandaag liep ik diverse leuke winkels in. Stapels fijne hoodies in heldere kleuren. Geen oranje, geen rood, weinig geel. Ik maakte foto’s en zette ze op de e-mail. De e-mails kwamen terug, met antwoord. ‘Die is vet.’ ‘Deze niet.’ ‘Goed, maar dan met zwart.’ Bij thuiskomst straalde jongste van oor tot oor.

(En ook ik bleef vrolijk. Met vriend R., die gek op kleren is, shop in, shop uit gaan is een stuk beter voor je humeur dan wanneer je dat met een grumpy adolescent moet doen…)

Horizonnig

Nog drie maanden. Drie keer een enkele luizige maand, voor het studiejaar weer zo’n beetje om is. 14 juni is de dag, dat je als student nog een documentje inleveren mag. Niet dat er daarna geen herkansingsperiode is, maar jaren van studie-ervaring leerden me dat het studiejaar voor de meeste hbo-docenten ook wel zo’n beetje om is. Halverwege juni.

Als ik heel droog kijk naar de studiepunten die ik nog moet halen (ruim 20 van de 240) en de tijd die me dit jaar rest, dan moet ik constateren dat het wel heel lastig wordt om voor de zomervakantie af te studeren. Maar dat constateer ik natuurlijk niet. Als het eens twee dagen redelijk gaat en ik zo een projectje voor 2 gym (of zo) in elkaar rammel, dan denk ik dat de wereld toch weer van mij is. Inclusief diploma.

Ook al volgen er vervolgens weer dagen van dikke stront en slakkensporen, ik geloof werkelijk dat ik er intussen wel weer een beetje in geloof. Desnoods tegen beter weten in. En da’s best fijn, want het afgelopen jaar heb ik net iets te vaak gedacht dat het nooit meer zou lukken, en dat ik via de achterdeur -‘En tot nooit meer ziens’- het onderwijs zou moeten verlaten.

(Wat sommige mensen, gezien de voortdurende drang vanuit Den Haag om die sector kapot te maken, misschien best nog een goed plan zouden vinden, maar ja. Dat terzijde.)

Doorslaan

Jazeker. Jongste vraagt mij nog minstens tweemaal daags of ik mijn voedsel wel heb afgewogen. Hij begeleidt de vraag met een vette grijns, en da’s niet erg, behalve als ik niet in de stemming ben. Hij merkt dat echter immer iets te laat en dan klinkt er achter uit de keel iets van ‘gheghe’, met de lippen bijna op elkaar.

Ik weeg geen eten meer. Intussen weet ik wel wat er -ongeveer- zit in elke hap die ik neem. Dat leidde tot wat ik nog liever wilde: nadenken over wat ik naar binnen werk. En waarom ik dat doe. Zodat ik me beter zou voelen dan ik me voelde en niet voor de vierde keer in een jaar de smoes ‘versleten’ hoefde te gebruiken, als ik weer nieuwe spijkerbroeken ging halen.

Na negen weken mag ik weer om nieuwe spijkerbroeken en niet omdat ze versleten zijn. Ik voel me erg goed, maar het feit dat mijn maag niet regelmatig door mijn ribbenkast naar buiten wil, maakt wellicht wel enigszins verschil. Tot mijn grote verbazing bedenk ik nu dan wel weer, dat ik om acht uur ‘s avonds nog lang niet aan het quotum zit dat ik mezelf heb toebedeeld. Zodat er eigenlijk een koekje bij de koffie moet.

(Wat ik vervolgens toch niet neem, omdat ik er geen zin in heb. Ik blijf mij immer verbazen…)