Geen krenterig ommetje

Vorige week was er de Rode Kruis Bloesemtocht in de Betuwe. Bejubeld door Broer en dus liep ik ‘m ook een keer. In file over kronkelende dijkjes en door pittoreske dorpjes met sprookjesachtige namen als Rumpt, Beesd en Rhenoy. Mooi. Zeker. Maar ook erg druk, dus. En voor mijn middelmatig getrainde voeten was de gekozen 25 kilometer nèt iets te ver. Deze week werd het dus 20 kilometer. De Krentenbloesemtocht in Dwingeloo. Collega T. liep er de 30. Het begon wat miezerig, maar de temperatuur was perfect en de route wonderschoon. Op veel stukken zag ik enkel het groen van de bomen en het grijs van de lucht. Zo rustig.

‘Heb je zin om samen verder te lopen?’ vroeg T., toen we elkaar bij de controlepost in het Theehuis Anserdennen toch nog onverwacht ontmoetten. Ja. Dat had ik wel. We gespten de rugzakken nog even wat beter op hun plek en vervolgden de weg, terwijl we enthousiast ervaringen uitwisselden over de kilometers die achter ons lagen. Of het daardoor is gekomen, we zullen het nooit weten…maar op enig moment stonden we op een kruising zonder aanwijzing. ‘Wat gek,’ merkte T. op, ‘normaal zou hier toch een pijltje moeten hangen.’

Het hing er niet. Verderop hing er eentje van de oranje route. 30 kilometer. Ik wees, en we liepen verder, schouderophalend. Op het moment dat ik zag dat een weg naar rechts geen klinkerpad was, terwijl de routebeschrijving vertelde dat dat wel zo moest zijn, stelde T. me gerust. ‘Deze route wordt al ruim vijftig jaar gelopen. Dat pad is er niet meer.’ Ik verwonderde me nog wel over het feit dat er nergens meer gele pijltjes (20 km) hingen. ‘Weet je zeker dat je deze weg nog niet hebt gelopen, vandaag?’ T. wist het zeker.

Tot we een kilometer verder waren en we voor een moment onze uitwisseling van verhalen staakten. ‘Hé,’ zei T. en hij keek naar links, naar rechts. Naar het nummer van een pijltje op een lantaarnpaal. Het kwam hem ineens toch erg bekend voor. Het rode huisje aan de rechterkant, het watertje links. Het parkeerterrein waar we ‘zeker weten’ rechts moesten. En dan opnieuw langs die controlepost. En dan wèl die snelle afslag naar rechts. En dat we nu vast de laatsten waren. En dat hier nu vast een verhaaltje van zou komen. En ik knikte. Omdat dat een ding was, dat zeker was…

Niet dat het nou een omgeving was waar je voor je verdriet anderhalf uur langer sjokte dan de bedoeling was...

Niet dat het nou een omgeving was waar je voor je verdriet anderhalf uur langer sjokte dan de bedoeling was…

De zwaarte van een poezenbestaan

Het was nog vroeg, toen we bij de kleine dierenartsenpraktijk een eindje verderop aankwamen. “Ik geef even door dat jullie er zijn”, zei de assistente. “Alhoewel…de dierenarts heeft jullie vast al gehoord.” Ze knikte in de richting van Mickey, die aanhoudend klaaglijk en op heftig variërende toon miauwde.

Even later droegen we vier boxen met huisdieren de spreekkamer binnen. De dierenarts stelde zich aan de man voor, omdat ze hem nog niet eerder had gezien, en begon toen aan de inspectie van het luidruchtigste dier. Hij had een hartruisje. Of wij dat wisten. Niet dat ze er iets aan zou kunnen doen, maar… We knikten twee keer. Ze begon te jubelen toen ze Edje zag, het konijntje met de grootste en mooiste baard. Stofje kreeg een waarschuwing tegen te veel zonnen en Willem was toch wel een beetje eigenwijs.

En toen mocht Janosh. Het kon een broertje zijn van Mickey, vond de dierenarts, al was Janosh wel wat stiller. Relaxter. En. Euh. Groter. Dat ook. “Hm, hm,” deden de man en ik en we keken een beetje naar de punten van onze schoenen. “Zes kilo!” klonk het beschuldigend en Janosh keek er zelfs wat droevig bij. “Hij was nog zwaarder.” zei ik zacht, waarop de dierenarts in het boekje van onze vriendelijke grote rode bladerde. “Maar hij was een vorige keer 5 kilo.” Het bleef even stil.

“Oh.” mompelden we toen. En we namen een peperdure zak dieetvoer mee naar huis en we beloofden hem minder te verwennen. Een kilo moet eraf. Dat worden zware tijden…

He's not fat. He's fluffy!

He’s not fat. He’s fluffy!

Een stinkend zaakje

“Het ruikt hier vreemd’, sprak jongste op een avond. De man en ik keken hem wat sceptisch aan. ‘Het zal je bovenlip wel zijn,’ antwoordde de man en we namen nog een koekje. ‘Hmpf’, deed jongste, ‘het ruikt anders aardig naar poep.’ Hij trok zijn neus op en keek er superlelijk bij. Het werd een ritueel dat zich avond aan avond herhaalde. De man en ik gingen er eerst door zuchten, toen door grommen, en uiteindelijk zetten we de ramen wat langer per dag open.

Het hielp niet. Volgens jongste, en gaandeweg ook volgens de man en mijzelf, werd de lucht in huis steeds zwaarder. ‘Het moet iets in huis zijn,’ spraken we serieus en we snuffelden elk hoekje en gat aan de Wendakker af. ‘Het is de kat!’ riepen we uiteindelijk al jubelend, want lijken in de kast lagen er niet in dit pand uit ’81 en in de buurt van Jimmy hing een aardige damp.

We wisselden en wasten het kussentje en het dekentje van de oude kater, maar de stank wilde niet wijken. We gingen de bank en het vloerkleed te lijf met speciale shampoo, dweilden de vloer extra hard, wasten de ramen. Zelfs de planten moesten met zijn allen in bad. ‘Als er nu nog iemand een neus optrekt, is het omdat hij niet tegen frisse lucht kan’, sneerden we vermoeid en zegen neer op onze schone bank.

Aan mijn rechterkant lag Jimmy, en op zijn adem na, rook alles naar tevredenheid. Op de vensterbank ronkte Janosh tussen de frisse planten. Naast de man zat jongste, zijn neus in een stand van geluk. Mickey nestelde zich dik en prettig tussen de heren in. ‘Nee!’ riep jongste. ‘Hè!’ trok man een lelijk gezicht. Daar wás die lucht weer. De dikke rood-witte trok zijn kop in een platte-pet-stand. ‘Jij!’ wees de man. ‘Mickey!’ wees jongste.

Hij had zich blijkbaar net weer lekker omgerold in een tuintje in de buurt. Voorzien van koeienmest.

Hij wordt er zelf af en toe ook niet goed van...

Hij wordt er zelf af en toe ook niet goed van…

Over omleidingen en ontmoetingen in het wild

Die eerste omleiding was er eentje die niet per se hoefde van onszelf. We reden vóór ex-collega S. uit, die Drenthe ook verlaten moest, en dat was niet zo handig. Als hij nou meteen was weggereden van huis, en niet eerst had gecontroleerd of zijn achterlichten het deden, dan hadden we àchter hem gereden en hadden we op tijd gezien hoe hij een sluiproute richting Hoogeveen nam (en hadden we ons de stremming verderop weer herinnerd). Afijn. Extra rondje rondom Pesse dan maar.

Bij de tandarts in Giethoorn deden we vooral rondjes in kamer 1, kamer 2, weer terug naar kamer 1. En intussen een beetje bakkeleien over het feit dat we niet elektrisch poetsen. Ik mompelde iets van ‘geen overbodige elektrische apparaten in huis’, wat een mooie visie is, natuurlijk, maar heel eerlijk ben ik gewoon te lui om elektrisch poetsmateriaal aan te schaffen en dan ook nog te onderhouden.

En toen moesten we weer naar huis, want er moest nog zoveel gedaan, maar als we nou eerst eens bij de Hema…en daar kwamen we kapster Tamara tegen met haar wolkje van een kind en ik dook haar van enthousiasme om de hals. Na de Hema deden we een omleidinkje Welkoop, met die goedlachse verkoper, waardoor je haast terug zou verhuizen, maar dan hadden we die vijverplantjes misschien wel helemaal niet meer nodig.

Nog een spijkerbroek, een fotolijstje, twee boeken en een soepkom scoren via die volgende omleiding, langs de Kringloopwinkel. En moesten we nog iets bij Bever? Nee. Maar toch. De man stopte een slaapzak in de tas en een lichtgewicht stoeltje. Voor mij. Voor als ik in mijn eentje op sjouw ging en weer last van omleidingen kreeg, zodat ik zomaar ergens moest blijven slapen. En we lunchten bij De Rechter. Waar we nog nooit zo vaak gegeten hebben als sinds we niet meer wonen in Steenwijkerwold.

Ik zag er bekende gezichten, van de school zonder C. en maakte een praatje dat natuurlijk te kort was, maar genoeglijk en zo fijn. En op de terugweg wist ik dondersgoed dat er nog steeds een omleiding bij Pesse was, maar u raadt precies waar ik langs ging. Nu we toch zo lekker bezig waren…

Nee. De omleiding bracht ons niet zo erg in de war dat we deze theepot aanschaften...

Nee. De omleiding bracht ons niet zo erg in de war dat we deze theepot aanschaften…

Het vreselijkste examen ooit

Nee. Natuurlijk was het niet handig om naar het oosten van Drenthe te verhuizen, terwijl jongste nog ergens in Friesland op school zat. Maar. Hij was al flink bezig met rijlessen en vlak voordat we de sleutels van het huurhuisje in Steenwijkerwold zouden inleveren, zou hij examen doen. Hartstikke goed gepland, vonden wij zelf. Tot jongste die eerste keer zakte. Helemaal niet bijzonder, want er zakken volgens mij meer mensen tijdens de eerste keer, waaronder ikzelf, maar het was wel jammer.

Maar goed. Die tweede keer zou wel lukken. Dan moest hij nog maar even met bus en trein. Gelukkig was zijn stage dichter in de buurt van onze nieuwe stek en die ene dag in de week naar Leeuwarden, dat moest nog wel kunnen. We taxieden hem beurtelings naar Beilen voor het eerste stuk op die maandagen en duimden intussen alvast maar voor het tweede examen. En het derde. En het vierde.

Vooral bij die laatste keer zakte mijn hart in mijn schoenen tijdens het binnenkomende sms’je. Het kan iedereen gebeuren, maar ik wilde niet dat het mijn kind overkwam. Ik herinner me nog goed de keren dat ik zelf zakte. De wanhoop tijdens de lessen, als de instructeur maar weer eens meldde dat mijn stuurvastheid niet geweldig was. Die intense jaloezie jegens de zómaar rijdende mensch. De waanzinnige opluchting toen ik het felbegeerde papiertje na de derde keer tóch haalde.

Hij ging voor een vijfde keer op. Een verlengd examen. Geen idee hoe lang het zou duren. Ik wist alleen wanneer hij begon. Het duurde uren, voor mijn gevoel. Ik dronk met collega P. nóg maar een koffie. Luisterde amper naar zijn verhalen (sorry, P.) en keek schichtig om de drie seconden op mijn mobiel. Wreef honderdduizend keer mijn natte handen droog. Schrok me een hoedje toen de beltoon klonk.

‘Ik weet eigenlijk niet hoe ik het moet zeggen..’ begon hij aan de andere kant, en aan de mijne zagen collega’s hoe de tranen in mijn ogen sprongen. Hij hoefde niets te zeggen. Ik had het al gehoord aan zijn stem. Het was 1 april. En ‘s avonds aten we appeltaart.

Tsja...die ben ik binnenkort kwijt, ben ik bang...

Tsja…die ben ik binnenkort kwijt, ben ik bang…