Zweeds zweten

Hij moest een topmatras hebben. Een nieuw dekbed. Hoesje erbij. En toen ik vroeg of er nóg meer wensen waren, kwam er nog ‘een bureaustoel’ bij. Het klinkt alsof iemand hier een zeer verwend wensenlijstje opdreunde, maar niks is minder waar. Zijn matras is te dun, zijn dekbed een oud exemplaar van onszelf, de enige logische hoes had mijn oma nog op haar bed gehad en dat lieve mens is al 27 jaar dood. En nee, ze kocht niets van hoge kwaliteit, want dat geld had ze eenvoudigweg niet.

Die bureaustoel? Tsja. De vorige kwam van de kringloop en die had ik eigenhandig tijdens de verhuizing in de container gemikt. En als we dan tóch gingen, kon ik dan ook nog iets van boekenkasten halen? Hoe kan ik de man ooit iets weigeren. Dus daar gingen we. Met lijst. En NIET naar Zwolle. In Zwolle was er nèt één geopend. Een collega ging erheen en kwam onverrichter zake terug. Niet eens binnen geweest. Zó druk. Zwaar ademend stelde ik jongste gerust: het zou in Groningen wel gaan.

En dat was natuurlijk zo. Al moest ik op een reuzenafstand parkeren. Al was het binnen met grote regelmaat ook filesjouwen. Ik hoorde de kiezen van jongste naast me kraken. Ik vreesde zelf voor het werkend blijven van mijn deodorant, terwijl ik hoezen en dekbedden selecteerde en twijfelde tussen Billy, Ivar en Hejne. Jongste draaide rondjes op bureaustoelen, keek bedenkelijk naar prijskaartjes en toen naar mij. ‘Whatever’, gebaarde ik. Inladen die hap.

Omdat het lunchtijd was, besloten we onze elasticiteit nog een stukje verder te beproeven en sloten aan in een rij in het restaurant. We keken naar de mensen om ons heen, omdat dat nu eenmaal een fijne bezigheid is, en ik vroeg me af of dit mensen werkelijk kon vermaken. We spraken over de stad E., die we al druk genoeg vonden. Over ‘middles of nowhere’ en hutjes op de hei, die veruit onze voorkeur hadden.

Al bij al, viel alles mee. Alles paste in het Renaultje, wat een fijn gelukje was. En ondanks de regen en de wegwerkzaamheden op de weg die ik niet had moeten nemen, waren we ook nog bijtijds thuis. Missie geslaagd. Al blijft er ook na thuiskomst in het Drentse paradijs altijd nog één Ikea-strijd over…

...het spul moet nog wel even in elkaar...

…het spul moet nog wel even in elkaar…

Nabranden vanaf het vasteland

‘Dan komen er vast een boel stukjes!’ zei collega E. tijdens de studiedag die we de donderdag voor de vakantie hadden. Ik vertelde over mijn plannen om naar een eiland te vertrekken en daar enorm te gaan genieten. Maar stukjes? Nee. En nee, dat ligt niet aan het feit dat ik niets had willen schrijven. Ik heb simpelweg geen mobiel waarmee ik dat kan doen. Foto’s op Facebook. Daar moest u het mee doen. Laptop mee? Nee!

Nee. Ik vertrek een paar keer per jaar met rugzak of rolkoffer in min of meer bepaalde richting. Ik prop een paar goede boeken en een wandelkaart tussen mijn kleren, en weg ermee. Met mij. Zodat ik in mijn eentje dat andere tempo weer hervinden kan. Dat gaat van ‘drieteenstrandloperstand’ (Google daar maar eens op…) naar de snelheid die een zeehond op kan brengen op het strand.

Van opstaan voor de vogels wakker worden naar bijna verslapen voor de boot naar huis. Van een strakke regie en volgorde in het smeren van ontbijt, naar twee uur sloom doen over ei en multisap. Nog eens staren naar buiten. Nog een paar bladzijdes in dat boek. Een berichtje zenden, en nog één. Een rondje zwalken op het strand. Een broodje, in slow motion gekocht en nog langzamer gegeten.

Ik huurde geen fiets. Ik vrees dat ik niet meer dan een paar vierkante kilometer heb bestreken in vijf dagen. Ik miste er veel. En tegelijkertijd ook helemaal niks. Dat lapje belopen grond was immers vól met wandelpaden, zandstrand, verborgen ruimtes voor gevechtsvliegtuigen in een dennenbos. Musea met chagrijnige kassiers die het weinig deren zou, leek het, of je nu wel of niet betaalde. Musea waar ik mezelf een uurtje of wat verloor.

Het was lekker. Het was weinig en veel tegelijk.

Vertragend paadje naar de zee...

Vertragend paadje naar de zee…

(En lang genoeg weg, vond Jimmy…die zo’n beetje de enige leek die die adhd’er om zich heen had gemist…)

Reli op de radar

De toppers on air...

De toppers on air…

We reisden naar de radio vanmorgen. Voorzitter en secretaris van Gospelgroep Marturia, een ervaren lid en het allernieuwste lid: ik. We zouden een leuk uurtje vol kletsen: over het plezier in zingen, dat zo voorop staat. Over de liedjes, die inhoud hebben, maar vooral lekker swingen. Over het warme welkom dat nieuwe leden te wachten staat. Vooral sopranen wacht een rode loper en een warm bad.

We kwamen binnen en deden giebelig, als uitgelaten pubers. Tot de presentatrice aan haar voorbereiding begon. Er moest iets in over de geschiedenis van het koor, en kon de secretaris vertellen over zang tijdens erediensten? En die twee liedjes, die zo veel betekenis hadden. Dat je jezelf vond in het geloof, zei dat ene lied. Het andere: dat Jezus terug zou keren en alle doden weer zouden herrijzen. Dat Hij alles goed zou maken en alles opnieuw weer begon. Kon ik daar meer over vertellen, over het verband dat daar bestond?

‘Euh…’ begon ik, en ik probeerde mijn wenkbrauwen terug te krijgen naar de plaats waar ze hoorden. Vóór op mijn hoofd. Boven mijn ogen. Het werd ook naast me erg stil. ‘Ik denk dat ik daar te kort voor bij het koor ben,’ mompelde ik wat dommig, en de presentatrice knikte. ‘Er kunnen maar twee mensen bij mij in de studio zitten,’ zei ze toen. Ervaren lid A. en ik keken elkaar aan met nauwelijks merkbaar schuddende hoofden. Wij bleven wel zitten op die hoekbank, bij de technici, buiten gehoor.

De voorzitter en secretaris kweten zich aanvankelijk nerveus maar gaandeweg steeds professioneler van hun toegeschoven taak. A. en ik staken intussen duimen op en lazen en stuurden app’jes in de groep van het koor. ‘Wat een beroerde opnames!’ mopperde een techneut over de door ons gestuurde liedjes, en ik knarste met mijn tanden. ‘Klinkt best goed!’ zeiden A. en ik tegen elkaar en we liepen een veilig eindje richting koffie-apparaat.

Het uurtje vloog om. De presentatrice bedankte ons voor de aanwezigheid en zei dat de radio nog mensen zocht. Was het niet iets voor mij, zo’n baantje bij de religieuze uren? Ik knikte, een beetje vaag en perste mijn lippen beleefd op elkaar. ‘Praise the Lord!’ riep de voorzitter op de terugweg. ‘Hallelujah!’ was het antwoord van A. en mij. Het was een bijzondere ochtend en een ervaring van formaat. En het is natuurlijk omdat ik al zo veel werk heb, maar anders…

Lootjes uit de loterij

Of ik naar het toneel kwam, werd een poosje geleden gevraagd. Toegegeven, er werd ook gevraagd of ik BIJ het toneel kwam, maar daarover moet ik nog wel een knap aantal nachtjes slapen. Náár het toneel dan. En daarop was het antwoord volmondig ‘ja’. Niks leukers op een landerige zaterdagavond dan lachen om een blijspel in drie delen. Met verloting tussendoor en alles om de hoek van waar ik nu woon.

Of ik het wel leuk had gevonden, werd vandaag gevraagd, en daar had ik op geknikt, want ja, het was met tijden huilen van het lachen. Of ik het wel verstáán had, en ja, ook dat had ik bevestigd. En nee, ik kreeg een volgende keer geen lootjes meer. Waar ik ooit bij een toneeluitvoering van ex-collega S. in een naburig dorp vier prijzen mee naar huis had genomen en me daarvoor al schaamde, sleepte ik er nu zès mee naar huis. Gelukkig had ik de man mee om voor me te sjouwen.

Er werd vanmiddag, tijdens een extra ingelaste repetitie van het koor, waar drie toneelspelers zongen, nog smakelijk om gelachen. Dat was náást die bedreiging. Om de balans weer goed te krijgen, moest ik toch ècht BIJ dat toneel, maar ja, die nachtjes slapen waren nog niet allemaal geweest. We zongen onze liedjes voor volgende week, voor als we ‘op de radio’ komen. Ik hield bij één liedje mijn mond, omdat dat slimmer was. De meeste zong ik intussen redelijk mee.

We aten er samen, van meegebrachte waren, en het was vast nog steeds vanwege de monsterwinst aan lootjesprijzen dat de grappen over de door mij gekookte vega-snert niet ontbraken. Ik mompelde iets van ‘snertvent’, maar dan hardop, en grijnsde daarbij superbreed. Hij grijnsde breed terug en bood me liefjes een gehaktbal aan. Ik werd er wat stilletjes van (héél even, hoor…)…van dat eten en dat lachen met die mensen die ik zo kort nog maar ken. Met wie het zo goed toeven is, ook naast het zingen en naast het toneel.

Dat leven. In dit dorp. Dat misschien wel een van de mooiste lootjes is, die ik in de laatste jaren trok.

...goede lootjes...goed voor een keukenweegschaal, vetbolletjes, waxinelichtje, olielampje, windlichtje, slabestek, en een overheerlijke krentenwegge...

…goede lootjes…goed voor een keukenweegschaal, vetbolletjes, waxinelichtje, olielampje, windlichtje, slabestek, en een overheerlijke krentenwegge…

Een kapster tegen een fobie

Ik heb een fobie. Die betreft het kappersgilde. Op het moment dat ik een kappersstoel bestijg, stijgt mijn gewoonlijk gevaarlijk lage bloeddruk tot gezonde hoogte. Mijn hart klopt vele malen sneller en bij mijn rechteroog ontstaat een psychotisch spastisch trekje. Ik klem mijn handen om de leuning van de stoel en hoop dat de kapperscape gewoon iets te strak om mijn nek wordt geknoopt, zodat ik te weinig zuurstof heb om een misdaad jegens de knipper te begaan.

Mijn haren hebben zorg nodig en vooral die peperdure crème en dan dat zoete schuimpje ná. Ze ziet heus wel dat ik zelf aan mijn haar heb zitten kloten. Een kleurtje voor dat grijs, en jawèl, wat boller en ronder staat wèl bij mijn gezicht. Ik knars het glazuur van mijn kiezen als de hele gemeenschap voorbijkomt uit de mond van wie mijn haren knipt. Dus ja. Ik vatte op zeker moment het heft in eigen handen: de tondeuse werd mijn vriend en mijn haar was jaren superkort.

Het was nu nóg zo geweest, als ex-collega S. niet zo vaak had gemopperd dat ik iets aan mijn pottenkapsel moest doen. En hoewel ik natuurlijk niet gevoelig voor zijn opmerkingen wilde zijn, capituleerde ik toch en belandde bij háár. En alles wat een kapper in mijn memorie deed of zei, deed en zei zij niet. Zij knipte mijn haar in de coupe die ik wenste. Ze kletste over vakanties, maakte grappen over de vele van mij en vond dat ik in mijn haren moest smeren wat ik wou. Het enige wat niet meer mocht, was met die tondeuse over mijn hoofd jagen. Als het ècht moest, zou zij het doen.

En toen ging ik dus verhuizen en stond mijn wereld op een wonderlijke manier op zijn kop. Ik witte en vezelde, ruimde en timmerde, bouwde een nieuwe sociale wereld. En mijn haar…het groeide voort, evenals de fobie die al die jaren in een stil hoekje had liggen zeuren. Ik had de tondeuse al bijna in mijn hand, toen ik belde. En ik reed een uurtje, op mijn gemakje binnendoor. Een paar uurtjes later reed ik weer terug.

Minstens een aantal kilo lichter.

...en omdat ik toch in de buurt was, dronk ik in het oude dorpje een kopje koffie bij een vriend en haalde uiteraard snel krentenbollen en hoevebrood bij de fijnste bakker van Noordwest-Overijssel

…en omdat ik toch in de buurt was, maakte ik er win-win-win van en dronk in het oude dorpje een kopje koffie bij een vriend en haalde krentenbollen en hoevebrood bij de fijnste bakker van Noordwest-Overijssel