De bieb als hoofdzaak

Deze week sloeg ik de laatste bladzijde om van een van de mooiste boeken die ik ooit las. ‘Kafka on the shore’ heet het en het is geschreven door een Japanner: Haruki Murakami. Volgens de achterflap gaat het over een jongen van 15 die van huis wegloopt, tegelijkertijd met een oudere man die naar zee reist, maar hoewel dat wáár is, gaat het over veel meer dan dat, zoals dat met de betere verhalen altijd het geval is.

Maar. Voor ik te veel afdwaal en een lyrisch betoog over de geneugten van lietratuur ga houden: in het boek speelde ‘de bibliotheek’ een rol van formaat. De bieb met boeken, en de private bieb van het leven, waarover de schrijver op zeker moment vertelt: ‘you’ll live forever in your own private library’. En zo is het, natuurlijk. Welke verhalen huizen in jouw persoonlijk archief? Zijn het vooral soaps, staan er ook thrillers op de plank, of verzamel je vooral sprookjes?

Maar ik dwaal weer af. Dus. Over de bibliotheek dan weer. Waar een van de hoofdpersonen dagenlang doorbrengt. Leest. Luncht. Leest. Uiteindelijk ook slaapt. Leest. Luncht. Leest. Dineert. Leest. En ik bedacht hoe heerlijk dat me leek. Om ‘s morgens een pracht van een bibliotheek binnen te lopen en dan, als een kind in een snoepwinkel, gretig graaiend langs de rekken gaan. En dan, de hele, landerige dagen lang, loungen met al die heerlijkheid onder mijn handen. Savoureren, woord na woord, bladzijde na bladzijde, verhaal na verhaal.

Misschien moest ik mijn vakantie zo eens doorbrengen! Tegelijkertijd weet ik dat mijn rusteloze natuur dit niet toelaten zal. Ik kan er wel van dromen,  maar na een paar uurtjes wil dit lijf en deze geest toch de paden weer op, de lanen weer in. Hoewel ik me met groots enthousiasme verliezen kan in verhalen, wil ik ook de wereld in die verhalen maakt.

En ik troost me. Op het moment dat de adhd in me zal verstommen, zal ik alleen nog lezen. Tot dan werk ik dan ook maar aan die àndere bieb, in mijn hoofd. Die sprookjes bevat en griezelverhalen. Meeslepende romans over de liefde, experimentele literatuur met zeven verschillende lagen. Reisverhalen van ver en vooral van dichtbij. En als ik die verhalen gemaakt heb, wil ik ook die weer verschillende keren herlezen.

Ooit zei een aanwaaiende leerling dat ik een heuse 'eigen bieb' had. Euh. Nou. Vooruit. Een beetje dan.

Ooit zei een aanwaaiende leerling dat ik een heuse ‘eigen bieb’ had. Euh. Nou. Vooruit. Een beetje dan.

De vloek van Valentijn

Ook al heb je er niks mee, je ontkomt er niet aan: Valentijnsdag. Op Facebook wordt volop gesmeten met valentijnswensen en valentijnsacties en valentijns-noem-het-maar-op. Mijn favoriete site op zondagochtend, postsecret.com, toont een rits valentijnsgeheimen en zelfs vriendin Mara vervalentijnde haar site thelifeofmara.blogspot.com met een foto van een zelfgebakken roze taart in hartvorm.

Begrijp me goed, het is niet dat ik die acties veroordeel. Op de een of andere manier ga ik er toch altijd vanuit dat ‘de mens’ het immer goed bedoelt (totdat hij met veel energie en inzet het tegendeel heeft bewezen, maar daar krijg je bij mij meestal wel een paar jaar voor…). Ik ga er dus vanuit dat eenieder die een valentijnswens uit, dat met alle liefde doet die hij of zij in zich heeft.

Edoch. Juist op zo’n dag wordt ook pijnlijk duidelijk dat Cupido nogal eens mis schiet. Dat er kaartjes vol met hartjes door moeders gestuurd werden, en niet door die ene dame van wie jij nu zo graag de liefde had gehad. Anonieme brieven gaan naar exen, geheime, foute liefdes of obsessief gevolgde wannahaves. Chocolaatjes komen bij de buurvrouw terecht, bij wie het gras zo mals lijkt, en intussen blijft het thuisfront rozengeur- en maneschijnvrij.

En dan bedenk ik hoe ontiegelijk veel onverdiende (want: waaraan?) mazzel ik zelf toch heb. Een mazzel die ik nooit in de toekomst plaats, want die kan per seconde verschillen. Een mazzel dus, die ik ‘tot-nu-toe’ had. Een liefde die zonder rozen is, behalve dan die zeven op mijn trouwdag. Ik ruik vaker konijnenpoep dan rozengeur, maneschijn zie ik amper, want we gaan meestal vroeg naar bed.

Maar dan. Dat roerige, gedeelde verleden. De halve woorden,  die hele zinnen zijn. De blikken die boekdelen spreken, de wens om voor eeuwig, en langer, en nog… Het weten, inmiddels, dat er weinig is wat we niet kunnen hebben. Weinig dat we niet van de ander verstaan. Het samen boos worden op de wereld. Samen lachen, het hardst nog om elkaar.

En zo wordt dit toch nog een soppig stukje, waarin ik mijn liefde alsnog op 14 februari verklaar. Het zal de vloek van Valentijn zijn. Stukje chocola dan maar?

Hier moesten we dan weer hard lachen om een toneelstuk, dat nog moest beginnen...tsja. ..

Hier moesten we dan weer hard lachen om een toneelstuk dat nog moest beginnen…tsja. ..


Op losse schroeven

Dinsdagmiddag, zesde uur. Met de leerlingen had ik vluchtig besproken wat er mis kon gaan bij het schrijven van een sollicitatiebrief en ik had een fijne vacature voor ze op het bord gezet. ‘Ga maar aan de slag’, zei ik, ‘mevrouw H. komt zo nog even bij jullie kijken.’ En ik ging. Naar huis. Omdat ik bedacht dat dat misschien niet meer zou gaan als ik zelfs nog maar een half uur zou wachten.

Met een lijf waaraan alles zeer deed en dat niets binnen wenste te houden, zat ik de volgende dag al vroeg op de bank. Op mijn telefoon googelde ik ‘overspannen’ en ‘symptomen’. Niet omdat ik dacht dat dat het was. Ondanks de stress die je per definitie ondergaat in het onderwijs, voel ik me de laatste jaren eerlijk gezegd opperbest, tot het net-iets-te-relaxte aan. Maar ja. Die pijn dan. En met een burnout in de achterzak blijft het toch opletten. Op zijn minst mijn hele leven lang.

Ik vond een hele rits aan symptomen, die ik stuk voor stuk zorgvuldig checkte. Geen zin meer in dingen? Ik loop óver van zin! Prikkelbaar? Neuh. Opvliegend? Neuh. In gedachten zag ik weer die driftbuien die aan mijn burnout van 2012 voorafgingen. De labiele buien, waarin ik niemand meer normaal verstond, de vele slapeloze nachten…nee, ook die laatste twee rode vlaggen hingen bij mij niet uit. Ik slaap als een roos (of os), al mochten het soms best wat meer uren zijn en ik ben slechts in voorkomende gevallen Oost-Indisch doof. Er was maar één symptoom dat er een beetje op leek: hoofdpijn. Tsja.

Niet overspannen, dus. Maar wel hoofdpijn. En het gevoel alsof er van alles op slot zat. Alsof ik niet meer open wilde. Laat staan vooruit. Met dat lijf. Dus ik belde vanmorgen een masseur. Of ik vandaag nog kon komen. Dat kon. En ik ging liggen. En ik haalde diep adem. En de tranen sprongen me op meerdere momenten in de ogen en dat was niet van ontroering. Of misschien toch, omdat er iemand aan mijn onwillige adhd-lijf werkte die exact wist wat ze deed. Ook al deed dat zeer.

‘Ik heb het idee dat ik helemaal uit elkaar gehaald ben…en daarna hebben ze alle onderdelen weer een beetje op zijn plek gezet’, appte ik Chef na afloop. En dat ik binnenkort weer zou gaan, om de laatste schroefjes goed aan te laten draaien. Behalve dat ene schroefje, dat standaard toch verkeerd om staat. Ze kon er wel mee leven, met dat ene schroefje. ‘Beter maar van niet dat iemand dat rechtgezet krijgt.’ Wie weet hoe ik er dan bij zou staan.

Het was het tweede opzienbare inzicht van deze losse-schroeven-dag.

Jimmy kijkt alsof het met sommige losse schroeven echt nooit meer goed zal komen, maar dat kan ook projectie zijn...

Jimmy kijkt alsof het met sommige losse schroeven echt nooit meer goed zal komen, maar dat kan ook projectie zijn…

De beer is los

Hoe we met elkaar in contact waren gekomen…ik moest er vanmiddag even flink het archief voor afstoffen. ‘Via je website!’ hielp de moeder van vriendin I. mij herinneren. Ohja. Moeder A. was via I. een keer op deze site terechtgekomen en ze was er meteen maar blijven hangen. Van een sitebezoek kwam een e-mailbezoek, en na die digitale ontmoetingen volgde vorig jaar een real life meeting, tot groots wederzijds genoegen.

We deden het vandaag over. I. en ik reden vanaf verschiĺlende bestemmingen naar Hengelo, waar ik nu dan ook vader H. zou ontmoeten. Hij vormde in zijn eentje een zwaaiend welkomstcomité met paraplu, bij het appartementencomplex dat ik -uiteraard- pas na een paar keer draaien, zoeken en bellen (met vader H.) kon vinden.

Zoals dat gaat met mensen uit het onderwijs, waartoe ook vader H. behoort, ging het gesprek al snel over de verwondering en verbijstering die je in die beroepsgroep dagelijks te verwerken krijgt. Daarnaast kregen kunst, literatuur en de liefde aandacht (en dat wat liefde lijkt, maar het misschien niet is.) Geloven, of juist niet, en waarin dan wel en waarom. Moeder A. toonde een dik bibliotheekboek van Knausgaard, waaruit massa’s markeringsbriefjes staken.’Nu moet ik het zelf wel kopen!’ En ik snapte dat.

We wandelden door de stad Hengelo, die veel te bieden heeft, maar dat op de slechtst mogelijke wijze etaleert. Fantastische architectuur tussen kale glazen etalages. Een pracht van een bibliotheek tussen grijze buren. Lekkere thee in een iets te hip café waar we geholpen werden door een iets te nurks wichtje in een iets te vies bloesje. ‘Misschien heeft ze wel een ingewikkelde soort psychologie gestudeerd en kan ze geen passende baan vinden,’ opperde vader H. Ik bedacht dat dat niet eens gek bedacht was.

We liepen langs een plein met kale, grijze tegels, waar de wind vrij spel had, net als de opgeschoten jeugd. Er stonden beren, met zilveren vis in de poten en dikke, blauwe druppelstenen aan de grond. ‘Leuk!’ vond ik. Vader H. viel voor het eerst die middag stil. Het bleek het eerste onderwerp te worden waarover we volstrekt geen overeenstemming zouden bereiken. Compromisloos waren de beren leuk of niet en dat was dat.

Ik moest er stiekem genietend enorm om lachen. Om die beren, om de discussie. Om de heerlijke dag met deze prachtige mensen, die ik zomaar cadeau kreeg.

‘De beer is los!’ concludeerde vader H.

Ik knikte. Ik zie ‘m met intens genoegen her en der een dansje doen.

Hengelo en water...Dat vonden we dan toch weer beide wat vreemd...

Hengelo en water…Dat vonden we dan toch weer beide wat vreemd…