Raar jaar

Het is ten slotte 31 december. Dé dag van reflectie. Euh. Nou. Joh. 2014. Hm. Het is dat ik in elke maand wel iets geblogd heb en dus terug kan kijken naar wat er -ongeveer- gebeurd is, anders had ik er geen chocola meer van kunnen maken. Het kopje boven dit stukje maakt het al duidelijk: het was een raar jaar, waarin er ontzettend veel is gebeurd. Een goed jaar! Dat ook. Natuurlijk waren er ook mindere momenten, maar…is het niet zo dat je juist daardoor de mooiere tijden nóg meer waardeert?

Een bijzondere actie, die ons nog steeds in vakantiestemming houdt, is onze verhuizing naar Aalden. Het leek ‘out of the blue’ te komen, maar als ik terugkijk, is het zo’n vreemde beslissing nog niet. Vorige maand vond ik in een of ander verenigingsboekje uit 2012 een stukje waarin ik geïnterviewd werd. Ik sprak er al van een eventuele verhuizing naar Zuid-Oost Drenthe.  In januari van dit jaar bracht ik twee studieweken in Landal Aelderholt door, en in april, zo zag ik gisteren, liepen de man en ik de Trage Tocht Aalden. Zei hij toen al niet iets van ‘Hier wil ik wonen?’

Een andere fijne bijzonderheid was het halen van mijn diploma. Het had ‘even’ geduurd en op zeker moment dacht ik dat het nooit meer zou gebeuren. Of, in ieder geval, te laat. Dat ik weggestuurd zou worden van de school diep in Drenthe. Daar waar ik het zo verschrikkelijk naar mijn zin had. Waar ik heel graag wilde blijven, tegen alle verwachtingen in – ik dacht vroeger immers altijd nog een keer terug te keren naar de school waar ik twee bijzondere stages had afgerond. Maar. Ik slaagde. En ik bleef. Ik heb er nog lang verdwaasd door rondgelopen.

En hiernaast, en hierdoorheen, al die andere fijne dingen. Al die dingen die ik op 1 januari 2014 noemde als cherries on the cake. Wandeltochtjes, schilderdagen, vakanties naar Noor- en andere wegen. Vrienden die bleven. Mensen die vrienden werden. En dan. Onheilspellende ongelukjes in huis die met een sisser aflopen…een dorp waar we binnen drie maanden al gelukkig lijken te zijn… The cake leek haast wel uit cherries te bestaan, zoveel lagen er bovenop.

Ik kan alleen maar hopen dat uw jaar net zo vol van kersen op uw taart is geweest…en als het er het afgelopen jaar iets minder waren…dan wens ik er u in 2015 een fraaie hoeveelheid van toe!

2014

 

Wat je dan weet

Ik ben een zeikerd. Ooit dacht ik verpleegkundige te worden, maar alleen de aanblik van slangen die in een keel geduwd werden of een naald die onder de huid gleed, maakte al dat ik sterretjes zag. Ik werd dus docent, maar ik waarschuwde leerlingen om voorzichtig te zijn, zodat ik niet in flauwte ter aarde zou storten in hun bijzijn. Slecht voor het imago en zo.

En dan ligt er een bewusteloze zoon voor je. En je belt een ambulance. En je beschrijft alles wat je ziet, terwijl je naar een pols zoekt. Je graait kleren en toiletspullen bij elkaar, stuurt de man met de ambulance mee en je scheurt in je Twingo vóór diezelfde ambulance uit, naar het ziekenhuis. Waar ze je zoon naast machines plaatsen, naalden in zijn donder steken en je vragen stellen die je nog beantwoordt ook. En om half negen, na drie uur op de eerste hulp, naast dat bed, vraag je of je wat te eten kunt krijgen. Want je valt haast om, maar niet dáárom.

En dan zit je in die krappe eenpersoonskamer. Op die onhandige stoel, tegen die muur waar het niet lekker tegen leunen is. Met die stapel tijdschriften die al minstens vijftig keer eerder doorgebladerd is, maar waarschijnlijk net zo min gelezen door die anderen als door jou nu. Het apparaat waar het infuus aan hangt, piept, en je volgt de draad, maar er zit niks klem, zo snel je dat kunt zien, en je belt de verpleegkundige, die meer ziet dan jij. Gelukkig maar.

Je rijdt tussendoor naar huis. Zon die schijnt, kerken die vol en weer leeg lopen. Kerstliedjes op de radio. Je doucht. Pikt schoenen en een jongensjas mee en rijdt weer terug. Denkt aan hoe er maar één ding werkelijk telt. Dat wat maakt, dat je uiteindelijk doet wat je moet doen. Dat wat maakt dat je het samen wel redt. Dat wat maakt dat alles met alles verbonden is, zolang je je er maar op richt. Dat het ondanks alles toch echt Kerstmis is. En liefde alles is wat uiteindelijk overblijft.

Dat liefde uiteindelijk alles is.

En daartussendoor die andere wetenschap...dat spruiten best kunnen op Eerste Kerstdag, in ieder geval in het Scheper Ziekenhuis...en dat ze ook nog eens goed te pruimen zijn. Die spruiten, dus...

En daartussendoor die andere wetenschap…dat spruiten best kunnen op Eerste Kerstdag, in ieder geval in het Scheper Ziekenhuis…en dat ze ook nog eens goed te pruimen zijn. Die spruiten, dus…

Van die levensvragen

Schoonzus had het Broer gevraagd. En dat vertelde ze mij. Dat ze het gevraagd had. Wat-ie antwoordde, weet ik gek genoeg niet. Daar was ik denk ik even niet nieuwsgierig naar. Kan zijn omdat hij waarschijnlijk iets heeft geantwoord wat simpelweg waar was. Dat gok ik dan. Oh. Die vraag, bedoelt u? Wel. Of ik inenen in de Here was. Of zoiets. Want ik had het er eerder toch niet zo over gehad.

En dan wel van die tripjes naar bedevaartoorden, zoals Kevelaer. Ok, dat deed ik eerder ook al, maar…ik stak er nu wel heel dikke kaarsen aan. Die kleintjes, ter behoud van het internet, wat ik in elke kerk doe die mijn pad kruist, die telden niet zo mee. En ik deed ineens iets met zingen in een gospelkoor. En dat koor dat repeteerde in een kèrk. Een protestantse kerk maar liefst. Met zo’n groot, brandend kruis op het dak. Wat puur door elektra kwam en niet vanwege de jeugdcriminaliteit te Aalden.

Maar: neen. En dat is, hoop en gok ik, precies wat Broer aan schoonzus vertelde. Ik geloof nog steeds dat het na dit leven eindigt. Ik word wormenvoer of chemisch afval, afhankelijk van de keuze die men na mij maakt. Ik geloof niet in iemand die de zaken regelt van boven. Ik geloof niet dat je, door je te conformeren aan een boek met regels, je veiligstelt voor de rampen in je wereld, vooral voor die ná deze.

Maar ja. Ik geloof dus wel weer dat je je goddelijk kunt verliezen in religieuze muziek, die om de een of andere reden in die hoek is gezet. Zoals ook de kerstboom, heidens symbool bij uitstek, nu gewoon in menig kerk staat opgetuigd. Ik geloof dat de mens zich weldadig en meditatief opladen kan door de Stabat Mater op tien in de auto te draaien. En dan nóg een keer.

Ik geloof dat je door het zingen van een gospel, waarbij je die Here aanroept, niet per se het goddelijke in de hemel aanroept, maar wellicht nog meer die frequentie in je eigen zelf. Dat zag ik bij vriend R. op Facebook zo mooi verschijnen: ‘God is a frequency that exists in you. Tune in.’ En ik dacht: ja, ja, ja en nog eens ja. En toen dacht ik: misschien kun je wel geloven, zonder dat je gelooft. Dat je dat dus gelooft.

Geen idee wat ik toen geloofde...spannende materie vond ik het meeste toch wel...

Geen idee wat ik toen geloofde…spannende materie vond ik het meeste toch wel…

Revival zonder Revivals

‘Ik word al moe als ik over al die dingen léés!’ riep afgelopen week een collega. Al die dingen bleken al die dingen te zijn die ik doe de laatste maanden. Workshopjes, kanovaren, hardloopwedstrijden (waarbij ik overigens glorieus als laatste eindigde, hoor, maak u geen illusies over mij, dan doe ik het ook niet)…en overige tripjes die ik sowieso al zou maken. Oh ja. En dat zingen dan nog. Zo hoog op mijn ‘bucket list’ en steeds maar niets aan gedaan, op die enkele workshop tijdens Buitenkunst na.

Dus ik keek eens rond. En rond. En rond. Zo veel aan koren en koortjes, ensembles en overige zangkunstenaarsclubjes. Het duizelde me. Tot ik collega J. bij een leuk popkoor zag zingen op YouTube. Het koor was dichtbij en ik ging haar live beluisteren. Leuk. Erg leuk. Heel erg leuk. Retestrak. Had ik al gezegd ‘leuk’? Nou vooruit. Leuk, dan. Tot ik het dorpskrantje vorige week in handen kreeg. En las over een klein gospelkoor. Gospelkoor! In Aalden! Ik sloeg direct aan het mailen en gisteren ging ik langs.

Of ik enkel kijken kwam, of meedoen, want hier was het boekje met teksten en daar de bladen met noten, en ik was alt, toch? Dan stond ik dáár. En toen stond ik dus daar. Tussen de regels door schudde ik handen on probeerde ik namen te onthouden. Ik las noten, tot mijn buurvrouw zei: ‘Luister maar even,’ en dat deed ik. En ik humde wat. En ik zong een woord, een regel, een bijna compleet, maar nog aarzelend refrein. ‘Blijf je nog even, want we doen eigenlijk altijd iets met een nazit. Een wijntje.’ En ik zei ja, maar de wijn sloeg ik af.

Ik dronk mijn sinas en luisterde naar alle nieuwe verhalen. Om drie uur ‘s nachts stuiterde ik nóg van de energie en al die flarden melodieën. Die ik nú overigens weer kwijt ben, vast en zeker door het gebrek aan slaap of mijn tanende geheugen. Niet erg. Maandag mag ik weer. Kiek’n of ik er dan wel een paar regels van leer te onthouden…

Dertig jaar geleden...bloedserieus in het midden hier, bij The Revivals, het gospelkoor van toen.

Dertig jaar geleden…bloedserieus in het midden hier, bij The Revivals, het gospelkoor van toen.

 

 

Van die opgelopen tradities

Uit elke relatie van een beetje belang neem je iets bijzonders mee. Om te beginnen het besef dat de menselijke relatie een interessante puzzel is, waarvan altijd wel een stukje zoekraakt of achter de verwarming valt; net op een plekje waar je ‘t nooit meer vandaan gevist krijgt. Gelukkig heeft de Grote Puzzelgigant in de Hoge altijd wel weer een paar nieuwe puzzels in de aanbieding en tegen de tijd dat je de randjes van een nieuwe puzzel gelegd hebt, komt zo’n eerder verloren stukje altijd wel achter de radiator vandaan gevallen. Ingedroogd en opgekruld. Maar. Ach.

Uit de stormachtige en minstens bijzonder te noemen relatie met ex-collega S. nam ik niet alleen een vintage broodrooster mee (dat het trouwens nog altijd prima doet), maar ook twee hardnekkige verslavingen. De eerste is een verslaving aan klassieke muziek. Een dag zonder voelt als een dag zonder gelachen te hebben. Een dag die niet af is. Verloren. En zo voelt ook een jaar zonder het toegeven aan die tweede verslaving. Misschien is die nog dwingender dan die eerste. De drang om minstens één keer per jaar te gaan sjouwen in bedevaartsoord Kevelaer.

S. en ik, we reden er steevast met een onbedoelde omweg heen, en/of met een onbedoelde omweg weer vandaan. Het mocht de pret ter plekke niet drukken en anders had ik in ieder geval weer stof genoeg tot schrijven. Het was daarom een vreemde ervaring toen de man en ik er vorig jaar in één keer heen reden. We parkeerden de auto met een gevoel van totale verbijstering en dat gevoel bleef ons de hele bedevaartsdag van 2013 achtervolgen. Het zal dáárom wel zijn dat we vanmorgen afslag na afslag misten. Dat ik pas begon te twijfelen toen Oberhausen wel èrg dichtbij kwam en ik ademloos bracht dat we dáár niet moesten zijn.

Ik stuurde de Twingo een parkeerplaats op en drukte ‘zoek’ in mijn telefoon. Die begon te mopperen dat we richting Duisburg moesten en vandaar met een bochtje weer terug. Vol ongeloof keek ik van de Nokia naar de man en weer terug. Zo’n eind? Zo bont hadden S. en ik het zelfs nooit kunnen maken. Het zal onze straf zijn geweest voor de vlekkeloze rit vorig jaar. Tradities die je meeneemt uit wonderbaarlijke relaties kun je niet zomaar aanpassen omdat je dat nu zogenaamd beter past en een bedevaart…tsja. Die mag natuurlijk sowieso niet gemakkelijk gaan.

Een kaarsje aansteken gaat ook niet altijd zonder hindernissen...

Een kaarsje aansteken gaat ook niet altijd zonder hindernissen, zeker als er vooraan geen vrije plaatsjes meer zijn…

Wraak maakt zoet

Het boek dat de klas moest lezen voor de eerste fictietoets, bevatte geen taaie kost. Integendeel. Het was een luchtig verhaal over tieners die te maken kregen met klonen. Maar het boek was zo dík. En dík. En ze hadden er ook geen tijd voor. En hadden ze al verteld dat het boek dík was? Ik zuchtte. Mopperde iets van ‘op tijd beginnen’ en ‘het verhaal is toch leuk’.

In de bibliotheek vond ik een week later een boek over een meisje dat een oudere zus had die zoekraakte in Parijs. Ik las het eerste hoofdstuk voor aan de klas die niet van dikke boeken hield. Over mijn hoofd werd naar het plafond gestaard. Onopvallend op mobieltjes gekeken. Lippenstift bijgewerkt. Nee. Dat verhaal was veel te lastig. Laat maar zitten, mevrouw.

Ik vertelde nog iets over een ander boek, over een jongen die in een bunker belandde. Het einde van dat boek was zó verschrikkelijk, maar, nou ja… ‘Vertel het maar, mevrouw. U verpest niets. Wij gaan dat boek tóch niet lezen!’ Verschillende armen gingen demonstratief over elkaar. Mijn lievejuffenglimlach vroor vast in een verbeten streep. Nondeju. Wat waren dit voor spoken? En iets in die richting gromde ik ook voor me uit.

Het was gekkenwerk om de volgende les opnieuw met een boek te beginnen. Ik dirigeerde met mijn vingers de tassen van tafel, mobieltjes in de zak. Lippenstift óók. De meiden rolden met hun ogen en ik las voor. Uit een verhaal over een meisje dat het uitmaakte met een jongen die het daar niet mee eens was. Het eerste hoofdstuk kabbelde de klas in. Na een kwartier legde ik het boek weer weg. Er klonk protest. Waarom ik niet verder ging. Ik zei ‘morgen’ en ging met een uitgestreken gezicht verder met andere stof.

Elke dag volgde een hoofdstuk. Vandaag las ik hoofdstuk zeven. Na de tweede regel klonk van achter uit de klas gegiechel. Ik keek op en vroeg wat er was. De meiden verkneukelden zich zichtbaar en schurkten zich tevreden tegen elkaar aan. ‘We weten hoe het verder gaat, mevrouw!’  ‘Huh’? deed ik dommig en de meiden legden het kort en ongeduldig uit. Het vorige uur viel uit, en toen hadden ze gelezen. Dít boek.

‘Zie je die grijns?’ wees ik naar mezelf en de meiden knikten.

En of ik dan nu toch snel even verder wilde lezen….

De moraal van het verhaal? Negeren is soms echt beter. Dat leert dit boek.

De moraal van het verhaal? Negeren is soms echt beter. Dat leert dit boek.

Stiekem spijbelen in kerstsfeer

De man en ik hebben een ietwat bijzondere relatie met de maandag. Het is de derde dag van ons weekend; een heerlijke extra vrije dag, dus. Toch hebben de man en ik er allebei tegelijk heel andere ideeën bij. Maandag is de dag dat er hard gewerkt dient te worden. Al dan niet in de nieuwe werkkamer.

Ergens in de loop van de zondag begint het wekelijkse ritueel. De een vraagt de ander of de ander vraagt de een wat of de plannen voor de volgende dag gaan zijn. Wordt het iets administratiefs, moet de tuin omgespit, één of twee badkamers geschrobd? We zetten de plannen voor elkaar uiteen en op een rijtje.

En dan worden we wakker. Op die maandagmorgen. De een zucht diep, de ander nog iets dieper. Eerst maar eens koffie. De beestenboel verzorgen. Ontbijt. En koffie. Er wordt een kind wakker en dat moet ergens aan het eind van de ochtend op een trein gezet worden in Beilen. Ohja. Hm.

Ruim na het middaguur komen we weer thuis. De badkamers zijn eigenlijk best schoon nog. Het is te koud om te spitten. De administratie valt zo te zien nog wel mee. De een zucht. De ander iets dieper. Zullen we nog even? Zo ver is het niet. En we moesten tóch binnenkort naar Duitsland. We pakken tassen en blikjes ‘mit Pfand’.

En ja. Ik wéét dat de Goedheiligman nog niet vertrokken is. Desondanks heb ik van de kerstsfeer in Meppen (met markt!) al spijbelend gigantisch genoten. En dan moet ‘Kevelaer’ nog komen…

Nee. We hebben zelf niet geschaatst. Op dinsdag moet er immers ècht weer gewerkt worden en dat gaat beter zonder al te gekke blessures...

Nee. We hebben zelf niet geschaatst. Op dinsdag moet er immers ècht weer gewerkt worden en dat gaat beter zonder al te gekke blessures…