Klef

Het was op het Buitenkunst-terrein dat de man en ik hand in hand, zij tegen zij, langs de die dag gemaakte kunstwerken liepen. Nicht Jooz maakte er een bestraffende opmerking over. Iets met ‘Niezoklef, hoor’, of zo. Een toevallige voorbijgangster keek verwonderd op. ‘Ach ja,’ zei ik, ‘we kennen elkaar ten slotte nog maar 26 jaar.’ De kin van de voorbijgangster viel bijkans op het gras. ‘Wat is jullie geheim?’ stootte ze uit. En toen viel ik stil.

Ik kon onmogelijk tegenover iemand die ik niet kende, verhalen over een stormachtige ontmoeting, samenwonen binnen twee weken, tweeënhalf jaar later een eerste kindje, en jaren waarin we ademloos probeerden er een gigantische puinhoop van te maken. Wat uiteindelijk ook lukte: we gingen uit elkaar. Iets wat we geen van tweeën snapten, en iets wat twee jaar later dan ook leidde tot een hereniging.

Vanaf die dag, ergens in juli 2002, ging ons ‘geheim’ dan eindelijk werken, denk ik. Het geheim van twee Einzelgängers die vooral veel vrijheid nodig hebben. Vrijheid om te kunnen denken. Vrijheid om te kunnen dóen. Wat niet wil zeggen dat we een open huwelijk hebben waar iedereen maar binnen kan vallen, als een ‘Zoete Inval der Minnaars en Minnaressen.’ Integendeel. Aan ons setje geen polonaise. Als het aan mij ligt, hè.

Het geheim is misschien ook: zo verschrikkelijk veel plezier. Zo veel ‘geen gezeur’. Gedeelde interesses ook. En in de loop der tijd misschien ook wel die steeds hoger oplopende berg van herinneringen. Waardoor je, zoals ik nu doe, een cd’je in de speler schuift, om vervolgens een half uur aan één stuk te grijnzen. ‘Weet je nog, dat we naar Frankrijk reden. Zomaar, omdat we er zin in hadden. France Gall op tien.’ Ook toen hoorden we best dat ze niet zo goed kon zingen.

Maar ja, dat gaf niks, want we blèrden er tóch samen overheen en er waren, en zijn, belangrijkere zaken dan Franse zangeresjes met een dun kauwgumstemmetje…

...ook in eerdere Buitenkunstjaren waren de man en ik al klef...

…ook in eerdere Buitenkunstjaren waren de man en ik al klef…

Tussentijd

Bijna een week heb ik niets geschreven. Niet op mijn blog, maar ook nergens anders. Het is niet dat er niets gebeurt. Misschien gebeurt er juist wel te veel. Niks aan dramatische dingen, of je moet stressen rond het ‘geschikt-maken-van-toetsen-voor-dyslectici-in-de-proefwerkweek’ dramatisch vinden. Dan was het best dramatisch allemaal. Verschillende keren bevond ik me de afgelopen week tot vijf uur in de school diep in Drenthe, waar de laatste schoonmaakster me al hoofdschuddend de deur uit bonjourde, nadat ik met het zweet op de rug de laatste laptop met aangepaste toets klaarzette voor de volgende dag.

Maar da’s drama uit de categorie ‘maak-je-niet-zo-druk-mensch’, dus ik genoot uiteindelijk van mijn uitgeroosterde vrijdag, om ‘s middags tot de ontdekking te komen dat ik maandag dan weer wel heul vroeg op school zou moeten zijn om weer iets anders af te maken, maar toen was er al een film gekeken, een boek gelezen, had ik urenlang poezen geaaid en vertederd naar huppelende konijnen in de achtertuin gekeken. Ik zuchtte er eens diep van en zette nog een kopje thee.

Het werd zaterdag en ik zat vol met wilde plannen. Het is nu zondag en ik weet niet eens meer wat ik gisteren deed; het kan nooit veel zijn geweest. Ohja. Dat beetje onkruid in de moestuin en dat ouwehoeren met de buurman. Het sateetje met jongste op de boterham. Dat nieuwe boek en die eerste paar bladzijden ervan. Twee takken ijzerhard in het blauwe vaasje. Vier e-mails en die allemaal naar dezelfde vriendin.

Ik lummel op mijn vrije dagen. Ik niks. Ik kijk naar de slingers van 12 juni en de kerstkaarten van 2013. In de hoek het op te ruimen archief van Windesheim. Ná 4 juli…dan zal ik me misschien weer eens ergens toe zetten…

...

Over poezen en huizen

'Te groot', vindt de man.

‘Te groot’, vindt de man.

Het was weer een dag om te jagen, vandaag. Op huizen, that is. Drie kanshebbers hadden we in het fraaie Midden-Drentse dorpje A. geselecteerd. Allemaal meer of een klein beetje minder voldoend aan de idioot hoge eisen die we aan een huis hadden gesteld. Kinderen in een snoepwinkel waren we de afgelopen weken, dus we vonden het heel knap van onszelf dat we deze selectie hadden kunnen maken.

Ons favoriete huis bleek al een bewoner te hebben. Of, nou ja, een ex-bewoner die na de dood van zijn baasje niet meer binnen mocht komen. Onder de carport stond eten, er waren voldoende fijne plekjes in de tuin om te slapen, maar we hadden het huis al bijna gekocht, met de poes erbij, om een en ander aan wantoestanden recht te trekken: die poes moest weer naar binnen. Bij ons, dan maar!

Maar ja. Toen waren we er nog niet binnen geweest. En nog niet in dat andere huis, een klein stukje verderop. We waren ook nog niet bij dat setje huurhuizen in E. geweest waar de man nog graag wilde kijken. Het ‘huurhuizen kijken’ wordt een kort intermezzo in dit geheel; de man kwam er snel op terug. De straten te smal, de huizen te groot (…).

Van de drie koophuizen in A. bleven er snel twee over. Volgens jongste, die mee was gegaan en wiens mening we wilden horen, was alles vooral ‘oud’, maar het dorpje A. zelf kon er alleszins mee door: rustig genoeg, mèt patattent. Volgens de man en mij had het ene huis dit, het andere huis dat. In het ene huis zat het zus, in het andere huis zo. Toch was er een belangrijk moment, en dat was die ene tel, toen we over de drempel van dat andere huis stapten. Dat we allebei dachten: dit is het. Hier voelt het goed. Een bod is in onze gedachten verrekte dichtbij.

En poes? Die woont om de hoek. Misschien dat we ‘m straks over kunnen halen om óók te verhuizen…

Jongste en poes weten het wel...

Jongste en poes weten het wel…

Wolk

Of ik nog op mijn roze wolk zat, werd me vanmiddag gevraagd. Ik moest er even van schakelen. Wie, wat, waar, welke wolk? Jongste werd gisteren 18 en toen moest ik wel even denken aan die roze wolk van destijds. Maar dat bedoelde ze niet. Ze bedoelde die andere wolk, die van dinsdagavond, toen ik bericht kreeg over het einde van mijn studie.

Ik opende toen mijn Windesheim-mail, gedachteloos en lusteloos. Ik had ‘m immers al zo vaak geopend die dag en niet een keer stond er een nieuw berichtje in, laat staan een berichtje over mijn laatste onderzoek. En ergens was ik daar toch wel weer blij om, want zo’n berichtje kan ook minder positief uitpakken, natuurlijk.

Maar. Zo tegen achten had ik toch post. Iets met ‘meesterstuk beoordeeld’ en ‘6,8’ en ‘tweede beoordelaar’. Die ook al? Die ook al. ‘Het lijk erop dat ik klaar ben’, zei ik met ingehouden adem tegen de man. Hij schoof meteen mijn richting op. ‘Huh?’ deed hij verwonderd. Dus herhaalde ik mijn statement minstens negen keer. Ik sloot de mail. Opende ‘m weer. Sloot ‘m. Opende ‘m. Vond mezelf een beetje gek.

Ik stuurde berichten. Via What’s App, via sms, via Facebook en Gmail. Ik herhaalde in schrift wat ik eerder zo dommig voor me uit had gesproken. Er ging geen kurk los. Geen orkest ging spelen. Ik werd alleen heel stil en dat bleef ik tot diep in de nacht. De uurtjes die overbleven heb ik lekkerder dan ooit in de afgelopen acht jaar geslapen.

Maar. Die roze wolk dan nog. Of ik erop zit. En ik moet zeggen van niet. Ik ben vooral een beetje murw. Wel blij, maar met dat blije van iemand die een hele marathon liep, terwijl ze een halve had moeten doen, maar desondanks de finish gehaald heeft. Ik heb mijn ‘medaille’ ook nog niet binnen. IJs en weder dienende, onderteken ik mijn diploma op 4 juli aanstaande.

Ik denk dat ik die avond op het gemakje op die wolk kruip. En er dan een week of zes lekker languit op ga luieren…

Vanmiddag zat ik vooral in een leeg lokaal. Aan het achterstallig werk.

Vanmiddag zat ik vooral in een leeg lokaal. Aan het achterstallig werk.

Uit de kunst

Het was alweer drie jaar geleden, dat ik voor het laatst naar Buitenkunst was gegaan. Ik durf niet eens meer te zeggen in welk jaar ik wáár ben geweest; de stichting houdt haar feestjes immers op meerdere plekken in Nederland en veel van voorgaande jaren ben ik simpelweg kwijt. In Elp ben ik ‘begonnen’ met Buitenkunst, in Elp keerde ik dit weekend weer. De auto wilde automatisch naar veldje 8a, maar ik stuurde naar rechts: iets anders. Een nieuw begin. Heel achteraf.

De introductie op vrijdagavond sloeg ik over. De week, met al zijn gruwen en korte nachtjes, bonkte nog steeds in mijn hersenpan. Ik zou de workshops zaterdag wel zien op het aankondigingsbord. En ik zág het, en het leek alsof ze het erom deden. Kunst rond slechte relaties en vileine toespraken. Schilderen, zingen, dansen en schrijven. Poëzie in drieslag die slechts inspireerde tot het weergalmen van snoeihete golven, steeds dieper in mij: ‘Het was ooit leuk-het raakte op-en het vervloog.’ Frááie poëzie kun je het nauwelijks noemen.

Ik ging liever zwemmen in het meertje dichtbij. Ik deed dutjes. Ik prutste met kwastje en verf en ik keek. Naar kleine beentjes, kleine armpjes, zwembandjes, luchtbedden, roepende moeders. Ik at een ijsje bij het kraampje met die morsige man en ik dacht aan de jaren die we hier al hadden liggen. Met de jongens. Met de man. Met al die andere, bekende gezichten. Het slapen ging ‘s avonds aanmerkelijk beter. Al kan dat ook aan de pure uitputting gelegen hebben. Of aan de wijn.

‘Wat ga je nu doen?’ vroeg op zondag nicht J., die ik ooit ongenees’lijk heb kunnen enthousiasmeren en ik zei: ‘Zingen!’, want het is wat ik misschien wel het liefste doe. Ik zong de zondag vol, over zonen die hun oude moedertje vanuit de gevangenis schreven, over moeders die hun slechte zonen vergaven. Ik had bijna gewenst dat ik er zo thuis eentje had. (BIJNA, jongens, BIJNA!) Ik dronk opnieuw wijn die avond en ik sliep tot ergernis van de ‘buren’ een half uur door mijn snerpende wekker heen.

Vandaag zong ik alweer. Iets van Queen, waarbij de alt-partij ineens iets bleek wat ruzie maakte met de melodie die ik dacht ooit te kennen. Geluk bij een maat die ik hield, een noot die ik haalde. ‘Don’t stop me now’ werd een exercitie in doorbijten en doordoen. Wie durft nu nog te zeggen dat de kunsten niets te zeggen hebben over het leven dat je leidt?

...tonight...I'm gonna have myself...a real good time..

…tonight…I’m gonna have myself…a real good time..

Dwingende afstand

En toen was het toch gewoon echt uit. Uit in de zin van: elkaar niet meer zien. Geen contact meer opbouwen. Het mes erin en het komt nooit meer goed. En het was niet dat ik hierdoor verrast was. Het was iets waar ik al een hele poos bang voor was. Iets wat ik zelf uiteindelijk genereerde, een half jaar geleden, omdat het toen al een poos niet liep, maar waar ik uiteraard de volgende dag al spijt van had. En toch weer niet. Het was ingecomplicatedwikkeld, om een woord van hem zelf te gebruiken.

We spraken toen af tot mijn diplomering geen contact te hebben. Even afstand. Wat verstandig leek. Maar ook iets wat ik toch moeilijk kon verteren. Waar ik me, ondanks mijn eigen ‘uit-maak-initiatief’ dan ook niet aan hield. Gemakkelijk te verklaren, voor mij, maar evengoed was het het schenden van een afspraak, die bij de andere partij een gevoel van opgejaagdheid veroorzaakte. En dat kwam al boven op dat gevoel dat ik zo verstikkend was, zo dwingend. En daarom was het eigenlijk al tijden ‘op’.

Het was iets waar we vandaag verder over praatten. Over het feit dat datgene wat er tussen ons was, op het laatst veel te close was. Dat het leek alsof hij alles maar moest doen zoals ik het wilde. En hoewel ik wist dat er geen positieve geluiden zouden komen, was het toch even slikken. Ik wilde zo graag dat juist hij zijn eigen zin deed. En ik had het gevoel dat ik zo veel openingen gaf die dat mogelijk maakten. De praktijk werd anders ervaren. En ik snapte er niks van.

En toch snap ik het nu wel. Want je kunt honderdduizend keer roepen dat de ander zijn mond open moet trekken als het niet naar zijn zin is, of als hij iets anders wil…als iemand dat heel moeilijk vindt, dan kun je dat moeilijk dwingen. Iets wat ik dus wel deed. En je kunt wel bedenken dat het anders zou kunnen, en natuurlijk zou ik dat graag willen. Maar de paradox is dat ik opnieuw zo graag zou willen dat hij zou doen waar hij zin in zou hebben, dat de weg naar een nieuwe afgrond niet anders dan rechtdoor zou zijn.

Het is lastig om zulke heftige kritiek te ontvangen van iemand van wie ik zoveel hield en om wie ik -blijkbaar- nog steeds geef. Tegelijkertijd ben ik er blij mee, omdat je pas ná die kritiek kunt leren hoe het anders moet en dat gaat niet vanzelf. Het is ook niet leuk om te horen dat het ‘op’ is. Maar ook dat is beter dan een eindeloze onzekerheid over of en hoe het ooit verder gaat. Het gaat niet verder.

Punt.