Hoezo met die pen op dat bord?

‘Hoezo schrijft u ineens met díe pen op dat bórd?’ Ik had de eerste zin van de te maken opdracht nog niet eens op mijn whiteboard gezet, toen leerling A. haar stem vol verbijstering de hoogte in liet schieten. ‘Uh?’ deed ik terwijl ik over mijn schouder keek of het verder wel goed ging met A. ‘Ja! Nou!’ deed A. terug. Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is de schuld van de buren.’

En dat is het ook. Ik schreef nooit eerder met een elektronische pen op mijn whiteboard. Na een vliegende, digitale start op de school zonder C. in dat fraaie stadje S. in het noorden van Overijssel, had ik op de school diep in Drenthe toch ineens een bizarre liefde voor het krijtje opgepikt. Ik kalkte mijn lachwekkende (en voor veel jongens troostgevende) handschrift op mijn groene bord en veegde aan het einde van de dag alles liefdevol weer weg.

De komst van het whiteboard was dan ook een hele ommezwaai. Er zat iets van een beamer bij en een ingewikkeld programma met afstandsbediening en iets wat op een pen leek, maar het overduidelijk niet was. Na het bekijken van een instructiefilmpje op YouTube had ik besloten dat er met een whiteboardmarker en een microvezeldoekje best te leven viel. Niet dat het de bedoeling was dat je op dat whiteboard zou schrijven, maar het kón wel. Dat schrijven dus.

En toen ging ik ineens ook bij de buurman werken. In een lokaal met een vuurrode vloerbedekking, schone tafeltjes en een…digiboard. Zónder whiteboard. Zónder fijne stiften. Mèt een beamer. Èn iets wat op een pen leek, maar het duidelijk niet was. ‘Uh?’ deed ik tegen de teamleider en hij zei: ‘Als je morgen eerder komt, leg ik het je wel uit.’ Wat ik uiteindelijk niet deed (dat eerder komen), maar ik beloofde nu dan toch eindelijk het iets verdere overstag.

En ik schreef. Met iets wat op een pen leek. En op de school diep in Drenthe waren er kreten van verbijstering. Hoezo dat juf B. toch nog weer iets nieuws leert…

En of het nog steeds...en opnieuw...kan verkeren...

En of het nog steeds…en opnieuw…kan verkeren..

De jeugd van tegenwoordig

Wanneer we nou eens iets leuks met de klas gingen doen. Ik zag aan hun gezichten dat ik nu even niet lollig moest doen en zeggen dat elke les Nederlands natuurlijk al erg leuk was. En dan hadden we het nog niet eens over ons extraatje: de mentorles. Nee. We moesten ‘uit’. En nee, dat werd geen paintballen of lasergamen. Gewoon lekker naar de wok.

We trokken agenda’s en riepen om het hardst wanneer we niet konden. Gek genoeg was er toch binnen twee minuten een datum geprikt. En of mevrouw A. nog meeging, ook al werkte ze nu op een andere school. En meneer J. Want die was gewoon té leuk. Vooral de dames glommen nèt iets harder dan gewoon bij deze wens. Ik sms’te A., maar zij kon helaas niet. Meneer J. glunderde per e-mail, dat hij ‘natuurlijk meeging met zo’n leuke klas’. Ik glunderde trots en hard terug.

Het werd donderdag. Ik liep met mijn vermoeide hoofd en in mijn Elvis-trui richting het centrum van E. Voor me uit zag ik glanzende, lange haren, korte rokjes en spannende panty’s. Het tikken van gevaarlijk hoge hakken weerklonk in smalle straatjes. ‘Ik denk dat ik een blaar krijg,’ zuchtte leerlinge F. Maar ja. Het zag er mooi uit en daar ging het om. De haren van de heren zaten strak in de gel, ik zag nette jasjes en gestreken overhemden. Meneer J. en ik keken wat schuldig naar onszelf: enigszins underdressed.

Netjes op een rijtje stonden 23 pubers voor de kassa. Netjes aan tafel schoven we met zijn vijfentwintigen aan. Eén leerling bestelde een biertje. ‘Ik kon het proberen,’ schokschouderde hij grijnzend. We proostten. Cola, Rivella en Spa rood. ‘Op H3B!’ en we gingen voor de eerste gang. Soep, nasi en kangoeroebief. Of stroopwafeltjes met kroepoek. Sla met sushi. Patat met frikandellen en een stukje fudge. Omdat het kon.

We praatten over andere vakken en docenten, selfies en ‘alles door elkaar eten’. Meneer J. raakte in ingewikkelde discussies over Slipknot en Green Day. De dames spraken over de hoogte van hun hakken, de heren bewezen hun kracht door het snoepen van wasabi. En juf B. zat daartussen in haar Elvistrui en spijkerrokje. Ontiegelijk en heftig te genieten.

Leerlingen van havo 3 zijn creatief. In het bijzonder bij het samenstellen van toetjes. Zo blijkt.

Leerlingen van havo 3 zijn creatief. In het bijzonder bij het samenstellen van toetjes. Zo blijkt.

Narcist in De Spiegel

Zij van Frans was de aanjager. Het brein achter het idee. Het vonkje dat het lontje aanstak op die dag dat we samen een dorpswandeling met gids maakten in mijn nieuwe dorp Aalden. ‘Ik wil een keertje naar de opera,’ zei ze en mijn mond zakte van verrassing open. ‘Ik ook,’ zei ik toen ik weer bij kennis was. We zochten, ik boekte, en gisteren konden we na een aantal hiccups in de vorm van een haperende printer (de tickets!) en een in de haast meegegriste TomTom eindelijk op weg naar Zwolle.

Ze (zij van Frans, niet de TomTom) stuurde me voorbij de parkeergarage, een vreemd mannetje in het theater bleef wel èrg lang mekkeren over de beste zitplaats op het toneel (jawel, dat leest u goed), maar daar lieten we ons -uiteraard- niet door uit het veld slaan. We maakten een selfie (want zo hoort dat) van onze voorpret en applaudisseerden beleefd toen de dirigent zich bij ons op het toneel voegde (jaja, ook dát leest u goed, we zaten tijdens het spel nog net niet bij Don Giovanni op schoot – of omgekeerd…).

Het was mooi. En het was heerlijk. En het was prachtig, al mocht donna Elvira wel iets minder schel schreeuwen (ligt wellicht aan ons oudere, gevoelige oor). We keken elkaar af en toe genietend aan. Soms met één wenkbrauw iets gekromd, vanwege de obsessieve verhouding die de man van de trommels met zijn muziekinstrumenten had. Een fantasie over hoe hij de zaken thuis even gecontroleerd regelde, ontspon zich in ons hoofd.

‘Dat hebben we goed verzonnen!’ sprak zij van Frans na afloop, en ik knikte, want meer hoefde niet gezegd. Het meisje van de jassen pakte onze spullen en we verlieten cultureel voldaan, maar uitermate hongerig theater De Spiegel. ‘Een broodje döner zou er wel ingaan,’ mompelde ik en zij van Frans haakte er gretig op in. Maar ja. In plaats van toegeven aan deze ongezonde ingeving reden we braaf naar het flatje van ex-collega A., die onze krakerige lijven verstandiger verwende met vers vruchtensap en even heerlijk neerzijgen op de bank.

...en toen thuis nog maar een bakje noedels, omdat de roep om döner nog niet helemaal gestild was...

…en toen thuis nog maar een bakje noedels, omdat de roep om een warme hap nog niet helemaal verstild was…

Modderen en deurdoen

Om twaalf uur was ze bij mij, collega W. Klaar voor de Aalden Rondomme, en daar waren we allebei toch een beetje verwonderd over. Een paar maanden geleden hadden we geen van tweeën gedacht om zó te gaan lopen. Een paar weken terug leek 6,5 kilometer een brug of wat te ver. ‘En we hebben geen van tweeën gezeurd of gedacht aan afzeggen!’ voegde W. nog toe en ik beaamde. Best trots.

‘Niet hardlopend naar de start!’ Dat hadden we bij een eerder loopje wèl gedaan en dat was niet goed bevallen. We wandelden dus, de hele 1.7 kilometer naar de start. ‘Goede opwarming,’ spraken we als profs. We zwaaiden er wat bij met onze armen en huppelden een keer naar voren en opzij. Intussen begon de regen zachtjes, maar gestaag, te vallen. Het secretariaat gaf ons chips voor op de schoen en nummers voor op de borst. We rekten en strekten en ik checkte buienradar.nl, waar ik van schrok. Bril af, want er zitten geen ruitenwissers op.

Het werd nat. Erg nat. Een aantal stukken leek door een kudde dolle paarden omgewoeld. Daar moest het voorzichtig, zodat de schoenen niet in de modder bleven steken. Bij het twee-kilometerbord dacht ik: nóg twee? Pás twee. De wind liet de druppels als hagel voelen. Over een open stuk hing ik in een hoek van 45 graden in de wind. W. en ik vielen elkaar na de finish kleddernat, hijgend en grijnzend in de armen. ‘Wat een ènd!’ sprak W. en ik knikte. Het was niet of we er al helemaal waren. Als atleten. Zeg maar.

Vanmorgen appte ik W. Dat ik niet veel korte loopjes had gezien voor de komende tijd, maar wel een wedstrijd van 8 kilometer, twee maanden van nu. Dat dat misschien wel lukken zou. W. appte terug dat we eerst eens die 6,5 moesten bestendigen. Harder lopen, zodat we niet wéér in die achterhoede belanden. En daarná…wie weet. En natuurlijk heeft ze hartstikke gelijk en natuurlijk sta ik dit jaar nog op geen enkel podium en, heel eerlijk, zal me dát ook ernstig roesten.

Maar ergens fluistert een heel zacht stemmetje dat 8 kilometer wel heel stoer zou zijn en een heel klein duiveltje heeft dat ene wedstrijdje stiekem alvast toch in mijn agenda gezet…

...nog genoeg energie om iets van een grijns te produceren...

…nog genoeg energie om iets van een grijns te produceren…

Over mosterd en maaltijden

Het stond niet op mijn ‘bucket list’, maar het gebeurde toch: een nieuw, piepklein baantje bij de buren van de school diep in Drenthe. Vier uurtjes Nederlands kwamen vrij en ik had nog ruimte en collega M. en M. (niet te verwarren met M & M) sloten mij in en vroegen met hun liefste stemmetjes of ik misschien dan? En ik zei ‘ja’, want tegen zoveel liefheid kan ik nooit op.

Ik zou nog informatie krijgen en iets van een overdracht en misschien nog heel wat andere zaken. Maar ja. De praktijk is weerbarstig en zeker de praktijk zo vlak voor de kerstvakantie. Ik had een boek, ik wist een klas en ik was ook al op de hoogte van de plek waar ik mocht onderwijzen: tweede verdieping, ergens helemaal achteraan. In een toetswijzer vond ik een schrijftoets in de derde week.

En daar stond ik vanmorgen, ‘bij de buren’, waar de sleutel van mijn eigen lokaal niet paste. Er was thee. Er werden handen geschud. Verhalen gedeeld. Om half negen opende een nieuwe collega mijn nieuwe lokaal. Knalrode vloerbedekking, heel veel tafeltjes en een digiboard dat ik nog niet kende. Negentwintig kleine koppies traden binnen, gingen zitten, pakten hun boek en wachtten zwijgend af.

‘We gaan schrijven! Volgende week is de toets!’ ‘Euh…’ deed een meisje achterin. Die toets hadden ze al gehad. Voor de vakantie.’ Heel even schoot ik terug in de tijd van de stages bij coach S. en coach J. Die vergaten nog weleens wat ik zou doen, waardoor ik à l’improviste maar iets anders bracht. ‘We zijn bij 3.4, mevrouw,’ zei een jongetje vooraan en we begonnen. Bij 3.4. De klas vertelde me over alles waar ik nog niets van snapte. Wat ze doen in een mavo-brugklas. Dat ze heel veel lezen. Dat ik geen mobiel hoefde te gebruiken; er hing aan de muur een klok.

Aan het eind van het blokuur stapte een teamleider binnen. Hij had me rond willen leiden en iets van een overdracht geven en wat informatie. En zo. Me voorstellen aan de klas. ‘Maar…’ Ja. Ik was maar alvast begonnen. Hij nam me mee toen de bel ging en stelde me voor aan de collega’s met wie ik de thee al had gedeeld. ‘Dit is B. Ze vervangt R. Voor vier uur. En ze vindt het nú al leuk!’

(En toen kreeg ik andere sleutels. En informatie. En….en…en… Ik voelde me een heuse stagiaire. Maar dan één die inmiddels dikke lol kan hebben om zoiets als een vette valse start.)

Janosh weet nooit wat hij moet, maar het lijkt niet of hem dat ook maar iets interesseert...

Janosh weet nooit wat hij moet, maar het lijkt niet of hem dat ook maar iets interesseert…

 

Een emmer vol

En alweer werd ik geïnspireerd door zij van daar. Ze heeft op haar blog een ‘bucket list’ geplaatst en ze kwam daar onlangs op terug. De bucket list werd aan één kant een stukje korter, en aan de andere kant langer. Ik bedacht dat je -uiteraard- nooit kunt weten hoe een jaar loopt. Het verrast je waar je bij staat (terwijl je andere plannen maakt, jawel). Toch. Laat ik eens gek doen. Mijn emmertje met wilde plannen hier eens presenteren. En dan aan het einde van het jaar (Deo Volente, zeg maar) eens kiek’n wat het werd.

Op één staan álle Groene Wissels van Drenthe.  We moeten nog een stuk of 22 van deze bijzondere wandelingen lopen, willen we alles gehad hebben. Tricky aspect in dezen is dat de maker van de Groene Wissels er stiekem steeds een paar bij fabriekt. Zo krijgen we de boel nooit afgevinkt. Maar vooruit. We doen ons best. Mocht het lukken, dan gaan we verder met het volgende puntje op de lijst: de Knapzakroutes. In Drenthe zijn er 62 en allemaal moeten ze even mooi zijn. We’ll see.

Een heel andere wens hebben collega W. en ik vandaag in vastere vorm gegoten. In december liepen we 5 kilometer (min of meer hard) tijdens de Oosterboscross in Klazienaveen en we eindigden op de laatste en een-na-laatste plaats. Hmpf. Een carrière als hardloper zat er voor ons als vrouwen van zekere leeftijd zeker niet meer in, maar gek genoeg bleken we ons een paar weken later toch ingeschreven te hebben voor de Aalden Rondomme. 6.5 kilometer, ditmaal. Geen idee hoe dat moet aflopen, maar om op de zaken vooruit te lopen: aan het eind van dit jaar lopen collega W. en ik de tien kilometer. Zo.

En ja. Dan is er de wens om in mijn eentje met een rugzak weer eens een poosje door het land te zwerven. Tentje, gaspitje, schildersetje. Ik wil Noorwegen weer zien. Minstens één keer Buitenkunst. Gitaar leren spelen. Me inschrijven voor een nieuwe opleiding. Nieuwe kozijnen regelen en een nieuwe keuken. Die kussens met hertjes en koolmeesjes eindelijk borduren (en eerst bestellen). De bollen in de grond! Stroop- en andere tochten met vrienden en familie. Veganistisch (kunnen) koken.

Wat? Wat zegt u? De emmer loopt bijkans een pietsie over?

Hm. Ja. Dan zullen we ons door die laatste druppel maar weer gewoon laten verrassen….

Oh ja. En ik wil nog héél veel kruidkoek bakken van mix van de Radewijkse molen!

Oh ja. En ik wil nog héél veel kruidkoek bakken van mix van de Radewijkse molen!