Ondergronds

Tsja. Ik zou nu natuurlijk een heel epistel kunnen schrijven over het afgelopen warme weekendje Den Haag e.o. Ik zou het over de ‘vinklijst der vriendschap’ kunnen hebben, waarop vriendin R. en ik in ieder geval af konden vinken ‘NIET houden van ‘Hello’ van Adèle’ en ‘NIET willen rijden in rode auto’s’. Maar vriendschapsdingetjes blijven immer een particulier en niet te vatten ding. Vandaar dat ik er voor uwer gemak slechts één alinea aan wijd.

Nee. Dan de parkeergarage. Oeh! Ik ben GEK op parkeergarages. Hm. Nu ben ik vergeten om R. hierop te testen, maar mocht dát dan geen vinkje worden, soit. Ik geniet namelijk ook alleen héél erg van parkeergarages. De mooiste zijn die waarin je met je auto verdieping na verdieping als in een gigantische wokkel omhoogkruipt. Of omlaag. Die met weidse banen en piepende vloeren (jaha, ik weet wel dat de vloer niet piept, het zijn mijn banden….zucht).

Die van vorige week in Almelo, samen met collega H., was ook leuk. Ieniemienie-bochtjes en dikke drempels, een onbegrijpelijke kaartautomaat en een ingang die tevens uitgang bleek te zijn. Ik smulde ervan. Een wereld onder de wereld, waarin alles anders lijkt. En alles anders kan worden. Het ligt er maar net aan waarvoor je ergens parkeert. Je kunt er griezelen, maar ook zo heerlijk dromen.

De parkeergarage geeft mij, ook in vijf minuten, het gevoel op reis te zijn. Gewichtig parkeer ik in, behoedzaam stap ik uit. Waar zal ik nu eens heen? Als ik in Emmen in het diepe duik, is er naast die ondergrondse wereld nóg een droomwereld; uit de garage wandel je zo naar binnen bij de bieb. Een stukje verder is de wolwinkel. Ok, rechts de MediaMarkt, maar dat is het mooie van dromen: de ontkenning dat wat je liever niet ziet, bestaat.

Er klonken kerstliedjes in de parkeergarage. Het was tussen twee vergaderingen in. Nooit had ik even meer te wensen. Tot de volgende dag. Toen de bewoner van het Sinthuis, de buurman van de autoverzamelplaats, waarschijnlijk zijn groot ongenoegen had laten blijken. Mijn dromen wordt voorlopig dus nog even gestoord door Sinterklaas Kapoentje. Die niks gooit in mijn schoentje. Wat ik dan ook wel weer begrijp.

Weg kwijtraken? Niet mogelijk. In parkeergarage Westerstraat.

Weg kwijtraken? Niet mogelijk. In parkeergarage Westerstraat.

De cirkel is rond

1988. De man had een baantje in Zeeland gevonden, terwijl hij zelf in Noord-Brabant woonde. Hij besloot te verhuizen, maar verloor daarna bijna onmiddellijk zijn baan. Dat had kunnen leiden tot een terugkeer naar die Heimat, maar er stak een stok in zijn wielen en dat was ik. We keken elkaar aan en beseften dat er ergens geen ontkomen aan was. Binnen drie weken woonden we samen.

Na wat uitzendwerk begon de man aan zijn eerste klus in het werk dat hij tot op de dag van vandaag nog verricht. We moesten het plaatsje opzoeken op de kaart en we proefden de naam op onze tong. We lachten er om. Je zou er maar wonen. Em-mer-com-pas-cu-um. Mwaha. Ons weekendhuwelijk was geboren.

Er volgden meer klussen in het noorden, maar een huisje in Zeeland bleef onze basis. Mijn basis vooral. Met een baantje bij een zaadveredelaar en later de ene cursus na de andere. Tot we op een dag verhuisden. Naar dat noorden. Om binnen een paar weken te horen dat de man weer zou werken in het zuiden. Van Duitsland, om precies te zijn. En ik bedacht dat ik niet zou volgen. Ik volgde een studie. En nog één.

Ik werkte in Overijssel, waar we woonden, en later in Drenthe, een vies eindje weg. Uiteindelijk waagden we een grote stap, die we logischerwijs niet eerder namen: we kochten een huis, dicht bij mijn werk. De man werkte er inmiddels ook in de buurt en we werden bijna een doodgewoon gezin. Tot het verhaal weer een verhaal werd zoals we dat jarenlang kenden: werken waar je niet woont, wonen waar je niet werkt.

De man pakt na het weekend zijn tassen in. Sokken en ondergoed. Brood en Sandwich Spread. Een goed boek en zijn eigen gitaar (erg belangrijk dat dat die van hemzelf is, want mijn snaren zitten omgekeerd). Het verschil zit in de smartphone. In het appen, in plaats van bellen met kwartjes, vanuit een telefooncel. Ik blijf in het noorden. Hij zit in Zeeland. Het is een luizige cirkel, maar hij is blijkbaar toch rond.

Zeeland is mooi hoor, maar...euh...

Zeeland is mooi hoor, maar…euh…

Over kleine schroefjes en dubbel zicht

Mijn bril is oud. Heel oud. In brillentermen, dan. Ik bedoel: ik ben zelf veel ouder, en zó oud vind ik mezelf nu ook weer niet. (Al moet je daarover ook weer niet de mening van mijn leerlingen peilen, want volgens hen stam ik nog ergens uit de middeleeuwen.) Enfin. De bril. Uit 2007, geloof ik. Toen was-ie nog best hip. En hij voldeed.

Ik zie er nu niet zo veel extra meer mee, behalve dan iets minder dubbel. Van dichtbij is het nog hopelozer dan van veraf. Maar hey, daar heb ik dan wel een prachtige oplossing voor: in iedere denkbare hoek van de Wendakker zwerft wel een leesbril. En die klap ik er dan gewoon overheen. Al is dat dus blijkbaar ook al niet hip. Als ik de reacties uit de omgeving ‘lees’.

In de waanzinnige drukte van de afgelopen week dacht ik er weer even aan. Aan die opticien waar ik volgens de man en de mensheid nu toch echt eens heen moet. Het was ochtend en nog pikkedonker. In het vage licht van de versleten tl-buis onder het keukenblok zag ik ineens een stukje mist ontstaan, dat gevolgd werd door een helder gerinkel op de hobbelige laminaatvloer.

Ik dacht ‘oh nee!’ en vervolgens vlogen daar gedachten achteraan die ik hier in het openbaar niet kan herhalen. Waar was mijn reservebril? Ik had geen idee. Had ik nog een ijzerdraadje dan, want dat piepkleine schroefje, dat het rechterglas op zijn plek hield, was natuurlijk nooit meer terug te vinden. En was er wel een opticien open, vandaag? En had ik daar überhaupt wel tijd voor?

Met een zucht nam ik wat restte van mijn verongelukte bril van mijn hoofd en tuurde met mijn kippenogen naar het ontbrekende glas. Als er al een schroefje of een draadje was, hoe kreeg ik dat in godsnaam door de gaatjes die daar ergens moesten zijn? Verslagen hield ik het geheel onder het tl-licht. Zette mijn leesbril op. Zag tot mijn onmetelijke vreugde dat het nano-schroefje nog in één van de gaatjes stak. En in de keukenla lag het doosje mini-schroevendraaiers.

Misschien dat ik in de kerstvakantie weleens ga. Naar die opticien. Als het even uitkomt. Of zo.

De man vindt dat ik nu toch ècht om een nieuwe bril moet, maar...zo kan het toch prima?

De man vindt dat ik nu toch ècht om een nieuwe bril moet, maar…zo kan het toch prima?