Wandelen tegen donderbuien

Er was maar weinig beweging in te krijgen, in de man en mij. Hij kraakte en piepte, ik snotterde en zuchtte. We bekeken op vrijdagavond het weerbericht en konden steevast een grijns niet onderdrukken wanneer er een wolkje met wat druppels op ons scherm verscheen. ‘Dat wordt bankhangen!’ spraken we dan met hangende wenkbrauwen en intussen schikten we alvast kussens, katten en koffie in de gewenste stand.

Maar. Na een weekje waarin de bacillen nog even heftiger dan ooit in de aanval gingen, begon er langzaam weer wat zon aan de horizon te gloren. Er kwam iets minder zin in duf onder de dekens. Iets meer trek in frisse lucht. En actie. Wellicht iets verder dan de plaatselijke supermarkt of iets weidser dan de Aalden Rondomme.

We reden richting Oude Willem, waar ik in vrolijke verbijstering moeiteloos langs herberg ‘Het Volle Leven’ reed waar ik ooit drie kwartier naar zocht. Vooruit. Het was toen donker. Later ben ik er nog eens geweest, met oud-collega S., maar of ik het toen niet zo snel kon vinden, weet ik eerlijk gezegd niet meer. Het zal wel aan ons destijds oeverloos geouwehoer hebben gelegen. Wat ik nog wèl weet, is dat het eten goed was.

Maar ik dwaal af. We gingen er lopen. Ook al was het kleddernat. En de man mopperde dat zijn schoenen niet meer waterdicht waren. En ik jubelde dat die van mij geen druppel doorlieten. Echt een pré, zeker nadat ik met volle overtuiging midden in een sloot sprong. Eróver bleek een brug of wat te ver.

Toch bleek ook dat de pret niet te drukken en na afloop keken we alvast een week vooruit. Naar wanneer we opnieuw zouden gaan wandelen. Iets minder nat, dat wel. Maar minstens even mooi. Rond Gasteren, ‘ergens rechts van Assen’. Of was het links? Ik viel van mijn geloof en liet Google Maps mij leiden.

En we genoten. Van de uitzichten. Van de weer opgedane energie. Van de kadans, die ervoor zorgt dat alle kwalijke gedachten als sneeuw voor de zon verdwijnen. En dat was net op tijd. In de map ‘concepten’ stak al een paar dagen een kladblog over het fenomeen ‘klagen’. En hoewel een heuse blowsabella natuurlijk bekend is om haar onredelijke gedonder, vind ik persoonlijk dat we er nog wel even mee kunnen wachten…

...tsja, hier hielp geen huppelde meer aan...

…tsja, hier hielp geen huppeltje meer aan…

Dyslectisch reüniefeestje

Vandaag was het iets te fris, vonden we, om op twee wielen naar Ede te gaan. Collega H. parkeerde de motor dus onder onze carport en we stegen in mijn strak afgeveerde Renault, om daarmee een uurtje later nog strakker in de file bij Arnhem te belanden. Iets te laat meldden we ons bij de balie van de Nationale Dyslexie Conferentie en hingen onze jassen op. Vlak achter ons zag ik bekende gezichten. Ook te laat. Het werd een dikke omhelzing, drie nog dikkere zoenen, en grappen over collega H. die voor háár, oud-collega T. géén koffie zou regelen (tsja, en voor mij wel…).

We hielden de kaartjes met alle geboekte lezingen naast elkaar en zagen dat T. en ik in ieder geval géén lezingen deelden. ‘Alleen de lunch staat tegelijk gepland!’ Collega A., die met haar mee was, deelde er wel eentje met mij. ‘Gezellig.’ En op was het richting eerste lezing: voor mij iets met testen en resultaten, en wat we er eigenlijk mee moesten. Bij de tweede lezing trof ik een docent aardrijkskunde uit Zoetermeer, met wie ik sprak over waterdichte Nokia’s, Oost-Duitse bureaucratie en zorgcoördinatoren.

Er was lunch. Ik zocht H., maar vond een docente Nederlands uit Surhuisterveen, met wie ik binnen tien minuten had uitgewisseld hoe verschillend het er in een mensenleven aan toe kan gaan. Ik zocht opnieuw naar H., maar vond twee collega’s van mijn eigen school, van wie ik niet wist dat ze ook zouden gaan. Ik trof oud-collega T. weer, samen met A. Ik trok een stoel bij, at een peer en we spraken over oude en nieuwe tijden, collega’s die we lief vonden. Anderen misschien een beetje vreemd. Hoewel ook lief.

Collega H. zag ik in de gauwigheid nog even, op weg naar lezing 3. Daar sprak ik een dame die niet van katten hield, en al helemaal niet van poëzie. We doceren toch allebei hetzelfde vak (die link met die katten moet ik nog even overdenken…).  Bij lezing 4 schoof A. naast me aan. Ik vroeg naar haar vak, haar bezigheden, we spraken over weer een andere collega, die we beiden zo’n vakman vonden. Ik moest die beloofde date met hem nu toch echt een keer fixen.

Het werd vier uur, en H. en ik troffen elkaar wederom niet op het afgesproken punt. Mijn schuld, ik geef het toe. Ik pikte wat hapjes van schalen die voorbijkwamen en sloot aan in de rij voor een certificaat. Er werd op mijn schouder getikt en ik verwachtte een reprimande van H., maar in plaats daarvan begon ik maar weer met zoenen. Oud-collega E.! Jeetje! Waar was die de hele tijd geweest en had ze T. wel gezien en hoe ging het nou met haar, en, hoezo, naar het station. ‘Rijd maar met ons mee!’

En zo geschiedde. En de twee uur tot aan Meppel, waar we haar af zouden zetten, werden gevuld met zeeën aan verhalen. Over werk, over kinderen, over Drenthe, waar we beiden wonen. Over elkaar ook. En oh ja. Iets over vandaag. Over dyslexie. Iets met een conferentie. Waar we dan óók nog voor naar Ede waren afgereisd.

Iets met katten en associaties en woordenschat enzo...

Iets met katten en associaties en woordenschat enzo…