Het lozen van de blues

Het was bijna half tien, toen ik wakker schrok. In mijn droom stond ik net in een snoepwinkel die ook speelgoed verkocht, dus het had ook nog wel even mogen duren. Die dromen over lijken die niet eens de moeite namen in een kast te gaan liggen, en die over megamachines die me al bottenbrekend verpletterden kunnen me intussen ten slotte gestolen worden. Ik gromde licht, maar onmiskenbaar.

De man hees zich zuchtend uit de echtelijke sponde. Met vermoeide slagen draaide hij koffiebonen tot gruis. Daarna liet hij de konijnen los. Ik had kunnen bedenken dat hij dat deed omdat het zulk mooi weer was en omdat later het vuurwerk de konijnen zou storen, maar ik bedacht dat we nu niet met zijn tweeën naar de bakker en de Spar konden. Ik sjokte mopperend, alleen, winkelwaarts.

Toen ik terugkwam, was de man aan het stofzuigen. Ik had kunnen bedenken dat hij dat deed om mij te plezieren, maar ik dacht: ‘Houd op met die herrie en kom bij me zitten: ontbijt en koffie, potdorie!’ De man keek me lichtelijk ontzet aan. Hij was óók al ontzettend chagrijnig! Geen idee precies waarom. De vogels floten immers en de zon schitterde met heldere winterstralen over de wereld in Wold. Te veel vet gegeten? Te weinig frisse lucht gehad?

We lazen zwijgend de krant. Keken niet naar elkaar, om niet de ander te doen ontvlammen. We dronken zwijgend onze koffie. Schreven zwijgend hier en daar een e-mail. Trokken zacht brommend nog onze wandelschoenen aan en gingen op pad. Onze woorden werden buiten langzaam wakker, buitelden allengs helderder over elkaar heen. Na zeven kilometer haalden we bij de Spar extra veel vitaminen in de vorm van groenten, fruit, yoghurt en sap.

En een fles zonnebloemolie. Voor de berg oliebollen. De latere zorg.

Voor na Oud en Nieuw hebben we een opknaprecept al gereed. Iets méér dan zeven kilometer...

Voor na Oud en Nieuw hebben we een opknaprecept al gereed. Iets méér dan zeven kilometer…

Pretty merry

Natuurlijk had ik vandaag de hele dag kunnen gaan studeren. Ik heb immers wèl veel met kerstperikelen, maar vrijwel niets met Kerstmis zelf. En de man ging op familiebezoek. En jongste is weer eens keihard aan het werk. Maar ja. Ik stond op met een bonkende hoofdpijn. Oorzaak onbekend, al weet een goed psycho-man er vast iets van te maken, maar een psycho-man (of vrouw, daar wil ik vanaf zijn) kan overál wel wat van maken. Een aspirientje werkt nu beter.

Ik dacht aan de studie toen de man op weg wilde naar zijn familie. Wat niet meteen lukte. De Volvo bleef bij het omdraaien der sleutel akelig stil. Een buurman kwam er even bij staan fronsen. Ik zette mijn eerder versmade Renaultje voor de motorkap. Wat stroom van mij naar hem deed het werk. (En volgende keer de radio ECHT uitzetten.)

Ik dacht aan de studie toen ik even naar onze oude buren wandelde om de poes eten te geven. Ik dacht eraan toen ik de konijnen los in de ren liet. Ik dacht er zelfs nog even aan toen ik wat spullen klaarzette om morgen mee te nemen naar Broer. Toen ik, nog even tussendoor, een paar grammatica-oefeningen maakte voor de site van S. en mij.

Ik begon aan het uitzoeken van een stapel tijdschriften, toen het denken ineens een heel andere kant opging. Er lag een fantastisch, spannend boek op mij te wachten. Er was een poes die op schoot wilde kruipen. Koffie in de kan. En Classic FM dat zo’n beetje de hele dag kerstklassieken uitzendt.

Fijne kerstdagen, iedereen!

We zijn eruit !

Ik heb best een fijn autootje. Vind ik zelf. Lekker snel, pittig, goedkoop. De ideale reispartner. Zeker nu er geen reiswiegen, dozen LEGO, kinderfietsjes en -zitjes meer meegesleept hoeven te worden. Zelfs het kroost ontbreekt in 99 van de 100 gevallen. Het weinige wat nu meegaat, slinger ik gemakzuchtig ergens op de achterbank. Met zijn tweeën: ruimte zat. En parkeren: nergens een probleem. Het kleine ding pers je overal wel ergens tussen. Desnoods overdwars.

Toen zette een collega een Volvo 850 te koop. De man ging, zag en de hebzucht overwon. Misschien moesten we dáár in reizen. Ik keek bedrukt. Wist de man wel hoeveel benzine dat kostte? En mijn lieve, witte vierwieler is zóó zuinig! De man repte van slapeloze reizen als passagier, vanwege de harde vering. Iets met ‘elke hobbel voelen in de zitbotjes’ . In die van mij krijg je een houten kont en er is geen ruimte om de benen te strekken. In die van hèm heerste slechts comfort. Ruimte. Een zonnedak. Zeeën van puur geluk. Ik zuchtte diep.

We reden gisteren naar Zeeland. ‘Doe maar in de Volvo’, zei ik, voorzien van kerstgratificatie en een onverwacht goed humeur. Ik nam een boek mee en de man een brede glimlach. De passagiersstoel ging in de relaxstand. Ik strekte mijn benen tot die niet verder konden. Door het zonnedakje zag ik wolk na wolk vervliegen. Op de terugweg viel ik ondanks betonnen snelwegen al snel in slaap.

We zijn eruit.

Nu nog even een buffer aanleggen en een lijst met tankstations tussen hier en Haugesund…

...toegegeven...

…toegegeven…

Lichtere laatste loodjes

Ik deed mijn afstudeeronderzoek midden in een burnout. Niet dat ik dat toen doorhad. Je hebt een burnout pas door als je ergens als een natte dweil neerkwakt en anderen zodanig over je struikelen dat het lastig wordt. Zoiets. Enfin. Dat onderzoek dus. Iets met werkwoordspelling, hoe dat beter kon, en dat dan in vier verschillende derde klassen.

Toen ik na een poosje afwezigheid terugkeerde op de werkvloer, lag daar nog steeds een doos met oud papier: het onderzoek. Ik vroeg twee dagen vrij en stortte me op de ordening van iets wat volgens mij van zijn lang-zal-ze-leven niet geordend KON worden. Desondanks ontstond er een verslag dat ik maanden later terugkreeg met zo veel opmerkingen erbij dat ik de oorspronkelijke tekst haast niet meer lezen kon.

Toen ik alle opmerkingen drie keer had gelezen, begon ik ze een beetje te snappen. Alinea na alinea herschreef ik en het duurde eeuwen. Tien keer op een dag bedacht ik dat dit mijn laatste jaar in het onderwijs zou zijn. Dit verslag zou me nekken. De brok in mijn keel werd groter, de onrust heviger. Waarom zou ik nog aan mijn andere vakken werken, als het uiteindelijk zinloos bleek? Waarom zou ik mijn vrije dagen en mijn vakanties nog langer laten bepalen door een diploma dat ik never nooit zou halen?

En toen werd het dinsdag 17 december. Ik opende mijn schoolmail. Ik zag een e-mail die ik niet durfde te openen. Ik deed het uiteindelijk toch. Het vermaledijde verslag dat me de kop haast kostte, was goedgekeurd. Ik blijf tóch in het onderwijs. Ik heb tóch weer wat te doen op mijn vrije dagen en in mijn vakanties. Omdat het zin heeft.

Omdat ik er weer zin in hèb.

...nog een héél klein stukje...dan is-ie vol, die groene balk...en dan...woooo!

…nog een héél klein stukje…dan is-ie vol, die groene balk…en dan…woooo!

Kerstgevoelens

‘Denk terug aan de mooiste, bijzonderste, leukste, droevigste of wat-dan-ookste kerst die je ooit hebt beleefd. Ga in gedachten terug en beschrijf wat je ziet. Wat je voelt. Wat je denkt.’ Een paar leerlingen hebben de pen halverwege mijn opdracht al op het papier. Een enkeling blijft sputteren, ook nadat ik heb geroepen dat inspiratie niet bestaat en dat die pen simpelweg over het papier moet. Uiteindelijk gaat ook hij aan de slag.

‘Je moet voorzichtig zijn met jezelf’, zeg ik een poosje later. ‘Creatief schrijven en dat óók nog voor laten lezen, dat is als je hartje op de grond leggen en iemand anders erover laten lopen.’ Ik kijk er een beetje pijnlijk bij. Ze hoeven niet, ze mogen. Het eerste verhaal is mooi, met een rauw randje aan het eind. Er is een verhaal over een wensballon die neerstortte, en tussendoor vertelt een leerling nog iets over Kerstmis dat bij haar niet echt om familie gaat.

En dan komt hij. De joker van de klas. Hij steekt zijn schriftblaadje naar me toe. Een datum, een dag…een tafel met eters…en dan zie ik het. In mijn keel komt iets omhoog wat ik niet weet te stoppen. Nog voor ik bij de laatste regel ben, over de laatste kerst die een jongen met zijn vader beleefde, rollen de tranen over mijn wangen. Tegenover me veegt de hoofdpersoon met beide mouwen over zijn ogen. Links en rechts kruipen leerlingen dichter tegen elkaar. We praten over emoties. In en dóór verhalen. Over hèm, en over Kerstmis, dat soms helemaal niet zo gezellig is.

(En we hebben het over de volgende opdracht. Iets met stripverhalen. Komische en smerige toestanden. En dat het dan flink lawaaiig mag zijn…)

schelde3

Uit om aan te gaan

In de kantine zijn oliebollen. Met poedersuiker. Elders in het gebouw worden pannenkoeken gebakken. Alleen van de geur al zou je tien kilo aankomen. Of misselijk worden. Zoals in mijn geval. Bezorgde blikken glijden langs mijn middel, maar daar valt these days niet eens mijn middelbare-vrouwen-vijf-maanden-zwangerschap meer te bespeuren. Ik trek een vies lipje op. Bah. Oliebollen. Collega P. laat zijn kin op de tafelrand zakken.

‘Geen zin??’ Nee. Wat er MIS is, dan. Want… Collega muziek kijkt mee. ‘Blugh’, doe ik, maar da’s niet genoeg. ‘Ik heb het uitgemaakt’, zucht ik uiteindelijk, ‘want, maar..’ Collega muziek haakt in. ‘Dus het is uit?’ ‘Neehee!’ wapper ik geërgerd over zo veel onbegrip zijn kant op. Zijn ene mondhoek kruipt langzaam omhoog. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. P. kruipt dichter tegen mij aan. ‘Mag IK nu jouw beste vriend zijn?’ Dat mag. Voor nu.

Collega muziek haalt diep adem en heft zijn vingertje. ‘Dus’, concludeert hij dan, ‘je hebt het uitgemaakt, maar het is niet uit, dus je zéi dat je het uitmaakte, maar dat deed je omdat je van hem houdt en omdat je wilt dat het beter gaat en daarom is er nu afstand nodig.’ Ondanks de oliebollenlucht moet ik lachen. Ik knik. En ik bedenk dat ik in lange tijd geen hoofdgedachte over een lang en ingewikkeld verhaal beter heb horen verwoorden, dan nu.

‘En dan noemen we hèm nu ‘de een-na-beste’, besluit P. Hij kijkt me hoopvol aan. Ik vraag me af wat voor consternatie het op zou leveren als ik P. hier aan de koffietafel op de bek zou timmeren, maar ik besluit het risico niet te nemen en bovendien: P. is lief. Dus ik glimlach zoet en ik zeg zo zacht dat niemand kan bewijzen dat ik dit ook werkelijk meen: ‘Voor nu.’

Tsja. 's Middags wáren er geen oliebollen meer, dus...

Tsja. ‘s Middags wáren er geen oliebollen meer, dus…

Stampen en vergeten

We kennen elkaar al best een heul poosje, zij en ik, maar er is verschil tussen kennen en kennen. Eerder kenden we elkaar, omdat we dezelfde man kenden. Ik als vriend, zij als man. Sinds onze scheepjes wat woeliger baren bevaren dan gedacht of gewenst, heeft dat kennen echter een dimensie bereikt die ons nog dagelijks doet verbazen.

We reppen via e-mail van de vrolijke heerlijkheid van Sylvia Witteman, de woestmakende irritatie door Claudia de Breij. We ploegen in herhaling door een woud van boeken en meningen daarover, smullen bij voorbaat en achteraf weer van het eten dat we zullen of mochten consumeren. We hebben het over die woelige baren, het hozen in ons bootje, de horizon die soms dichtbij lijkt, vaak veraf nog, en onze navigatie die niet altijd betrouwbaar lijkt.

Vanmiddag was het eten voor de avond al klaar en de horizon voor een paar uur onbelangrijk. Voor de navigatie namen we de man mee, die af en toe een pad koos om ons richtingloze zondagmiddagbestaan weer op koers te brengen. Zo af en toe zagen we in elkaars hoofd een bootje dobberen op een hoge golf, maar we hielden het net buiten bereik.

Voor even leek ons zeetje een vlakke spiegel die het lachen, het gieren en het vieren van het leven tot in duizendvoud weerkaatste. Mórgen pas, is er weer een nieuwe dag…

Awel, in het bos zijn natuurlijk ook weinig zeeën te bekennen...we deden het er waarschijnlijk om...

Awel, in het bos zijn natuurlijk ook weinig zeeën te bekennen…we deden het er waarschijnlijk om…