Bushcraften rond het vriespunt

Een dorpswandeling met gids in eigen dorp, een creatief workshopje hier en daar, een zoektocht naar een leuk koor om bij te zingen…allemaal leuk en aardig. Maar een kano-tocht in het dónker? Bij deze temperaturen? Met mijn ervaring van nul-komma-nul? What was I thinking? Nou ja. Ik dacht: dát lijkt me leuk: onder begeleiding een beetje kanoën door de wateren van Noord-Drenthe. En, omdat dat dit schooljaar zo gaat: ik gaf me ervoor op.

Het duurde ruim drie kwartier voor ik bij het vertrekpunt in Nieuw Annerveen was. Ik weet nu waar Ees ligt en Spijkerboor. Ik leer de gps-functie op mijn Nokia steeds beter kennen. Ik weet  nu ook dat sommige halfverharde weggetjes kunnen leiden naar duistere stukjes land die aan het water liggen. Ik gaf er begeleider Tim een hand en mocht met begeleider Jan in een canadees, nadat Tim ons eerst van alles had verteld over bevers in de Hunze, over beversporen en over bevergeil. Wat lekker ruikt. Echt waar!

In het pikkedonker (waarin je na een poosje toch echt wel wat kunt zien) gleden we het water op. Ik peddelde. Jan stuurde. Aan de rand van het water hoorden we groepjes ganzen. Ze klonken een beetje chagrijnig, waarschijnlijk omdat ze net lekker lagen te slapen en wij ze zo nodig moesten storen. Jan bleek een begenadigd verteller en ik genoot van zijn verhalen. Over zijn werk, zijn vorige werk, zijn ambities en dromen. De natuur en zijn liefde daarvoor. Af en toe hielden we ons mond. Dan klonk alleen het zachte spetteren van de peddel. Een verstoorde vogel. Het ruisen van riet waar we per ongeluk doorheen voeren.

Ik stelde voor dat we gewoon tot zonsopgang door zouden peddelen, en Jan leek dat een mooi idee. Toch sloten we maar aan bij de groep voor het maken van een kampvuurtje aan de wal en het uitwisselen van de ervaringen tot nu toe. Ik leerde over het maken van vuur met watjes en vaseline, berkenbast en Maya-hout (dat bij Bever te koop is, maar dat je zelf ook kunt vinden als je goed zoekt). Hout sprokkelen doe je niet op de grond en een pan chocolademelk pak je beter met goede handschoenen van het vuur.

Na tienen vervolgden we de tocht over het water en na middernacht raakte de canadees pas weer het land. Op zeebenen liep ik naar de auto toe en gek genoeg kreeg ik het eenmaal thuis pas een keer koud.

Vuurtje stoken rond het vriespunt...fantastisch!

Vuurtje stoken rond het vriespunt…fantastisch!

 

Zomaar om u bezig te houden…

1. In de Top2000-lijst 2014 van Blowsabella staat...
2. Blowsabella is dit jaar...
3. Het boek dat nu op B's nachtkastje ligt, heet...
4. De straat waar Blowsabella huist, heet:
5. Natuurlijk heeft Blowsabella...
6. Het koor waar Blowsabella onlangs ging 'voorproeven', heet:
7. Blowsabella stalkt het liefst...
8. Makkie. Het vak dat deze Blowsabella vroeger van plan was te gaan doceren, was...
9. De beestenboel van Blowsabella telt inmiddels....
10. De katers in het huishouden van Blowsabella heten:
11. Zondag aanstaande kunt u op blowsabella.nl lezen over...
Warm....maar ver genoeg?

Warm….maar ver genoeg?

Het einde van Lowieke

Loslaten is niet mijn ding. Nou ja, gek genoeg dan weer wel waar het de jeugd betreft. Die veren van moeder Kloek hebben mij nooit gepast, al moeten ‘ze’ ook niet onredelijk gaan doen tegenover mijn kroost. In zo’n geval steken er nog steeds geen veren aan mijn lijf, maar klauwen en hoektanden werken dan sowieso veel beter. Afijn. Loslaten. Dat kan ik dus verrekte moeilijk. Zeker waar het levenloze objecten betreft. Zoals Lowieke.

Heel eerlijk: ik heb geen idee hoe oud Lowieke was. Ik weet ook niet meer hoe hij precies in mijn bezit is gekomen. Lowieke had al ogen als vlakke koperen muntjes en met rode wol vastgenaaide wangen toen hij bij mij onderdak vond. Hij kon al niet meer goed rechtop staan en leunde met zijn ene slappe oor tegen de muur naast mijn bed. Af en toe stofzuigde ik zijn kalende ribfluwelen vacht en aaide ik er liefkozend en troostend achteraan.

Lowieke hoefde nooit naar zolder. Misschien niet in de laatste plaats omdat het daar altijd al vol was. In Drenthe niet in de laatste plaats omdat de zolder niet veel bergen kan. Tweederde van het oppervlak moet immers nog betimmerd. Lowieke wachtte dus geduldig tussen dozen en tassen tot zijn moment gekomen was. Dat was gisteren. Op de slaapkamer van de man en mij had ik ruimte gemaakt waar de ouwe vos weer comfortabel kon leunen en ik hem af en toe zuchtend kon aaien.

Ik zette de oude teddybeer van de man op de mahoniehouten stoel in de hoek. Een zelfgemaakte paarse knuffel ernaast. En dan Lowieke… Ik vatte hem bij zijn snuit en wilde hem op zijn plekje zetten, toen een angstaanjagend scheuren klonk. Stro stak inenen uit Lowiekes bek, als te snel genuttigde spaghetti. Zijn vel bleek doorzichtig en teer geworden als nat papier. Ik keek Lowieke in zijn metalen ogen. Aaide ‘m nog eenmaal over zijn vlekkerige vel en liep met zwaar gemoed naar de zwarte container.

En liet los.

(Ik léér het nog wel eens een keer…)

En nu heeft Lowieke dan mooi wel een eeuwig plekje op internet, hè...

En nu heeft Lowieke dan mooi wel een eeuwig plekje op internet, hè…

Verloren foon

Nee. In de titel van dit stukje heb ik geen tikfout gemaakt. Ik verloor immers geen zoon (tot nu toe, waarvoor dank aan iedereen die de engeltjes op de schouders van mijn zonen beschermt)… ik verloor wel degelijk mijn foon. Afschuwelijk woord, trouwens, maar ik heb sowieso een enorme aversie tegen kooswoordjes als ‘foon’, ‘knäck’, ‘prakje’ en overige totaal verkeerd uitpakkende taalverloederingen.

Ik ging verhuizen, namelijk. Wat zegt u, dat had u gemist? Moehaa. Ik geef toe. Het wordt eens tijd voor een ander onderwerp. Kerst, bijvoorbeeld. Maar die verhuizing is nog niet uit het bloed en het voelt hier nog steeds als vakantie. Dus. Verhuizing. Ik gooide al bijna het kerststalletje weg uit het vorige stukje, omdat het nu eenmaal klein is en ik het goed verpakt had in een prop krantenpapier. Het was dat ik op de bewuste verhuisdoos had gezet dat het geliefde object dáárin zat, en ik dus alle proppen papier nog eens nakeek, anders…

Maar. Ik dwaal af. De Blackberry. Waarmee ik toch zo lekker kon gooien. Hij ging nooit stuk. Er zitten hoogstens wat strepen op de muur achter in mijn lokaal. Wat echter wèl nadelig werd, was het geringe geheugen. En een foon, zo weet u, dementeert tot 1035 keer sneller dan de mens. Als dat proces eenmaal in gang wordt gezet, is het einde niet zoek. Het is simpelweg dáár. Dus kocht ik op aanraden van de man een Nokia en borg de Blackberry op. Tot later. Tot dat moment waarop ik eindelijk weer tijd zou hebben en het telefoonboek eens over zou zetten.

Tsja. Dat moment kwam wel. Maar al wat ik vond in de verhuisrommel (vleermuistrui uit 1984, onleesbare stageverslagen, honderdduizend paperclips)….de Blackberry hield zich wraakzuchtig schuil. Het hielp niet dat de man en ik doos na doos opnieuw openden en kamer na kamer uitkamden. Het hielp ook al niet dat de man mij dagelijks vroeg of ik me dan ècht niet kon herinneren waar ik ‘m het laatst gezien had. Totdat ik mijn schooltas, die ik inderdaad slechts dagelijks gebruik, eens op een andere manier beetpakte. Het viel me op dat het achter één van de klein ritsjes zo raar hard voelde. Mijn hart deed een huppeltje.

(Nu de notenkraker nog. En mijn Zen-stone. En die ene dvd met die ouwe filmpjes…en neen. Die zitten ècht NIET in mijn schooltas. Alhoewel…)

Een leerling vroeg me hoogstverbaasd hoe in godesnaam (hij gebruikte andere woorden...) een BLACKBERRY kon zoekraken...tsja...misschien moest ik er nog eens een creatieve schrijfopdracht aan wijden...

Een leerling vroeg me hoogstverbaasd hoe in godesnaam (hij gebruikte andere woorden…) een BLACKBERRY kon zoekraken…tsja…misschien moest ik er nog eens een creatieve schrijfopdracht aan wijden…

 

Stiekem een stukje verder in de tijd

Sinterklaas is weer in het land. Wie dat gemist heeft, dit weekend, heeft in een grot gezeten. Zonder wi-fi. En nu zou ik dus een heel stukje kunnen wijden aan de absurde toestanden in Gouda (en daar bedoel ik niet per se de Kaaspiet mee, al hoort die naar mijn mening in een rariteitenkabinetje waar we beter een dik slot op doen), maar dat ga ik niet doen. Met Sinterklaas en al die wel-of-niet-pieten heb ik nu eenmaal niet zo veel. Niet meer.

Ja, natuurlijk, ook bij mij klonk ooit een bons op de ramen en stond er een zak met cadeautjes zómaar ineens voor de deur. Hooi in schoentjes, waar het konijn dan weer om mopperde, liedjes die luidkeels de gaskachel in geblazen werden: been there, done that. En ik genoot ervan. Van die toetjes van de jongens. Het plezier bij het uitpakken. Het smijten met pepernoten. En ik glimlachte zelfs als ik in juni nog ergens een wit uitgeslagen halve chocoladeletter onder een bed uit viste.

Sinterklaas komt nu bij mij voorbij in oververhitte stukjes op Facebook. Arrestaties bij de aankomst, allochtonen die andere allochtonen verzoeken het land te verlaten ‘als ze zich niet aanpassen’. De wereld op zijn kop en niemand die meer weet waar boven of onder zit. Ik ook niet, dus u hoeft mij geen mening te ontfutselen. Ik heb die simpelweg niet. Nee. Ik zie op Facebook ook nog een ander berichtje voorbijkomen. Iets met kaarsjes en lichtjes. En in mijn agenda staat ‘6 december’ al wekenlang ingevuld. Als die mijter weer wordt opgeborgen. Juist.

Dán mag het pas, hè…dán mogen de kaarten weer geschreven worden. Dán mag de boom weer van zolder. Dán mag de ster weer voor het raam. Vanaf dán mag ik de Renault weer de grens over sturen, om die weken van verkneukelen feestelijk in te luiden in Kevelaer. Dán pas mag mijn verzameling kerststalletjes volledig in het zicht. En nee, ik kan, net als degene die het kerstberichtje postte, eigenlijk niet wachten..

...ziet u het haast niet? Nou ja...ik moet de man natuurlijk ook een beetje te vriend houden...

…ziet u het haast niet? Nou ja…ik moet de man natuurlijk ook een beetje te vriend houden…

(Vandaar dat dit stalletje stiekem al in het boekenrek staat. Een beetje in het duister. Dat wel. Maar nadat het uit een verhuisdoos kwam, had ik het hart niet om het weer in te pakken. Smoesje? Vindt u?)

Het dorpse diner bij Daan

De eerste drie dorpjes die we bekeken tijdens onze huizenjacht in Drenthe, waren Nieuweroord, Tiendeveen en Nieuw Balinge. Er stonden leuke huizen op mooie plekjes, maar volgens de man ontbrak er toch wat aan. Supermarkten, bakkertjes, en als ultieme teleurstelling kwam in Nieuw Balinge dan wel een frietkar voorbij, maar precies op een moment dat de man nog ergens in de file zou staan.

En dus werd het Aalden. Om de supermarkt, warme bakker (waar we overigens maar één keer zijn geweest) en de Any Time. Ik at er een keer met Mara, ik kocht er meerdere keren heerlijk ijs, kortom: helemaal goed. Totdat we die àndere kar zagen. Met dat vreemde bord aan de weg: ‘Pas op! Snack van de maand: € 1,-‘ De man en ik vroegen ons nieuwsgierig af hoe dat kon: twee snackgelegenheden in zo’n klein dorp.

We slopen er wat aarzelend heen, die eerste keer, naar die wagen met die plastic flappen tegen de kou en die tafeltjes, waar werkelijk op ieder moment dat wij erlangs kwamen, iemand zat. We bestelden patat. Een kaassouflé. Een groentekroket. ‘Zijn jullie vegetarisch?’ Want dan hadden ze ook nog andere dingen. Een verhandeling over de wonderlijke eigenschappen van de eierbal volgde. We beloofden ‘m een andere keer te proberen.

Of we hier op vakantie waren, en hoe lang dan. Nou, we hebben nog steeds het gevoel dat we op vakantie zijn, maar we zijn hier net komen wonen. ‘Waar dan? Oh! Op die hoek? Dat huis van Heidemans?’ De man en ik keken elkaar aan. De vrouw van de frietbaas mengde zich in het gesprek. ‘Jullie stonden in het dorpskrantje!’ en verder ging het. Over Steenwijkerwold en Aalden, muziekfestivals, het fijne en kleine van het dorp, en kruiden in plaats van zout op de patat.

Dat was een paar weken geleden. Intussen is de eierbal vaste prik, en ook onze gang naar de frietkar van Daan, waar we nooit als enige klanten staan. Ik lees er tijdens het wachten de krant of maak een praatje. Luister naar de verhalen van de frietenbakker en zijn vrouw en alle kwinkslagen richting dorpsgenoten. Soms wandel ik nog langs de Any Time, en ik vraag me dan serieus af: hoe is het mogelijk dat er twee snackbars kunnen bestaan…als er al zoiets is als de sociale snackmobiel van Daan.

Op!

Op!

Degelijk doen

Eén van de wensen die de man en ik hadden bij het zoeken naar een huis, was de aanwezigheid van een extra kamer op de begane grond. Op project Ten Dale lag de mooie, antieken, mahoniehouten tafel in de woonkamer altijd vól met papier, boeken, schriften en andere rommeltjes. Daar ergens naast dan nog wat spullen van de man. Wat zou het fijn zijn als dat allemaal een fijn, afgesloten plekje zou kunnen krijgen.

Vorige week vonden de laatste boeken een plekje in de kasten van onze extra kamer. De man kreeg een tafel links, ik een tafel rechts. Erbij een krukje en een formica stoeltje met een scheve rug. ‘Dat moet anders’, sprak ik tegen de man. Hij haalde zijn schouders op. ‘Da’lijk zak je door je stoeltje!’ zei ik. Dat was Broer ten slotte ook al gelukt. Met zo’n zelfde stoeltje. Ok, met iets meer kilo’s, misschien. Maar toch. De man zuchtte diep.

Op maandag toerden we richting kringloopwinkel. Het navigatiesysteem vertelde tot twee keer toe dat ik op een goed adres beland was. Het adres vertelde me steevast iets anders. Dichtgeplakte ramen, volle containers. Een louche figuur met een natte, zwarte snor. Ik schoot in de lach en vertelde de man over die ene keer dat ik met S. in Brabant rondreed. Vijftien kringloopwinkels had hij gevonden op internet. Bijna tien zagen er dáár net zo uit als deze twee in Beilen. Op die louche figuur na, dan.

In Hoogeveen hadden we meer geluk. Het Goed zat nog steeds op het oude adres. Ik vond er ‘Het boek Ont’, dat collega P. me ooit aanraadde. Ik vond er een tafeltje voor jongste, want die wilde nog wel ‘iets om aan te schrijven’. We vonden heel veel stoeltjes, maar de man schudde stoeltje na stoeltje van nee. ‘Ja, donders!’ driftte ik na het negeren van de zoveelste zetel. ‘Je moet er straks misschien wel úren op zitten!’ ‘En deze zijn nog goedkoop ook!’ Ik aaide troostend over beige skai en grenen met lak.

‘Ze zitten ècht heel lekker!’ zong ik tevreden op weg naar de auto. ‘En ze zijn heel degelijk!’ baste de man. ‘Ja, hè,’ antwoordde ik blij verrast. ‘Zul je verdomme zien dat ze minstens nog tweehonderd jaar meegaan,’ mopperde de man.

Ik bedacht net op tijd dat het even beter was te zwijgen…

Vriendin I. noemde het stoeltje 'een kek monster'. Kijk. Daar kunnen we mee praten. Met I.

Vriendin I. noemde het stoeltje ‘een kek monster’. Kijk. Daar kunnen we mee praten. Met I.