Verrassings

Een tuin is een droom van/voor velen. De man en ik horen natuurlijk ook bij die velen, maar toch met enige reserve en uitleg. Wij dromen namelijk van een tuin vol bloemen, vruchten, kort gras met madeliefjes, een boompje hier en daar, wat zoemende en fladderende beestjes, soezende katten…kruiden… En dat alles zomaar vanzelf. De hele zomer lang. Zeg maar.

Maar ja. Onze tuin is eerder een boze droom vol akkerwinde en zevenblad, paardenbloemen en een fruitboompje met schimmel hier en een rupsenplaag daar. De katten soezen er heerlijk, maar het liefst boven op plantjes die plat niet het meest tot hun recht komen en de kruiden die ik het liefst wil kweken, komen nooit boven de grond.

Een regelrechte nachtmerrie is de moestuin, een plek waar kabouters en trollen samen met de slakken de wildste horrorscenario’s verzinnen (en uitvoeren). Dat past daar mooi, zo tussen het straatgras en de vermolmde, scheefgezakte hekjes in. Onder een verlaten, half in het zand stekende riek vermoed ik agrarische misdaad van het ergste soort. Ik kom er, kortom, liever niet.

Iets wat ik vandaag toch wel deed. Onder een junizonnetje lijkt alles beter. Ik spitte zelfs de grond en trok voor de vorm wat onkruid weg. Ik ontdekte dat de kabouters blijkbaar toch wat wilden eten bij het smeden van al die snode tuinplannen bij het schijnsel van de maan, maar vannacht bijten ze mooi op een al dan niet vermolmd houtje. Deze aardbeien, waarvan ik het bestaan al een jaar niet (meer) vermoedde, heb ik lekker zelf opgegeten.

Het kan beter

Zo’n binnenbrand in je hersenpan is eigenlijk best hilarisch. Ja! Diegenen die zich nu zwaar aangebrand voelen of oververhit raken van het idee dat iemand lacht om een burnout: er zit een kruisje op deze pagina. Om precies te zijn: rechtsboven. Meer stress dan nodig wil ik niemand bezorgen.

Goed. Nu we ‘entre nous’ zijn, leg ik even uit hoe het zit. Want, natuurlijk is het niezoleuk om als een lekke inktvis in te storten wanneer je liever nog even als een supersonische haai had doorgewerkt en -gestudeerd. Natuurlijk had ik intussen liever ‘bevoegd’ achter mijn naam zien staan, in plaats van ‘sneue eeuwige student’.

Maar ronduit lachwekkend was het, zo terugkijkend, zeker wel. Niet eens speciaal die momenten van totale doorbranding, waarop ik al begon te grienen bij een nestje puppy’s op tv, briesend ontbrandde bij een verkeerd begrepen opmerking van deze en/of gene, of wanneer ik weer eens niet kon kiezen tussen geel of blauw en simpelweg 1 + 1 niet meer tot 2 kreeg opgeteld.

Neuh.

Die smart ass-opmerkingen! Steeds opnieuw! In de eerste week na mijn ineenstorting: ‘Jawel, hoor, het gaat best weer goed.’ In de derde week: ‘Hm. Nou. Nee. NU gaat het goed.’ De tweede maand: ‘Jaaa, NU is het toch echt beter.’ Een half jaar later: ‘What was I thinking? Volgens mij gaat het NU pas echt goed.’ Enzovoort, en zo verder. Ach. Dan gisteren. Ik had een studieboek gevat en was fijn aan het samenvatten. Hm, dacht ik. Dat ging een poosje terug toch aanzienlijk slechter!

(Maar om nu te durven zeggen dat het goed gaat? Ik kijk wel uit. Het kan misschien nog veeeeel beter.)

Linette vindt het zo wel goed. Ja.

Linette vindt het zo wel goed. Ja.

Voor elkaar

Voor elkaar. Alle toetsen, plus de inhaalexemplaren, nagekeken en in Magister. Een werkwijzer voor het komende schooljaar in de maak. De toets voor de toetsweek klaar. Nakijkmodel: gereed. Ouders van mentorleerlingen voorzien van informatie, waar nodig. Man, man, man, ik zat er gewoonweg zeer heerlijk van te genieten. Van dat ‘voor-elkaar-hebben’ van mij.

Ik dacht er nog verder over na, tijdens het surveilleren bij een brugklasje. (Ik dacht daar ook: wat zijn ze klein…en lief…) Het uur ging om. Er was een restje pauze en dan zou een tweede klas binnen komen wandelen. Het derde uur voor de derde klas was elders intussen al begonnen, bedacht ik. Proefwerk Nederlands. Gisteren nog de dyslecten ge-e-maild, zodat ze hun laptops met voorleesprogramma en aangepaste toets op zouden komen halen…

(…)

Voorleesprogramma!

Laptops!!

K****!!!

Ik viste de USB-stick met de digitale toetsen uit mijn etui, rende naar systeembeheer, griste laptop 3 en 4 uit de kast, rende naar het aangrenzende gebouw en rukte de deur, zachtjes, open. Hard hijgend. De jongens om wie het ging, zaten geconcentreerd gebogen over een papieren toets. ‘Euh..?’ deed ik, en hield de laptops omhoog. Nee hoor, schudde de een. Hij redde het zo ook wel een keer. De ander schudde eveneens van nee. Hij deed het ook wel zo.

Met ingehouden adem keek ik hun toetsen na. Telde na het strepen de punten. Beiden hadden een voldoende. Ook op hun eindlijst.

Voor elkaar.

Ik ging nog even verder. Met ademloos genieten.

(Van opluchting, ja.)

Mickey heeft het ook voor elkaar - maar dan anders...

Mickey heeft het ook voor elkaar – maar dan anders…

Op is op

Het is misschien wel het lastigste wat er is: vriendschappen die langzaam (of minder langzaam) maar zeker (of minder zeker) ophouden te bestaan. Nou ja, het is niet altijd lastig; soms ben je elkaar op hetzelfde moment een beetje beu, en zonder het te hoeven melden, ga je steeds meer je eigen gang, totdat je nog slechts Facebookvriendjes bent omdat je daar ontvrienden ook weer zo wat vindt.

Lastig is het, als het niet wederzijds is en je te laf bent om dat te melden. Ik ben zelf laf, weet ik, omdat ik ook wel eens iemand te lang heb laten bungelen, terwijl mijn vriendschap een stuk minder vurig was dan die aan de andere kant. Maar ja, ooit dacht ik het beter te doen door iemand expliciet te melden dat ik er niet zo veel meer aan vond. Kwam ook niet zo best over.

En ja, ook mij vindt men wel eens minder leuk dan pakweg een aantal jaren eerder. En dat, terwijl ik dan gek genoeg die ander steeds leuker ben gaan vinden. Gek genoeg kun je daar vanuit de overweldigende kant ook niet zo veel mee. Het is zo. Het zij zo. En voorlopig zal het ook nog wel niet zomeren…

Retour

Op een dag had Mara een nieuw huis. Een heel fraai, rood, klein huisje op de Noorse prairie, met schapen als buren en de zee in de verte. Ik was zo blij, misschien wel bijna net zo blij als zij was, omdat ik wist dat ze het zo graag wilde en ik het haar zo enorm gunde dat ze het kreeg.

Awel. Tot zover deze emoosjoneele diarree. Al moet het soms even. Omdat het toch minstens nog een maandje of wat gaat duren eer we weer eens fijn in ons Kleenex-standje kunnen schieten. Eye to eye, dan. Maar goed. Het huis. Met de schapen. De Evil Garden. De eindeloze luchten met die rotsen die daartegen afsteken.

Ik stuurde een kaartje. Iets met een poes erop, want ik houd ervan om een kaartje te sturen met een poes erop. Ik zette er iets in wat vast weer klef en anders klam of kledderig was. (Niezogek dat Kleenex ook met een ‘K’ is. Bedenk ik nu tussendoor.) Ik wilde weer de eerste zijn die een kaartje deed belanden in een nieuwe brievenbus. ‘Yay!’ deed ik zachtjes in mezelf, toen ik het kaartje op de bus deed. Dat was een week of zes geleden.

Ik kreeg ‘m van de week net zo hard terug. Nou moe. Eigenlijk was ik best nieuwsgierig naar wat ik erin gekledderd had. Maar ik heb niet gekeken. Ik hoor het over een poosje wel. Als-ie WEL is aangekomen, want je denkt toch niet dat ik zo snel opgeef. Ook al ben ik nu wellicht de laatste met ‘Veel geluk in je nieuwe huis et cetera.’

(Het schijnt overigens wel te schelen dat Mara nu een naambordje op de brievenbus heeft geplakt.)

Ze konden er niet eens een reden voor verzinnen, voor dat retour zenden. Dus. Rare Noren.

Ze konden er niet eens een reden voor verzinnen, voor dat retour zenden. Dus. Rare Noren.

Kringloopwetten

We waren al langer van plan een beetje op te ruimen. Herstel. IK was al langer van plan een beetje op te ruimen. De man doet van veel dingen erg lastig iets weg. Hij keek dan ook een beetje benauwd toen ik gisteren meldde dat de boekenkast ‘nu’ aan de beurt was.

Alleen de boeken die we nog zouden lezen of herlezen, EN de boeken met serieuze emotionele waarde mochten blijven staan. De rest: weg. Rij na rij spitten we door, stapel na stapel ging in dozen. Het laatste stel in een tas van Albert Heijn. (Dit laatste is voor de inhoud niet belangrijk, maar het bekt wel lekker. Vandaar.)

We reden met de volle achterbak naar de kringloopwinkel. Er was geen plaats meer op de ‘spullenkar’, dus we zetten het ernaast. ‘Nog even boven kijken’, zei ik tegen de man en zo liepen we nog even naar binnen. Boven hangt kleding, er zijn lampen te koop en… ‘Als je hier nu boeken koopt, dan…’, mompelde de man dreigend. Het laatste stukje verstond ik gelukkig niet.

(Wat zijn nu drie boeken, als je er net een stuk of honderd weggebracht hebt?)