Het winnen van een hoofdprijs

Hadden we een groter huis gekocht, als we een dikke prijs hadden gewonnen? Het was een vraag van jongste, een poosje terug. De man en ik keken elkaar even aan en schudden al snel ons hoofd. Nee. Dat hadden we niet gedaan. ‘Vrijstaand’, zei de man. Misschien dat wel. ‘Iets meer afgewerkt’, zei ik. Dat ook.

En verder dan? Stel dat we die 15 miljoen winnen, met ons halfje. Wat doen we dan? Het bleef even stil. ‘Ik zou voor mezelf beginnen, met hetzelfde werk,’ zei de man. ‘Ik zou iets minder uren werken, maar nog steeds voor de klas,’ zei ik. Wat meer aandacht voor de motor. Wat meer wandelen. Een uurtje of wat méér in de gitaar en in het zingen.

Jongste zweeg. De man en ik begonnen breed te grijnzen. ‘Eigenlijk, hè,’ begon ik, ‘eigenlijk willen we dus iets méér van dit, en iets minder van dat. Een beetje uitgebreider zus, iets minder uren zo.’ De man knikte. ‘Maar in principe verandert er dus geen ene jota.’ ‘Dus,’ sprak de man. Dus!’ zei ik.

Die hoofdprijs.

Die hebben we al lang en breed binnen.

...da's al een hoofdprijs, in de vroege ochtend zo'n ommetje kunnen maken...

…da’s al een hoofdprijs, in de vroege ochtend zo’n ommetje kunnen maken…

Christmas is here…

Ik had er wat moeite mee, dit jaar. Niet met alle kerstige sfeer op zich…ik bedoel: dat zat er wel in ná het tripje Kevelaer. Waar ik al nauwelijks op kon wachten. De kerstboel is op 6 december (keurig op tijd, alstublieft, dank u wel) van zolder gesjouwd en aan kasten en ramen bevestigd. Een boom, nee, die hebben we niet, maar dat compenseren we ruimschoots met groen aan de muur.

Maar toen. Ik had er ineens geen zin meer in. In kerstkaartjes schrijven. Aankomende kerstkaarten openen. Of ophangen. Ze bleven liggen in de hal. Ik sleepte me ‘s morgens uit bed en sleepte me gapend naar het werk. Vanuit het werk reed ik nog harder gapend terug naar huis, om aldaar op de bank te zakken. Dekentje, chocomelk (of koffie), slechte serie (of Dr. Phil) en verder helemaal niets. Wat niet zo handig was, want er moest nog zo veel. Maar goed.

Het zal de man zijn geweest, die ineens vijf dagen per week afwezig was en wiens werk nu op mijn bordje kwam. Met liefde gedaan, maar met slinkende inhoud van de batterij. Het zal het werk zijn geweest, waar intussen van alles gewoon ‘nog even voor de kerstvakantie’ samenpakte. Het zal mijzelf zijn geweest, die niet verkouden werd of grieperig, maar steeds nèt iets ertegenaan.

Het is nu dinsdag. De vakantie is al even begonnen. Het ergste gapen is voorbij. Het meegebrachte nakijkwerk gedaan. Ik schreef gisteren kaartjes en maakte een stapeltje enveloppen eindelijk open. Midden in de kerstcadeautjestroep, met rollen inpakpapier, plakband en een net niet knippende schaar, schrijf ik dit stukje. Ik heb er zin in. In de rest van de vakantie. In Kerstmis. Met alles wat daarbij hoort. Vanavond zingen. Morgen op sjouw. De rest van de cadeautjes inpakken. Bedenken wat ik eten zal.

En ergens verderop in de week dan nog eens kijken waar de stofzuiger staat.

...eindelijk uit de envelop gerist...

…eindelijk uit de envelop gerist…

De chaotische juf en haar systeemfout

De laatste weken voelt het soms alsof ik joggend op mijn tandvlees door het leven raas. Nu vind ik joggen niet zo’n ramp, anders zou ik het niet zo vaak vrijwillig doen, maar dat tandvlees… Awel. Even zitten is dus altijd welkom. En als dat ‘even zitten’ dan tijdens een reeks aaneengesloten oudergesprekken plaatsvindt…mwoah. Zitten is zitten.

De meeste ouders ken ik al wel van eerdere gesprekken of van de ouderavond aan het begin van het jaar, maar zelfs die beginnen na een aaneenschakeling van cijferbesprekingen een beetje op elkaar te lijken. Schichtig spiek ik tussen het handen schudden door op mijn lijstje om wie het nú weer gaat. Had deze leerling nu wèl of niet moeite met leesvaardigheid, of was dat de vorige, oh nee, dat was iets met dyslexie. Of niet?

Tegen het einde van de avond schudt een moeder me ferm de hand en noemt haar naam. Ik herinner me iets over een reisje met haar dochter naar Disneyland. ‘Hoe was het?’ vraag ik en ze vertelt enthousiast. Zo trots ben ik, dat ik dat nu net niet vergeten ben. Ik open Magister en moeder kijkt. En kijkt. Naar het scherm, en dan naar mij. Naar haar smartphone, waarop haar eigen systeem is geopend. Dan weer naar mij.

‘Tsja. Het gaat niet zo goed.’ bevestig ik wat ik in haar ogen zie. ‘Dat laatste s.o.’tje…leerwerk.’ Ik wijs op het laatste rode cijfer bij Nederlands. Het is niet de enige onvoldoende die er staat. ‘Zijn dat ècht haar cijfers?’ vraagt moeder en ik knik. Ze kijkt nogmaals op haar mobiel en laat mij die dan zien. Er staan óók wat onvoldoendes, maar lang niet zo veel als op mijn scherm.

‘En als mijn scherm nou eens klopt?’ vraagt ze, maar dat kan ik maar moeilijk geloven. Mijn Heilige Magister, dat heeft vast gelijk: kijk het fotootje van haar kind ernaast dan, maar ik wil het wel uitzoeken en dat zal ik zeker -morgen- doen. De conversatie herhaalt zich, en nog eens, want moeder kan het werkelijk en echt en eerlijk waar níet geloven.

En ik kijk, en ik haper, en ik zeg: ‘Wacht’, en ik log uit. En weer in. En ik open de cijferlijst van de leerling over wie het nu gaat. En ik zie ineens iets verschijnen wat vreselijk veel lijkt op de lijst in de handen van moeder. En een stukje verderop in het systeem staat die vorige lijst. Nu ineens met een ander fotootje. Van een leerling die ik een kwartier eerder al besproken had…

Mickey is er ook al van ondersteboven...

Mickey is er ook al van ondersteboven…

Geloof, hoop en ladingen kaarsjes

Ik raak de tel een beetje kwijt. Was het nu de vijfde, of de zesde keer, dat ik in het gezelschap van een heerschap op bedevaart ging naar Kevelaer? Zeker als je steeds dezelfde kerken, kapellen en kathedralen bezoekt, gaat het op den duur wat duizelen. Gelukkig blog ik, en doe ik aan Facebook, dus herinneringen die verhalen zijn geworden, kun je terughalen. Het was de zesde keer.

Drie keer met S., drie keer met de man. Volgens mij inmiddels ook drie keer met omwegen, en drie keer ‘in ene keer raak’. Zo ook gisteren. Ik had op vrijdag al goed de kaart bestudeerd, en alle wegnummers opgeschreven. Het zou me toch potdomme niet nóg een keer overkomen dat ik bij Duisburg moest keren. ‘Dat bord met afslag Kevelaer, dat stond er vorig jaar nog niet!’ mopperde de man. Maar ik knikte zachtjes van wèl, en deed de richtingaanwijzer aan.

We parkeerden de auto op de Antwerpener Platz, een plek die ik intussen wel dromen kan. Het bleek er kouder, in Duitsland, dan gedacht, dus we doken de eerste de beste Stube in. ‘Hey, hier was ik eerder,’ zei ik. Ik was de naam van het restaurantje vergeten, waar S. ooit alle stemmen deed verstommen. Ik ben ‘m nu ook weer vergeten. Zo niet de heerlijke wafel. Zo niet die aardige ober, met die net iets te harde stem en die enorme buik, waarmee hij zich behendig tussen de tafels schoof.

Ik stak een kaarsje op, en later nog een, en ik dacht aan de enorme pracht en praal in de basiliek. Hoeveel handen daaraan gewerkt hebben, hoeveel geld er in is gestoken en of dat dan beter besteed had kunnen worden. Of niet. Ik dacht aan het symbool van het kruis, dat voor zoveel mensen een symbool is van oorlogen, van verdrukking en verdriet. Ik bedacht dat het ook voor compassie kon staan. Voor het bedenken dat het altijd nog anders kan, ook al gaat het zo vaak mis.

Ik bedacht dat er zo verschrikkelijk veel schijnheiligheid bestaat in de wereld. Maar ook nog zo veel hoop. En ik bedacht dat al die kaarsjes die daar brandden, niet brandden omdat iemand daar iets lelijks mee wenst. En ik bedacht dat er aan alles een donkere kant zit, ook aan mij. Maar ik wil blijven hopen en geloven dat die andere kant steeds wint. Al is het maar een beetje. Omdat er zonder hoop en zonder geloof in het goede, bitter weinig nog te dragen valt.

In 2012 at ik in dit tentje ook al zo'n heerlijke wafel. Toen kreeg ik er een aanzoek bij. Nu niet, maar dat komt omdat ik al 'ja' had gezegd, natuurlijk...

In 2012 at ik in dit tentje ook al zo’n heerlijke wafel. Toen kreeg ik er een aanzoek bij. Nu niet, maar dat komt omdat ik al ‘ja’ had gezegd, natuurlijk…

Strak pak

Nee, nee, driewerf nee. Ik ben inderdaad geen queen of style. Ik heb een heleboel rokjes en jurkjes in mijn kast hangen die met vrijwel alles te combineren zijn. Voeg daarbij dikke panty’s in veilige kleuren, een stapel basic t-shirts van de HEMA en het beeld is compleet. Voor doordeweeks. In het weekend grijp ik één van mijn twee spijkerbroeken en de eerste de beste hoody.

Het wassen van kleding is bij mij dan ook niet zo ingewikkeld. Kleding in de trommel, waspoeder erbij, knop indrukken, wachten…in de droger ermee…klaar. Op wat kek ondergoed na, gaat alles lekker bij mekaar op hetzelfde programma. Ja. U heeft het goed. Ik heb niets van zijde, niets van wol, en vrijwel niets met kraaltjes, pailletten of nepdiamanten.

Het is overigens niet dat ik niet weet dat stomerijen bestaan, hoor. Mijn moeder heeft er zelfs ooit bij eentje gewerkt, en ik moest van één baas nogal eens met zijn pakken naar zo’n zaak, en weer terug. En zelfs ikzelf, had één pak dat ik er ooit heen bracht: mijn trouwpak. Zwart fluweel, een jasje en een broek met intussen weer ontzettend hippe wijde pijpen.

Ik kocht het setje aan het prille begin van 1990, van 500 afgeprijsd voor 250 gulden. Het fluweel was zo zacht als je van fluweel mocht verwachten, en de taille was voordelig in te snoeren. Handig, want ik had geen idee hoeveel er nog in te snoeren viel op de trouwdag zelf, een paar maanden later. Dat bleek overigens niet veel. In mijn magere lijf had oudste niet veel haast om uit te dijen. Ik bleef een sprietje met een gaatje extra in de riem.

Vorige week mocht het pak weer eens een keer uit de kast, meer dan 25 jaar na dato. Het paste precies, al had ik geen riem meer nodig. En de schouders leken nu iets meer op de schouders die ik zelf al had. Het werd een hit op het schoolfeest, met als thema ‘Black and White’. Ik ging er zowaar heftig en zwetend van dansen. Zozeer zelfs, dat ik vond dat het pak in de was moest. En ik vond dat ‘het’ eigenlijk wel moest kunnen. In de eigen masjien. En in de droger.

En dat was ook zo. Het kwam er zachter uit dan ooit tevoren. Het fluweel glansde alsof het gisteren gekocht was in dat kleine zaakje in dat nog kleinere dorp. Ook het maatje was net even kleiner. Als ik weer net zo’n sprietje word als ik op mijn trouwdag was, dan kan ik het misschien wel weer een keer aan…

Awel...één coole avond hebben we er dan toch mee gehad, op de oude dag....

Awel…één coole avond hebben we er dan toch mee gehad, op de oude dag….