Waarom?

Het was de vraag die Mara stelde. Waarom we toch weggaan. Want we zaten toch goed, waar we zaten? Mara zal niet de enige zijn die zich dat afvraagt. Net zo goed als dit niet de enige keer zal zijn dat mensen zich afvragen waarom ik iets doe zoals ik het doe. Het is niet de eerste keer dat ik het ene zeg, met overtuiging, en vervolgens het andere doe, met precies diezelfde hoeveelheid overtuiging. Collega H. noemt dat ‘wispelturig’, maar het moet natuurlijk ‘flexibel’ zijn. Een kwestie van perceptie.

Dat huis, dan. Het huis, dat van camping, via hotel, naar ‘gewoon, met garage en bad’ is gegaan. Het huis, dat in de verwachting alweer iets noordelijker is geplaatst. De villa waar we over in onderhandeling waren, hebben we toch weer afgewezen. Iets met de man, die toch niet in de rimboe wilde wonen, maar liever een Spar en een bakkertje in de buurt had. In ‘zijn’ gekozen dorp wordt dat een Coöp, maar een kniesoor die daarop let.

Rationeel is het waarom niet moeilijk. Ik werk in het verre zuid-oosten van Drenthe. Inmiddels ziet het ernaar uit dat ik daar niet meer wegkom. Men heeft er misschien graag een wispelturige, pardon, flexibele adhd’er voor de klas, je weet het niet, natuurlijk. Ik vind het er zelf in ieder geval erg fijn. De man gaat voor zijn werk steeds meer richting Groningen, Drenthe en een stukje Friesland. Het is niet onlogisch om je stek een keer te verzetten, dan.

En daarnaast is er ergens die kriebel. Van nog een keer opnieuw beginnen. Er zijn mensen die bij een nieuw avontuur het liefst een nieuw continent opzoeken, maar daarvoor zijn wij een te groot stel zeikerds. Drenthe. Dat is ons meer dan mooi genoeg.

Van grote camping, via kleine camping, naar hotel en dan naar café is natuurlijk ook leuk...

Van grote camping, via kleine camping, naar hotel en dan naar café is natuurlijk ook leuk…

Intussen op project Ten Dale

Neen. Het verlossende woord over mijn diplomering is nog niet gesproken. Sterker nog, gisteren wilde ‘zij van Windesheim’ mij inenen spreken over de staat van mijn laatste werkstuk. De meest onmogelijke minuten van mijn leven volgden, toen zij meldde ‘dat we dit toch zo niet afgesproken hadden’. Het bleek een kronkel in mijn onderzoek te zijn die met een kleine ingreep was hersteld. Nog een of twee keer ‘heen-en-weer’ en dan zijn de laatste studiepunten binnen. Als het goed is.

Neen. Het huis dat we willen hebben, is nog niet ‘binnen’. We gingen van ‘grote camping’ via ‘kleine camping’ ineens naar een luxe hotel, als we de huizen willen vergelijken met zaken in de recreatiebranche. Midden-Drenthe leek een snoepwinkel, waar we ons in één dag misselijk vraten. Het hotel bleef hangen in onze gedachten en met dit huis willen we heel graag verder. Als er aan een paar voorwaarden onzerzijds wordt voldaan. Het blijft ook hier wachten op een verlossend woord.

Intussen gaat het leven verder op project Ten Dale. Janosh pikt Mickeys brokjes in of omgekeerd. De vlaggetjes voor het dorpsfeest hangen aan de gevel. De decibellen zullen net als vorig jaar als donder rollen door de avond en de vroege nacht. Mini-appeltjes aan de boom. Jonge vogels op het dak. En ergens in de border bij de partytent kleurde de eerste aardbei van het seizoen van bitterwit naar zomerkoninkjesrood.

(Zo. En nu eerst een paar dagen op mijn gat liggen. Afwachten. En aardbei eten. Dat ook.)

...geen cherry, maar strawberry...nu die cake nog...

…geen cherry, maar strawberry…nu die cake nog…

Fret op speed

Het allerlaatste dossier van deze studie ligt nu alweer een aantal dagen in de mailbox van de begeleidende docent. Vijfenvijftig pagina’s vol met ‘leesvaardigheid’ versus ‘authentiek leren’. Iedere hoofdstuktitel is nèt iets groter dan de kopjes van de paragrafen. De pagina’s zijn genummerd, evenals de bijlages. Het lettertype, de regelafstand, inhoudsopgave, voorwoord en reflectie… You name it. Nu alleen nog hopen dat de inhoud spoort.

Collega M. (niet die ene, maar weer een andere) sprak me vandaag heel even aan. Of het goed ging. Ik schudde overtuigd van ‘nee’. Ik moet er vast heel sukkelig bij hebben gekeken. Maar ze dacht het al, dat het wat minder was. Gisteren al, toen ze me voorbij zag lopen. En ik lachte, schaapachtig, omdat dit hogelijk hilarisch is. Was ik niet immers altijd übercool?

‘Ik functioneer wel’, zei ik vandaag tegen M. (die ene, niet die andere), ‘het lóópt allemaal goed.’ Maar. Van binnen is het kermis. Terwijl ik in mijn hoofd de laatste loodjes van mijn leerlingen probeer te managen en hier en daar een puberbrandje blus, rent in mijn pens een fret op speed rond. In een hamsterwiel, waar hij regelmatig uitgedenderd komt, om dan met panisch gekrabbel er weer in te klimmen. Dat dáár dan nog een boterham bij past…

Aan de andere kant van de werkkamer had het woord ‘pens’ ineens een wonderbaarlijke uitwerking op collega M. (die ene, nog steeds). Iets met koeien, wellicht, en daardoor onbedaarlijk lachen. Ik lachte hysterisch maar een beetje mee, mentaal ‘Koest!’ roepend tegen de fret van binnen, en ‘Haast je!’ tegen de beoordelende docent van Windesheim. Omdat zij op dit moment toch de enige lijkt te zijn die mijn interne hamsterwiel kan laten stoppen…

...en hij...hij maakt zich nergens druk over, zolang zijn pensje maar gevuld is...

…en hij…hij maakt zich nergens druk over, zolang zijn pensje maar gevuld is…

Wonen waar de zon schijnt

Regelmatig verkennen de man en ik de mogelijkheden tot ‘elders wonen’. Het is ten slotte niet helemaal zo dat we ook maar enigszins in de buurt wonen van ons respectievelijke werk. Zo is zijn werkplek de afgelopen jaren vooral ‘Amsterdam’ en dat van mij door een gelukkig uitgepakte samenloop van bizarre omstandigheden alweer net zoveel jaren: ‘Emmen’.

Zie daar maar iets op te verzinnen, inderdaad. Ik zou een baan kunnen zoeken in het Westen, of de man eentje in het Oosten. Beide opties worden echter steevast met vaste hand van tafel geveegd. De een vanwege ‘niet wenselijk’, de ander vanwege ‘er-is-daar-niks-voor-mij’. Zo blijven we modderen en intussen genieten van wat de arbeid ons biedt.

We zagen een appartementje met blinkend houten vloeren en een ruim balkon ten zuiden van ons. Geen tuin waar we in hoefden te zwoegen, maar ook geen ruimte voor onze kinderboerderij. We zagen een boerderijtje wat naar het noorden. Fantastische plek met precies genoeg plaats voor de dieren en ons. Alleen jongste moest dan wel heel erg ver fietsen naar school of station.

En iedere keer dat we de deur van ons huisje van nu achter ons dichttrekken, lopen we door bos en weilanden, kanalen en slootjes. We zuchten en steunen, want mien god, wat is het hier toch ontiegelijk prettig en fijn. Ik loop op zaterdagochtend benauwd van geluk naar de bakker met de meisjes die ik niets hoef te vertellen over wat ik eten wil. Ik schrijf de prijs van de appels op de zak, omdat de weegschaal bij de Spar het niet meer doet.

Ik denk dat de man en ik de meest milieu-onvriendelijke forenzen van Nederland zijn. Ik vrees dat dat zo ongeveer tot ons pensioen wel zo zal blijven…

1.97

1.97

Omdat het kan

Ik wilde een stukje schrijven over hoe ik  iets tegenkwam over Londen en hoe dat het Engels vuur weer in me aanwakkerde: hoe ik tussen déze studie en de volgende misschien iets met dat Engels zou gaan doen (laat dat ‘misschien’ maar weg, trouwens) en hoe ik in het komende jaar minimaal een stuk of vier hoeken van het Verenigd Koninkrijk van dichtbij zou gaan bekijken. Omdat dat de kans aanmerkelijk vergroot dat u mij tenminste als ‘lichtelijk bizar’ zult beschouwen, laat ik die borrelende jubelzang toch achterwege.

Ik zal in plaats daarvan schrijven over mijn ‘secret stash’: het zakje snoepjes dat ik nog in het handschoenenvakje van de auto wist. Het trok mij zojuist van de bank af, alwaar ik schreef aan de een-na-laatste versie van het meesterstuk over ‘leesvaardigheid-en-authentiek-leren’. Ik vatte de paraplu en wierp mij in de wind, door de regen, richting Twingo 2. Het slot klikte open, het handschoenenvakje wierp mij haast als vanzelf dit troostvoer toe.

Maar hey! Was ik daar niet juist vanaf? Van dat gegraas in barre tijden? Begint het nu weer helemaal opnieuw? Mwoah. Die vijftien kilo’s die eraf zijn, zijn er na een jaar nog steeds af. Ze groeien er met zo’n zielig zakje, waar de man ook nog van meesteelt, niet inenen weer aan. Geloof ik. Het zijn schoolkrijtjes, dus het is in hoge mate passend bij wat ik nu doe. En bovendien, ná dit zakje is de koek weer op. Ik ben te lui om naar een benzinestation te lopen (bovendien moet dit werkstuk af).

Neuh. Ik maak me niet zoveel zorgen, in de laatste plaats over mijn gewicht. Hoe dat met al die Engelse ontbijtjes moet, however…

Ohnee, daar zou ik het vandaag (nog) niet over hebben….

Yum!

Yum!

Dag Linette

Een jaar of tien geleden zagen we haar voor het eerst. Ze was aan komen lopen bij Mara, die al drie poezen had. Of wij haar niet wilden hebben? Op het moment dat Mara die vraag stelde, had Linette zich prinsheerlijk op de schoot van de man genesteld. Liefde op het eerste gezicht. De man wilde wel. Ik wilde ook wel. Maar ja. Thuis was er Tinus. En koetjespoes Tinus duldde niemand.

Tinus overleed. Mara verhuisde naar Noorwegen. Haar poezen bleven achter bij ons. Na zoveel jaren was Linette met haar grote liefde herenigd. En vice versa. Na een half jaartje leek het alsof we haar weer kwijt waren. Ze raakte ergens opgesloten, en pas drie lange, lange weken later stond ze ernstig vermagerd weer voor de deur. Het genieten werd zo mogelijk nog groter, nog heftiger, de liefde eindeloos.

Vier weken geleden werd ze ineens behoorlijk min. De dierenarts concludeerde dat er heel veel mis was, maar met pijnstillers zou het nog wel eventjes gaan. En dat was zo. Door het ontbreken van pijn mekkerde ze harder dan ooit om aandacht en brokjes. Ze was nog steeds de baas, al woog ze drie keer zo weinig als Mickey of Janosh. De taaie dame liet zich niet koeioneren en zeker niet zomaar naar de eeuwige kattenkruidvelden verjagen.

Ook vanmiddag toonde ze zich die taaie dame die ze ondanks haar magere wegwaailijfje was. We besloten om haar in te laten slapen, omdat ze nu zelfs ook haar plas niet meer op kon houden. De man haastte zich vanuit het Westen naar de dierenarts. Tegelijk met mij kwam hij aan. De cirkel is rond. In de armen van haar grote liefde is Linette ingeslapen.De dierenarts kwam tot drie keer terug om te zien ‘of het al zover was’. Ze liet zich niet veel vertellen…

Ze maakte haar eigen verhaal.slapend-netje

Over films en hormonen

Ik hield van films. In vroeger tijden keek ik weleens zo hartstochtelijk horrorfilms, dat de Pisang Ambon (tsja…) tegen het behang vloog. In nóg vroeger tijden was er de zaterdagmiddagfilm op België. Zweedse of Oost-Europese jeugdfilms, die ik verslond met een ander vreemd supplement: gekookte aardappelen. Met boter. Iets later kwam de man in beeld. Toen ik zwanger was van oudste zagen we minstens één keer per week een film in de bioscoop. Soms twee na elkaar, als we te lui waren om te vertrekken.

Met de jongens kwamen kinderfeestjes in de bios, iets later nachten doorhalen met matrassen op de huiskamervloer, vriendjes, ladingen popcorn en spannende films. Zelfs dat ene klassenfeest dat ik als verse juf bij mij in huis en tuin gaf, eindigde met slaapzakjes en griezelfilms. Welke films dát waren, dat weet ik niet meer. Ik kon mijn ogen aan het eind van die avond niet meer openhouden.

Op een dag keek ik minder. Omdat ik na vijf minuten al niet meer wist hoe de film begonnen was. Omdat ik niet meer dan een kwartier rustig op mijn kont kon blijven zitten. Die burnout alweer. Niet dat er minder films kwámen. Broer, vriend A. en vriendin Mara zorgden voor een voortdurend gevulde plank. Om niet te spreken over S. Met de lading films die hij aanleverde, kan ik tot mijn pensioen toe. Wat dat betreft is het feit dat we ‘du moment’ niet ‘on speaking terms’ zijn, misschien een zegen. Kan ik even ‘bij’ kijken. (Halfvól hè, dat glas. Halfvol…) 

Want kijken doe ik weer. En wat is het weer genieten. Van hele films. Zoals deze. Met zo’n beetje de enige man, naast ‘de man’, die mijn testosteron tot grote hoogten weet te brengen: Colin Firth. In deze film helemaal onweerstaanbaar. Doe me nog een hapje…euh…film…