Laatste keren

‘Dit is de laatste keer dat je hier bent!’ riep ze uit. Naar mij, maar ook naar andere klanten, waarbij de ‘je’ vervangen werd door ‘ze’. Voor alle duidelijkheid. ‘Ze’ had een huis gekocht. Dichter bij haar werk. Maar nu dus wel veel te ver van haar vandaan. In de spiegel keek ze me dondersstreng aan. ‘Ik ga je missen, hoor!’ en ze gaf me verschillende tips voor het vinden van een nieuwe kapperszaak. Een kleine, waarbij ik niet steeds ‘een ander had’, dat leek haar het beste voor mij. Ik knikte, terwijl ze me voor deze laatste keer extra kort knipte. Zo kan het nog even…

Hoewel de man en ik nog steeds het gevoel hebben ‘huisje’ te spelen en het nog amper kunnen geloven dat we ècht vertrekken, lopen de klok en de kalender genadeloos door. Hier wordt een werkgeversverklaring verstrekt, daar een formulier voor de notaris ingevuld. We printen nog maar eens een kopie van ons ID en bedenken halfhartig wat er ‘daar’ straks tegen de muren moet.

Intussen stapelen de laatste keren zich op. Naar de kapper, naar de massagedame, naar het zwembad. Een laatste keer de moestuin omspitten. De laatste appels van die bijzondere bomen die we niet mee kunnen nemen. De laatste zomer onder het paviljoen achter dit huis. De laatste praatjes met onze enthousiaste, altijd positieve buurman.

En tegelijkertijd bedenk ik dat iedere laatste keer er op een andere manier allang had kunnen zijn. Wie bedacht er afgelopen week immers dat zo veel mensen hun kind, moeder of broer voor de laatste keer hadden uitgezwaaid? Elke dag kan wel de laatste zijn, zoals altijd. Wat maakt dat we na iedere ‘laatste keer’ naast dat melancholische, ook dat fijne hebben, dat gelukkige. Dat we ook van deze keer weer volop hebben genoten.

De laatste verhuisdoos is nog niet ingepakt...

De laatste verhuisdoos is nog niet ingepakt…

Van dat sociale

Er wordt soms verschrikkelijk gemopperd op Facebook. 512 vrienden, maar niemand kent je echt. Verborgen achter profielfoto’s van tien jaar geleden, of een plaatje van de poes of het kind. Je kunt een heel ander iemand zijn, met allemaal verzonnen feestjes en contacten. Niks echts aan. Laat staan sociaal.

Ik moest er al om lachen, een poosje geleden. Ik zag bij een oud-collega een verwijzing naar haar echtgenoot. Echtgenoot bleek bevriend met iemand met wie ik werk. Familie van mij vindt dezelfde pagina’s leuk als de buren. Is er echt nog een verzonnen bestaan te bouwen, waarin je niet meer bent wie je werkelijk bent?

Vorige week besloot een enorme groep Facebookers te gaan barbecuën. Oh wacht, ook koffie te drinken. Kennis te maken. Misschien een spelletje te doen. Te gaan zwemmen. Wandelen. Voor als ze het niet meer wisten, hè, want het is nogal een gok, een stuk of twintig min of meer onbekenden op een kluitje, ook al hebben ze één ding gemeen: hun studie.

Ik was wat later, want ik reed zo’n vijftig kilometer om. Ik parkeerde de auto en liep met mijn meegebrachte hapjes en drankjes in de richting van daar waar gelach en geklets was, want een nummer van een huisje had ik niet. In een cirkel was een hele groep al geanimeerd in gesprek. En dat blééf die groep. Voor het eventuele zwemmen, wandelen, spelletjes doen was geen ruimte. Geen tijd.

Je kúnt Facebook zien als een deur die het werkelijke leven buiten houdt. Je kunt ‘m ook zien als de deur juist naar buiten, naar al die mensen die je nú nog niet kent, maar die je juist door al die nullen en eentjes leerde kennen. In het echt nog veel leuker dan op hun profielfoto’s. Dát moet dan wel weer gezegd…

Ook een leuke profielfoto, natuurlijk...

Ook een leuke profielfoto, natuurlijk…

Weggaan is anders dan blijven

Het ging eens niet onbesuisd. Het ging eens niet impulsief. Het ging eens niet zonder nadenken. We kamden een behoorlijk gebied uit, van het midden naar het oosten van Drenthe. We keken bij een kanaal, in een dorpje in the middle of nowhere en gingen toen toch terug naar dat ene dorpje waar we eerder al eens waren. Met een lijst van negen huizen liepen we erdoorheen. Met de drie huizen op de shortlist belden we de makelaar.

We planden bezichtigingen, we deden iets met een keuring. We werden lid van de Vereniging Eigen Huis en vroegen iedereen om ons heen tot vervelens toe om advies. Het meest bizarre was nog dat we veel van dat advies nog opvolgden ook. Het lastigst te volgen advies was niet verrassend: doe rustig. Onderhandel op je gemak. Wij? Rustig? Onderhandelen? Donders.

We verzonnen een list. Iets met ‘makelaar mag de man bellen, en dan e-mail ik de makelaar weer terug met een antwoord’. Tussendoor konden we even ademhalen en moed verzamelen voor de volgende stap. Dat bleek een gouden greep. Koelbloedig zweetten we ons door het onderhandelingstraject. ‘s Avonds keken we elkaar behoedzaam aan: hoe koel waren we nog? We deden goed genoeg alsof.

En toen was het ineens zover. De makelaar belde met een tegenbod waar we ons dan eindelijk in mochten vinden van onszelf. ‘Yeehaa!’ ging het per sms naar elkaar. We hebben een huis gekocht. En ineens zakten we ‘s avonds in ons smalle gangetje in Wold tegenover elkaar op de grond. We keken elkaar geschokt aan. ‘Weet je wat dit betekent?’ We keken elkaar met opengesperde ogen aan. ‘We gaan hier dus ècht weg.’

‘Daar zullen we het af en toe nog even stevig over moeten hebben.’ zei ik ten slotte en de man knikte. We bleven er verbluft nog even door zitten zwijgen…

Het zal Ed een zorg zijn...als haar kistje maar mee verhuist.

Het zal Ed een zorg zijn…als haar kistje maar mee verhuist.

Beginnen bij het begin

Het werd me gevraagd, afgelopen vrijdag, tijdens de diploma-uitreiking. Tijdens het moment waarvan ik de voorbije jaren regelmatig gedacht heb dat het nooit meer zou komen. Zo moeizaam als door deze opleiding heb ik me nog nergens doorheen hoeven slepen en dat hoop ik ook nooit meer te doen. Volgende keer ‘gewoon’ in de afgesproken tijd de boel erdoorheen jassen, graag, B. Ehum. Maar vooruit. Ik dwaal af. Vrijdag. De dag waarop die ene docente me toesprak en op enig moment vroeg: ‘Hoe kwam je op het idee?’

Ik kon gaan verhalen over hoe ik op vierjarige leeftijd schooltje speelde en bij gebrek aan willige slachtoffers poppen op een rijtje zette. Ik kon vertellen over mijn verlangen naar de eerste schooldag na een in mijn ogen véél te lange vakantie. Over die ene brochure van de lerarenopleiding in Tilburg, die ik vanaf mijn zestiende in een doos op zolder bewaarde. Over de wens ‘daartoe toch te behoren’. Maar dáár kwam het uiteindelijk toch niet door. Ik borg die wens ten slotte op, bij die brochure, in die muffe doos, bij de rest van mijn kinderdromen.

Ik deed vervolgens iets met verpleegkunde. Wat ik niet afmaakte, want ik ben hopeloos met naalden en bloed. Ik deed iets met boekhouden, wiskunde, biologie en laboratoriumfratsen. Leuk, maar het leidde slechts tot apathisch staren naar de klok. Ik trouwde, kreeg kinderen, werd dertig. Deed, omdat ik intussen ‘toch wat aan het schrijven was’, een deeltijdopleiding in de journalistiek. Leuk, want het leidde tot veel schrijven en een eigen zaakje in de communicatie en aardige projecten. Maar…

Intussen ging oudste naar de middelbare school, onder mijn bloglezers bekend als de school zonder C. Vrienden en vriendinnen kwamen mee naar huis. De puber in al zijn heftigheid. Ergens diep in mij begon iets te knagen. Te ritselen. Te borrelen. Ik belandde in een groepje dat zich op de school van oudste bezighield met internationalisering. Ik bewoog me tussen hen die wèl met die jonge mensen werkten. Projecten, vanuit mijn bedrijfje, met scholen die ik heel even ontmoette, waren een matig surrogaat.

Dus. Ik begon aan de lerarenopleiding. Toch nog. Mijn tweede stage deed ik bij S., toen nog ‘coach S.’, wat niemand die mij al langer bloggend volgt, zal zijn ontgaan. Hoe bizar het uiteindelijk tussen ons is verlopen, wat er tussen ons wàs, zeker in dat stagejaar, is nog steeds aanleiding tot veel hilarische en mooie verhalen. Mijn derde stage mocht ik op een andere locatie van dezelfde school doen, bij coach J.: een ambachtelijk man die het krijtje aanbad. Hij was het tegengestelde van S. en de discussies over het onderwijs (en de digitalisering daarvan) liepen dan ook regelmatig hoog op. Met respect, moet ik zeggen. Van niemand heb ik ooit op indringender wijze over onderwijzen geleerd, dan van coach J.

De stage bij J. rondde ik een half jaar eerder af dan gepland, om nu als echte juf op dezelfde school te gaan werken. Een half jaar vervanging. Mijn eerste H3B als mentor. Een heftig half jaar, waarin ik ineens drie hele dagen aan de bak ging. Gesloopt ging ik de zomervakantie in. Gesloopt was ook de deur naar ons bijhok, door een iets te enthousiaste leerling tijdens het klassenfeest dat ik in mijn achtertuin hield. In mijn hoofd was ook iets gesloopt: het idee dat ‘het’ toch nooit wat zou worden. Ik ging dóór, en ik geloof er niet in ‘dat alles om een reden gebeurt’, dus het was toeval dat ik in het schooljaar ’09-’10 op de school diep in Drenthe terechtkwam, waar ik nu nog steeds met heel veel liefde en plezier huis.

Maar dáár, op de school van oudste, de school zonder C., begon het dus. En dáár raakt dus om die reden nooit uit mijn gedachten en al helemaal nooit uit dat ene plekje, diep in mijn hart.

Mijn eerste H3B. Heel goed zoeken, dan vind je me achteraan...

Mijn eerste H3B. Heel goed zoeken, dan vind je me achteraan…

Taart

Mijn eerste jaar als mentor van havo 3 op de school diep in Drenthe viel niet mee. Niet in de laatste plaats omdat ik dacht dat ik zo’n beetje alle problemen van alle leerlingen moest oplossen. Zelfs met mijn allerbeste redeneer- en organisatietalent lukte dat natuurlijk niet. Bij de zittenblijver die meer dagen in zijn warme bedje doorbracht dan in onze harde schoolbankjes, verrichtte ik daarom misschien wel die ene wanhoopsdaad. Ik sprak de magische woorden: ‘Als jij overgaat zonder minpunten, krijg jij van mij een slagroomtaart.’ Het wonder geschiedde. Ik kocht een taart.

Het was wellicht uit wilde bravoure dat ik het jaar daarna die magische woorden opnieuw sprak, maar dan iets eerder in het jaar, en tegen iedere leerling in mijn mentorklas die het horen wilde: nul minpunten = taart. ‘Bwaahaa!’ deden de leerlingen. Wat een raar mensch. Zoals het de derdejaars leerlingen betaamt, luierden ze er lustig op los. Deze houding wisselden de meeste leerlingen af met min of meer goed gemikte periodes van intensieve studie en werklust. Bijna iedereen ging over. Drie leerlingen: zonder minpunten.

Het woord verspreidde zich. Het bleek ècht waar, van die juf met taarten. Vorig jaar deelde ik zeven slagroomtaartjes uit. Ergens diep in me sprak een ongerust stemmetje: als dit eens progressief is…onze vriezer had dit nog maar nèt kunnen bergen en alleen maar omdat we drie weken lang slechts resten soep, ijsjes en overige kliekjes als diner hadden genuttigd. Maar. Vakantie doet veel. Ik vergat het stemmetje. Ik keek mijn verse leerlingen aan en zei: ‘Stel je eens voor, dat ik 28 slagroomtaarten zou moeten kopen …’

Het werden geen 28 taarten en natuurlijk had ik daarop ook niet gerekend. Je gokt op nog een keer zeven, of acht, want deze klas was wel heel braaf en er zaten veel lieden in die het ver wilden schoppen en in havo 3 de ladder al driftig beklommen. Misschien negen. Maar. Elf? Ik controleerde twee weken geleden de cijferlijst. En vorige week nog eens. Toen waren het er twaalf. Een paar dagen later: dertien. En nóg was h3b niet klaar met mij.

Ik nam collega A. op sleeptouw, vandaag. Het leek me wel zo handig bij de aankoop van vijftien (!!!) slagroomtaarten. En de dames van de keuken, die de grote vriezer speciaal voor mijn taarten nog een weekje aanzetten…ook die krijgen van mij een dikke pluim. Voor volgend jaar moet ik eens goed nadenken. Misschien vóór de vakantie al wel. Voor mijn grote bek als vanzelf weer openvalt tijdens de eerste frisse les met mijn nieuwe klantjes…

Nee. Zo slank ben ik nog niet. Dat ik me achter een taartje kan verschuilen...

Nee. Zo slank ben ik niet. Dat ik me achter een taartje kan verschuilen…