Motiveren is te leren

En…de vakantie is weer voorbij. Nu had ik uiteraard het plan om stiekem wat aan de arbeid te gaan, maar die neiging trok na een dag of twee gelukkig weg. Wandelen, fietsen, lezen, films kijken (waarvan het absolute dieptepunt ‘Children of the Corn – Genesis’ was, maar ja, als je niks meer hebt om over te zeuren…)…nog meer wandelen…het was een fijne week. Die nu al lang en breed weer ergens in het geheugen ligt. Onder het stof. Zo gaat dat in het onderwijs bij mij.

Ik werk op twee locaties. Om er even een kreet tussendoor te gooien. Dit om te voorkomen dat de collega’s van locatie O. ineens in de stress schieten omdat ze menen een studiemiddag te hebben gemist. Die was vanmiddag namelijk op locatie B.: een fijne, kleine mavo-locatie met een enthousiast team en leuke leerlingen die me iedere donderdag en vrijdag weer week maken van binnen. Die leerlingen, hè, die leerlingen. Niet dat er ineens een vreemd beeld ontstaat op B. en ik in zijn geheel word teruggebonjourd naar O. Waar het overigens ook leuk is, maar dan weer heel anders.

Enfin.

Studiemiddag. Het heette officieel iets van ‘collegiale huppeldepup’, waarbij je mocht kiezen uit drie ‘lezingen/workshops’ met ieder een interessant thema. Vond je niks interessant, dan mocht je opteren voor mogelijkheid vier, die inhield dat je met je niet-geïnteresseerde dondertje zelf iets mocht organiseren wat je dan wèl interessant vond. Briljante vondst. Vinnik. Maar ik, ik koos voor ‘motiveren van leerlingen’. Door H. Die ik graag hoor praten, want hij heeft een prettige stem, dus als het dan toch niet heel leuk zou zijn…maar ik dwaal af.

Motiveren. Als mentor van een derde klas vol hormonen en overige interesses (studie not included) leek het me geen kwaad daar meer over te leren. En dat deed ik. Niet moeilijk, want H. paste een van zijn eigen regels ruimhartig toe. Humor, moet er in de les, en als dat niet ‘vanzelf’ gaat, dan zoek je leuke tekstjes voor in je Powerpoint: ‘Pastoor op non actief’. Gemotiveerd sloeg ik het belang van het koppelteken op in mijn post-vakantiebrein. Je mocht ook gerust een mop tappen of iets geks vertellen over jezelf. Tot zover ging het bij mij dus best goed tijdens de les.

Ik leerde dat er bij mij nog wel winst gehaald kan worden uit de voorbereiding van de les. Daar zou ik nog wel iets uit de dagelijkse praktijk bij kunnen voegen, al was die non-actieve pastoor wellicht iets teveel van het goede in de eerste klas. Ik zou ook nog meer de hand in eigen boezem kunnen steken, kunnen kijken naar hoe mijn gedrag de leerling zou kunnen helpen zichzelf te motiveren. En H. vertelde ook iets over huiswerk. Dat het demotiverend is om leerlingen te straffen voor niet-gemaakt huiswerk, als je zelf hun toetsen nog niet nagekeken hebt.

Ik bedacht dat ik door het afschaffen van de aangekondigde huiswerkcontrole van morgen, ineens tijd over zou houden voor een stukje extra uitleg.

Ook zelfinzicht werkt ineens heel motiverend.

Partijtje meppen met collega's werkt ook motiverend. Echt waar.

Partijtje meppen met collega’s werkt ook motiverend. Echt waar. Maar dat was weer een andere keer. En meppen mag dan weer niet naar leerlingen. Heel apart.

Lopen zonder leesbril

‘Lopen zonder leesbril is het allermooist’, schreef oud-collega T. vorige week. Het was na een wandeling waarbij ik de routebeschrijving had vergeten mee te nemen, en ik op mijn smartphone (die eerder een domfoon is, maar dat terzijde) de kleine lettertjes niet kon lezen. De man en ik, we besloten er maar een radeloos rondje van te maken, en zo kwam alles nog goed.

Collega T. (niet te verwarren met oud-collega T.) en ik bespraken vorige week de nog in aantocht zijnde herfstvakantie. En of er nog wat te wandelen was. Hij wandelt graag bewegwijzerde routes, want zo hoeft hij minder op te letten. (Hoe dat toch nog uit kan pakken, kunt u hier lezen…) Mij lijkt het ook wel wat, maar ik houd het ook weer graag erg rustig. Iets met ‘één wandeling, maximaal twee lopers’, zoiets. Maar toch…

‘Als je zo’n georganiseerde tocht loopt, dan hoef je niet naar je papier te turen’, bepleitte ik bij de man, die al helemaal een Einzelgänger in wandelzaken is. ‘Hm, hm’, deed hij en wachtte op wat komen zou. Bijna dertig jaar kennis van elkaar, dan krijg je dat. Ik haalde adem. Sprak van een tweedaagse tocht. Zonder leesbril. Hij keek over het randje van de zijne. En zei ja.

Maar omdat het nog niet zo ver was, en de man het afgelopen weekend ging moddercrossen met zijn 4WD en ik niet mee zou gaan, zou ik eerst een ander georganiseerd tochtje lopen. Twintig kilometer. Door prachtig bos- en heidegebied. Helemaal verzorgd en bepijld. Ik werd helemaal blij en rustig van het idee en vertrok zonder bril naar een dorpshuis in Drenthe voor de start.

‘Er worden helaas regelmatig routepijltjes gepikt’, begreep ik daar. Het zou dus wel heel erg verstandig zijn de beschreven route nauwkeurig te volgen. Opgesteld in 77 punten. Af te halen bij de tafel op de hoek.

Gelukkig was mijn arm lang genoeg om de regels ook zonder dat hippe neon-ding te lezen (want dat hippe neon-ding lag wederom thuis). Nu nog ruitenwissers op mijn gewone bril en ik heb nooit wensen meer...

Gelukkig was mijn arm lang genoeg om de regels ook zonder dat hippe neon-ding te lezen (want dat hippe neon-ding lag wederom thuis). Nu nog ruitenwissers op mijn gewone bril en ik heb nooit wensen meer…

Miss Simone en de onverwoestbare broodrooster

Ik heb het er weleens eerder over gehad, maar vooruit: sommige dingen uit een vroegere vriendschap zijn zo fijn, zo bijzonder, zo onvervalst en onvermoeibaar van invloed op de manier waarop ik nu leef, dat ik er misschien nog wel honderd keer over schrijf. Het kind met het badwater wegsmijten? U gaat het mij niet zien doen. Klaar. Wen d’r maar an.

Wanneer het was, dat weet ik niet meer. Het was vóór een van de vele keren dat ik op huis en haard van ex-collega (en vroegere vriend) S. zou passen. Iets met een schoolreis van hem en ik toch in de buurt aan het werk en toevallig gek op kippen en poes.

Er was iets met muziek. Dat ik maar moest zien wat ik zou draaien als ik daar toch was. En ik dacht: nou goed. Ik zal het wel zien. Tot ik de kasten opentrok en een hoeveelheid cd’s tevoorschijn zag komen die een Hoorn des Muziekovervloeds verlegen zou maken. Hoe moest ik daar in godsnaam iets uit kiezen? ‘Leg maar iets voor me klaar’, zei ik dus. En zo geschiedde.

Ik noem het nog steeds mijn eerste werkelijke kennismaking met Muziek. Met hoofdletter, ja. Er volgde een schier onvermoeibare muzikale ‘opvoeding’, zoals ik die noemde, maar zoals hij het nooit bedoelde. Het was van zijn kant simpelweg het delen van wat hij mooi vond en dat deed hij gul en overvloedig. En ik vrat het, hongerig als ik was. Alsof ik nooit eerder een deuntje hoorde.

En daar denk ik nog regelmatig aan. Glimlachend en met overlopend hart. Als ik het tostibrood uit de onverwoestbare broodrooster van zijn moeder laat springen en Miss Simone op twintig in de woonkamer heb staan.

Onvoorzichtig enthousiast

Docenten zijn, in gunstige gevallen, ook eeuwige studenten en ja, dat geldt ook voor mij. Al moet ik zeggen dat ik evengoed een eeuwige student zou zijn als ik géén docent zou zijn geworden, maar dat terzijde. De docent-student. Daar gaat het nu over. En die student vindt zichzelf regelmatig terug op min of meer verplichte congressen, seminars, cursussen of workshops.

Ik heb het niet op de doorsnee studiedagen. Verwend als ik ben, wil ik geen  ‘praatjes onder elkaar om ervaringen uit te wisselen’ en rollenspellen zorgen er ook al voor dat ik vaker dan gemiddeld naar de wc moet. Ooit belandde ik op een bijeenkomst waar de cursusleidster met pluchen vissen smeet. Veel heb ik van die dag niet onthouden. Die vissen, ja, en ex-collega S. die al snel naar het toilet moest en niet meer terugkeerde. Dat was een rotstreek, ja. Een beetje solidariteit had hem niet misstaan.

Anyway. De studiedag. Het kán wel. Zoals afgelopen woensdag. Geen rollenspelen, geen praatjes over ervaringen, geen vissen die in kleurige pluchen bogen over ons heen scheerden. Nee. Wèl goede koffie, lekkere koekjes, een fantastische lunch en theorie. Theorie! Theorie! Van 9.45 tot 16.15 uur schreed de ene na de andere bevlogen deskundige naar voren om ons in te wijden in de geheimen van het brein. Collega S., W. en ik vraten het als hongerige puppy’s en na afloop hadden we nog honger.

Ik bekeek ineens mijn jongens en mijn meisjes als een verzameling breinen in ontwikkeling. Ik begreep waarom de jongens in mijn ‘echte-jongens-klas’ elkaar voor iedere les even stevig aan moeten pakken en daarbij moeten schreeuwen als gorilla’s. Ik snapte ineens waarom de meisjes na het uiten van een dramatisch verhaal zonder oplossing en glimlachend het lokaal weer verlaten. Ik begreep ook dat ik minder een watje moet zijn, want dat puberende brein is soms simpelweg in alle windrichtingen Indisch doof.

‘Eigenlijk zou iedereen naar zo’n studiedag moeten gaan’, roep ik dan ook enthousiast tegen Chef, en ik zucht nog maar eens een keer van genoegen over de waardevolle dag die ik had. Ik ratel en ratel, en zie niet op tijd dat haar ene mondhoek net iets hoger trekt dan de andere. ‘Dus,’ zegt ze dan, ‘op de eerstvolgende teamvergadering heb jij een Powerpoint gemaakt en vertel je er alles over.’

Oh.

(Zouden er ook studiedagen in zwijgen zijn?)

Tijdens de lunch kan er niet veel misgaan...met volle mond praten is immers niet beleefd...

Tijdens de lunch kan er niet veel misgaan…met volle mond praten is immers niet beleefd…