Inhalen

Het was een rare week. Een week waarin het niet alleen op de school diep in Drenthe druk was, maar er ook van allerlei andere dingetjes speelden die om voorrang riepen in mijn hoofd. Ik weet niet of het daar aan lag, maar feit is: er ging een hoop mis.

Zo kocht ik prachtig ondergoed voor jongste, maar wel twee maten te groot. Ik schafte anti-vlooienmiddel aan en raakte dat meteen weer kwijt, om het twee dagen later op een bijzonder logische plek terug te vinden: in mijn schooltas. Het appeltje dat ik voor de terugweg op vrijdag al in mijn handen hield, liet ik achter op het bureau van Chef. En ik verloor mijn stick.

DE stick! DE STICK! Dat ding waar niet alleen al het werk van de afgelopen jaren op stond, zowel van de school diep in Drenthe als van de studie, maar ook alles wat ik daarnaast nog graag had willen bewaren. De stick die ik met mijn leven bewaakte, zei ik vaak, maar zo heet werd de soep dus nooit gegeten.

Ik vind ‘m vast over een paar maanden terug op een logische plek (achter het zelfrijzend bakmeel of bij de reservelampjes in de auto…), maar voor nu zat er niks anders op dan het opgraven van een net iets te oude back-up, het verzamelen van net genoeg moed en het vastketenen van mezelf aan een bureautje op de hogeschool in Z. Net lang genoeg om de benodigde bestanden te herschrijven.

Gelukkig. Dat lukte. En mijn nieuwe stick? Die bewaak ik niet langer meer met mijn leven. Een stevige draad, aan stick en etui geknoopt. Wellicht dat dat beter werkt.

De banen – 1

Ik las net een stukje van vriendin Mara over de vraag van vriendin C. ‘Wat was het leukste werk dat je ooit deed?’ Het deed me denken aan alle baantjes en banen die ik zelf gehad heb. Volgens mij kan ik ze niet eens allemaal opnoemen en al helemaal niet in de goede volgorde, maar er zijn wel meer dingen die ik niet kan en dat schijnt helemaal niet zo erg te zijn.

In 1987 had ik een vakantiebaantje bij een zaadveredelaar. Ik was er bezig met het uitdunnen van rijtjes maïs en suikerbieten, terwijl ik gestaag maar zeker verbrandde in de hete, Zeeuwse polderzon. Ik ging voor het eerst op reis voor mijn werk, naar Ermelo. Elke dag uit eten na het veldwerk. Elke avond het geschokte gezicht van het strenggelovige collegaatje als ik op de hotelkamer mijn pil naar binnen wierp.

In 1989 werkte ik opnieuw bij dit bedrijf, nu als vaste laboratoriumkracht. Ik kweekte plantjes in reageerbuizen, deed zaaiproeven met tarwe en gerst en probeerde een seksueel oververhitte chef van mijn lijf te houden. Met wisselend succes. Het was al even moeilijk om de traktaatjes van een andere chef af te slaan. Met zijn 16 kinderen was hij een zegen volgens God.

Ik was zijn eeuwigdurend project, voor drie jaren toch. Hij schudde minstens zestien maal daags zijn vermoeide hoofd bij de aanblik van mijn gemillimeterde haar, mijn legerkisten en mijn shagjes die ik rolde met rijstevloei en vervolgens relaxt oprookte achter de zuurkast waar ik, naast hem gezeten, mijn plantjes sneed.

Toentertijd vond ik het een ware prestatie om vóór tien uur ‘s morgens wakker te worden, net op tijd om een herhaling van ‘The Love Boat’ te zien. Naar het werk ging ik dan ook pas om 13.00 uur. Ik reed het dorpje uit, waar ik woonde, en reed de polders in. Dijken met populieren, boten met containers op de achtergrond, waar ik de Schelde wist. Eindeloze luchten, hazen die over grijze klei vluchtten, een fazant die zich nog net op tijd uit de voeten maakte.

Ik heb er genoten, maar het kon niet duren. Na verloop van tijd wilde ik om half drie de wijzers van de klok al naar vijven duwen…op 1 oktober 1992 had ik voldoende zaad gezien en vertrok. Geen idee waarheen. Dat zag ik later wel…

Een eiland op het vasteland

Ik ben heel goed in alleen zijn. Sterker nog: als ik het niet regelmatig ben, dan word ik een beetje kriegelig. Met enige regelmaat vindt u mij dus…niet. (Nee, hèhè, anders was ik wéér niet alleen.) Tijdens die retraites doe ik niet zo veel. Ik tuur wat voor me uit, schilder een peer, een gevallen blad, ik tel de sterren of ik stuur de ene gedachte na de andere mijn drukke hoofd uit. En ja, daar geniet ik van.

De man heb ik dus ook niet altijd nodig. Geen probleem als hij er eens vandoor is. (Behalve wanneer dat betekent: met een ander, voor altijd, en in die volgorde. ‘Met een ander’ betekent bij mij sowieso ‘Voor altijd’. Zo’n heks ben ik wel.) En vandoor was hij dit weekend. Met zijn broer en moeder naar een eiland. Iets met een verjaardag en iets vieren, maar zo heel veel mensen om dat mee te doen waren er ook weer niet voor nodig.

Relaxt.

Behalve dat het dus hier wel om Vlieland ging. En dat de man dus de hele tijd liep te sms’en dat het zo lekker zonnig was daar. Dat-ie in zijn t-shirtje aan het strand liep. Op het balkon over het wad zat te staren. Op een terrasje nog wat te drinken nam. Maar dat-ie zo graag wilde dat we er met zijn tweeën waren. Dat we er snel weer met zijn tweeën heen moesten. Want dat dat toch het allerfijnste is. En toen was ik ineens een eilandje op het vasteland en ik dreef weg van al mijn goede voornemens, alle dingen die ik had willen doen in mijn heerlijke eentje.

Dit is natuurlijk niet van nu, maar van die keer dat we alleen in de badkamer van het hotel in een t-shirtje konden lopen...

Dit is natuurlijk niet van nu, maar van die keer dat we alleen in de badkamer van het hotel in een t-shirtje konden lopen…

En wat lekker dat het nu nog maar een paar uurtjes duurt, voordat-ie thuis is. Dat allenig zijn, dat kon dit weekend echt wel even wachten.

Oude doos – 2

22 mei 2008 – ICT, weg ermee!?? 

Heb ik een poosje geleden een ICT-gestuurde les (wat zeg ik dat weer mooi…)…pikt een ‘collega’ de door mij gereserveerde laptoptrolly in. Denk ik nog…dat kan een keer gebeuren…en ik plan leuk een nieuwe serie ‘ICT’ in. Ingaande eergisteren. So far so good, al was de eerste les in die serie meer een lesje apenkooi, waarin er achtereenvolgens een portie geworsteld werd (juf vs. leerling E.: 1-0), met een dikke elastiek geschoten werd op wie er maar even niet keek (resultaat: remise voor de klas, inclusief S.) en leerling N. gejonast werd voor het open raam (S. en juf hebben leerling N. toch maar laten leven en het raam dichtgedaan, onder luid protest van de klas.)

Verder is er nog iets verteld over sprookjes, maar op de een of andere manier resulteerde dat weer in een spannend verhaal over seks en geweld. Goed. Gisteren dan. Nee, dus. De klas had een proefwerk in dat uur? Hm? Proefwerk? S. keek me vanaf zijn plekje achter in de klas schuldbewust aan en zwaaide wat met zijn pen. ‘Dat …euh…had ik je dus…gisteren..nou ja, willen vertellen.’ Dus. Enzo.

Maar dan hebben we vandaag nog. Maar liefst twéé lesjes met PC en/of laptop dan wel mediatheek. In opperbeste stemming open ik het overzicht van roosterwijzigingen. En slik op een onhandige manier mijn yoghurt door. De klas heeft het tweede uur les in een ander lokaal. In plaats van…het computerlokaal. Goed. Dan zal het vijfde uur mijn bestelde trolly ook wel weer gepikt zijn. I get the message. Kindjes…pak pen en papier…we gaan een stukje schrijven. Over de middeleeuwen. Toen er nog geen computer was.

Grrrrrrrrr

De afstudeermoeder maakte het goed

De afstudeermoeder heeft het druk. Al maanden heeft zij geen stofdoek gezien. Ze heeft geen idee of het waspoeder op is en welk merk allesreiniger euro’s scheelt. Haar familie leeft al maanden schoorvoetend mee. Niet stofzuigen als zij leest. Niet zemen als zij schrijft. En niet praten als zij denkt. Soms schuift de familievader haar een koffie toe. De afstudeermoeder kromt haar tikvingers om de kom en gromt een groet als dank en afscheid. Zij moet verder, naar de deadline toe. Ga zitten, wees stil. En wacht. Tot het eindelijk af is en het leven opnieuw mag  beginnen.

Soms neemt de afstudeermoeder een minuutje vrijaf. Dan maakt haar blik een ommetje. Stoffige poezen, prinsheerlijk op neergesmeten truien. Besmeurde laarzen naast een yoghurtbeker op het Perzisch tapijt. Vóór haar, tussen keyboard en beeldscherm, zes aangekoekte kopjes. Daar mag de familievader niet komen. Dan gromt ze extra hard.

Op zolder groeit de berg van schone, maar ongevouwen kleding gestaag richting hanenbalken. Tegen het raam van de voorkamer stapelen kranten en boekwerken zich tot ooghoogte op. Er is geen proviand meer en zelfs de poezen gaan uit eten bij de buren.

De afstudeermoeder is stil. Haar moederhart wringt om de familie die lijdt. Als het laatste woord op papier staat, belooft ze, maakt ze alles weer goed. Het huis maakt ze schoon en alle rommel ruimt ze op.  Poezen zal zij aaien, de familie geeft zij liefde en zorg. Kleren zal zij repareren, wassen en strijken. Want, zo realiseert de afstudeermoeder zich, zó kan het echt niet langer. Terwijl zij haar jongste zoon naar gymles brengt, ziet zij zijn bloesje kreuken. Over de besmeurde spijkerbroek hangt zijn witte t-shirt heen. Zijn te lange rode haren klitten op zijn achterhoofd.

De afstudeermoeder zucht.

Hier kan ze het beste een column van maken.

(Geschreven aan het einde van de studie Journalistiek – april 2004 – some things will never change…)

Gehackte broer

Als je Facebook gebruikt, dan ken je het verschijnsel vast wel: iemand die jou uitnodigt om een pagina leuk te vinden. In den beginne vond ik dat soort uitnodigingen steevast leuk; degene die jou uitnodigde, kende jou een beetje (hoopte je dan toch) of wilde dat jij hem of haar beter leerde kennen door zo’n uitnodiging. Sommige uitnodigingen laat je dan ook beter achterwege. Het is nèt als in het echt. Dan vertel je ook niet iedereen dat je regelmatig playbackt op de muziek van Boney M.

Maar goed. De laatste maanden zag ik ook een ander verschijnsel opkomen: de gesponsorde uitnodiging. Geloof het of niet, maar er zijn mensen die jou via Facebook uitnodigen om iets leuk te vinden, en ze krijgen daar dan geld voor. Bah, bah, driewerf BAH! Neen! DAT wil ik dus niet. Ik wil iets zien wat JIJ leuk vindt, niet iets waarvoor je je Facebook-account laat prostitueren! Donders! (Ja, het wordt ook hóóg tijd voor af en toe een iets minder soppig stukje. Inderdaad!)

Anyway. Een paar weken terug kreeg ik een uitnodiging van Broer. Het moet wel heel Kafkaïaans worden, wil ik denken dat Broer zich laat prostitueren, dus ik klik met anticiperend genoegen op de pagina die hij adviseert. En dan. Verdwijnt mijn glimlach. Mijn rimpels trekken diepe voren op mijn hoofd. De denkwolk erboven laat in Neon-kleuren een grootse WTF zien. Smoothies? Okeeee. Gevaar van suiker? Pas op met vet? Van Broer? DE Broer, de Veel-Vet-Vlees-Broer? Die dan wel aan het wandelen is geslagen…maar toch?

Ik klik de uitnodiging weg. Om een week later opnieuw uitgenodigd te worden. Door Broer. Voor een pagina met opnieuw: smoothies. Groene smoothies. Geen vreemde andere adviezen op de pagina. Maar toch. Tarwegras? Chia-zaadjes? In iets wat je drinken moet? Aha! Ik had ‘m door. Broers account was gehackt. Ik wilde het hem gisteren nèt vertellen, toen hij zelf enthousiast begon te oreren over zijn nieuwe regime. Iets met afvallen en gezonder eten. Iets met spinazie en andere groene gekkigheid. Dat gooide je dan bij elkaar en dan werd het een héérlijke….

Smoothie.

Mijn mond zakte open.

‘Dus. Je bènt niet gehackt?’

Nee. Beweerde hij beslist. En ging weer verder over chia-zaadjes.

Het moet dat ’50 worden’ zijn…(ik bedoel, ik ken óók iemand die vanaf dat moment een jaar vegetarisch ging tafelen…)…is er nou niemand die dáár eens een degelijk onderzoekje naar wil verrichten? Een uitnodiging voor díe pagina wordt gaarne aanvaard. Vóór 2019, graag….

paleo

Dag rokjes

‘Waaaa! Wat kort!’ riep de man toen hij zag wat de kapster had uitgevreten op mijn hoofd. Hij maakte een rondje met zijn blik en begon er vaag bij te glimlachen. Een kleine glinstering danste in zijn ogen. ‘Ja!’ riep ik terug. Het moest ook ècht kort, want toen ik al betaald had, voelde ik achter in mijn nek, waarop de kapster me aankeek en zei: ‘Ga maar weer zitten.’ Pas toen ook dat laatste stukje verdwenen was, vielen een paar jaar ineens weg. ‘Dit ben ik weer’, zei ik tegen de man. Hij knikte.

Ik stak mijn handen in de zakken van mijn spijkerbroek en schurkte me behaaglijk in de van jongste gepikte hoodie. ‘Volgens mij ben ik mezelf de laatste jaren niet altijd geweest.’ Dat wist de man wel, zei hij zacht. Verrast (jaja, ook na 25 jaar nog) keek ik op. ‘Ja’, zei hij, terwijl zijn blik tevreden van jongensvest naar bergschoenen gleed. ‘Die rokjes ook, dat kon nooit eeuwig duren. Dat ben jij niet.’

En toen begon ik nog wel een betoog over dat ene rokje dat zo uitwaaierde, en dat ik dat echt wel zelluf leuk vond, maar de glimlach van de man krulde alleen maar verder en toen zweeg ik. Heel soms weet ik op tijd dat ik moet stoppen met te veel verzinnen.