Het regelloze van de mensch

Gisteren waren we in de stad. Ik durf niet te zeggen: ‘Grote Stad’, om het dorpse dat in dit meisje huist, niet al te zeer te benadrukken. Als ik een flat zie van méér dan drie verdiepingen hoog, of net iets te veel straatjes dicht op elkaar, dan vind ik het ten slotte al stads genoeg om in voorkomende gevallen liefst te vluchten. Naar het bos, ja.

Jongste en ik, we hebben vanuit het appartement van oudste en vriendin menige blik naar buiten geworpen, vanuit de serre (die dan weer net een dorpse kinderboerderij leek met loslopende konijnen en nieuwsgierige poezen, waarvoor hulde!)… En tussen het gezamenlijke zuchten over de geneugten van groen en dorp, vermaakten we ons met verwondering over heer en verkeer.

Tegen één keer een goed genomen bocht, stond minstens vijftien keer een handeling die de naam ‘bocht’ niet eens verdiende. Gele strepen tegen een stoeprand betekenen er ‘Hier parkeren!’, want anders konden we het niet verklaren. En verkeersdeelnemers beschikken allemaal over ingebouwde anti-bots-sensoren. Kan niet anders. We hebben geen ambulance gezien en niemand, werkelijk niemand, keek vóór het oversteken in een richting waaruit overig verkeer zou kunnen verschijnen.

‘Als je hier boetes uit zou mogen delen…’ mompelde ik. ‘…dan was je binnen een kwartier rijk.’ Jongste schudde nog maar een keertje ongelovig het hoofd. Hij zou echt nooit, maar dan ook nooit in een stad willen wonen. Hoe leuk cultureel het er ook is. Iets waarbij ik me van harte aansloot. Iets met druk en vol en iets te weinig koeien, en, en…

Ik dacht aan die ene keer in dat pukkeltje van een dorp in het schone Overijssel. Ik stond er bij de bakker. De deur ging open. Een ietwat verfomfaaide jongeman keek naar binnen. Van wie die Opel op de straat misschien was. Een dame van een jaar of zestig keek verstoord op. ‘Die is van mij.’ De man glimlachte opgelucht. ‘Kunt u hem wegzetten, want ik kan er met de vrachtwagen niet door.’ Maar nee. Dat kon de dame niet. ‘Je wacht maar even. Ik was hier eerst.’

Dus of de verkeerslessen in het dorp dan wèl beter zijn geland?

(Er wonen iets minder eigenwijze mensen…omdat er simpelweg veel minder mensen zíjn…)

Beetje jammer dat de offerfeesten al zo'n beetje voorbij waren...

Beetje jammer dat de offerfeesten al zo’n beetje voorbij waren…

Broodnodig terug

Gisteren was ik weer even in de Kop van Overijssel. Daar waar de luchten weidser zijn, het uitzicht verder gaat. Het is het water. Soms verbaas ik me erover: geboren op het smalste stukje tussen twee Scheldes en dan, met iedere verhuizing, steeds verder van het water vandaan. Tsja. Er is niets te verklaren; het is zoals het ging, maar het betekent niet dat ik minder van het water houd. Integendeel.

Ik ging niet voor mijn verdriet weg uit de waterrijke Kop, met Wieden en Weerribben, dat moge intussen duidelijk zijn. We hebben er twintig jaren gewoond en hadden er nog gewoond als we niet ineens hadden gedacht dat het nog weer anders kon. Dat die wens om ‘ooit’, ‘misschien’, ‘wellicht’ een huis te kopen en dan ‘misschien’, ‘wellicht’ in Drenthe, iets sneller dan ‘ooit’ uit kon komen.

Maar vooruit. Voor het sentiment de boventoon weer gaat voeren en u met een doekje het scherm weer moet reinigen…het was fijn om er weer even te zijn. Even weer over vakanties ouwehoeren met Tamara in Zuidveen, een stief uurtje rondneuzen in de Kringloopwinkel in Tuk, omdat ze daar altijd nèt weer andere dingen hebben dan in Emmen of Hoogeveen. En dan óók nog even kijken bij de bakker op ‘t Wold. Misschien dat er nog…

…en er was nog: hoevebrood. Zuurdesembrood. En die krentenbollen die nergens anders zo zijn.

“Ik vind ze wel een reden om wekelijks even terug te gaan,” sprak de man met volle mond.

Ik vond dat overdrijven ook een vak was.

Lekkernijen om voor om te rijden...

Lekkernijen om voor om te rijden…

(Misschien binnenkort een leuke wandeling daar of zo…als de bakker er ook open is…)

Daar zie je niets van

Het gaat nog wel even door, met die drukte op de school diep in Drenthe. Nieuwe materialen en nieuwe middelen. Nieuwe ideeën uit nieuwe teams en die vegen als nieuwe bezems… Euh. Nou. Ze végen, maar het stof vliegt vooralsnog alle kanten uit en ik mopper over alles waar ik eigenlijk geen tijd voor heb en misschien wel geen tijd voor wil hebben.

‘Ik weet niet of we alle uren die we als docent zouden moeten maken, ook daadwerkelijk máken, hoor,’ zegt Chef en ze perst het laatste melkpak leeg. Het vuur dat in mij oplaait zou een leger in de as kunnen leggen, maar gelukkig zijn het alleen Chef en ik nog, in de koffiekamer. En Chef spaar ik. Altijd. Omdat ze, als het nodig is, het gelijk in het midden kan leggen: precies waar het hoort. (Al knuppelt ze soms onbedoeld eerst een hoenderhok aan gort, maar vooruit…)

‘Misschien moet ik vanavond niet gaan zingen’, opper ik tegen collega A. Mijn stem is niet best, vanwege een koutje en een iets te fijn feestje waar de rock ‘n roll de boventoon voerde, tot net iets te laat. Ik moet nog e-mails sturen, notulen uitwerken, een toets in elkaar flansen, ouders bellen. In gedachten tel ik de taakjes die ik in de vrijgekomen uren zou kunnen doen.

‘Niet doen!’ zegt A. dan. ‘Er is niemand die het merkt.’ Ik kijk op. A., die zo fel klinkt. A., die mij vertelt dat ik wel degelijk de leuke dingen moet blijven doen? ‘Hoezo?’ vraag ik dan, want ik weet niet precies wat hij bedoelt en wie er dan niks merkt. Hij draait zich om van zijn stapel serieuze papieren. ‘Niemand valt het op als jij een avond geen leuke dingen doet. Ook al verricht je nog zoveel werk.’

En ik ga zingen. Ook al brengen de hoge noten mijn stem in een bijzonder bereik en loop ik licht zigzaggend door mijn ene glas wijn na afloop weer naar huis. Ik slaap net iets te weinig uren en loop ‘s morgens net iets minder hard. Ik pak mijn tas in en denk aan alle komende uren. Genieten van de cultuurklas, hard aan het werk met havo 3. De ‘dolle 31 van mavo 2’ en stagiaire L. die zo heerlijk kan doceren.

Er is wel degelijk iemand die het opvalt.

Er is wel degelijk iemand die iets merkt.

Het is er maar eentje.

En dat is meer dan genoeg.

Gelukkig merken maar weinig mensen hoe ik huiswaarts zwenk...het is dan ook al aardig donker 's avonds...

Gelukkig merken maar weinig mensen hoe ik huiswaarts zwenk…het is dan ook al aardig donker ‘s avonds…

 

‘t Giet zoals het giet

Bijna twee weken zijn om. Twee weken waarin ik niets schreef. Niet dat het niet kriebelde. Of nou, nee, toch niet zo. Het kriebelde anders. Het kriebelde juist omgekeerd. Alsof ik niet moest schrijven. Juist niet. Omdat alles van waarde zo weerloos wordt, juist daar, op internet.

Hoe schrijf ik over de liefde, die groot is en almaar groter wordt. Nog steeds en opnieuw. Wanneer ik toezie, hoe hij de katten voert en zachtjes vloekt bij het bijna struikelen over staarten. Wanneer hij boven zijn bureau een kaart ophangt van het mooiste schilderij aller tijden. Hoe ik daardoor als was ben, maar hij zal me nooit als was boetseren.

Hoe schrijf ik over koorlid W., van wie we deze week afscheid hebben genomen. Ik ben langs zijn stille lichaam gelopen, ik heb gekeken, en nog eens, en nog kon ik niet geloven dat we nooit, maar dan ook nooit meer met elkaar zouden zingen. We zongen voor hem, met dichtgeknepen strotten, en we wisten best hoe het zat, maar het weten is iets anders dan het voelen. Ik ben er nog niet uit.

Hoe schrijf ik over al die jonge mensen die ik mee mag maken, van zo dichtbij, en die me tot waanzin zouden kunnen brengen met hun puberale gedrag, maar dat desondanks nooit doen. Het zijn ontroering en verwondering die de boventoon voeren. Een slappe lach vanachter een gezicht in de plooi. Een knipoog bij een gestolen zoen die jij net zag…

Kortom.

Het is een tijd waarin ik een groter watje ben dan ik mijn lezers toewens. Waarin het sentiment van het scherm zou druipen, als ik mezelf toe zou staan alles in woorden te vatten. Het wordt tijd voor haperende stroomvoorzieningen, leerlingen die zich in mijn auto boren (oh wacht, dat hebben we al eens gehad), zakkende dakgoten en scheurende spijkerbroeken in een gezelschap van formaat.

En anders misschien een wc-deur die met een breekijzer open moet…

…of zo…

...

Ja hoor, ook over een boom kan ik als een slap watje oreren. Past u maar op!