Ritmische verstoringen

Vakantie is een gek ding voor een docent. Ho. Wacht. Vooruit. Laat ik niet veralgemeniseren. Vakantie is een gek ding voor deze docent. Iets waar ik soms al vier weken van tevoren over begin te mekkeren. Twee weken van tevoren heftig naar begin te verlangen. Een dag van tevoren emotievol van ga dansen.

En dan. Dan word ik de allereerste dag gewoon om zes uur wakker en ik denk aan het werk dat ik nu eindelijk eens zou kunnen doen. Als ik nou eens een mooi schema maak, met kleurtjes en zo, en dan iedere dag wat doe. Nou. Dán ben ik ná de vakantie vast weer helemaal uitgerust.

Het is het gevaar van thuisblijven. Helemaal als je tijdens de eerste dagen de onweerstaanbare neiging krijgt op te ruimen en je werkkamer er ineens weer uitziet als een ruimte waarin je eventueel wel zou willen werken. De stapels toetsen en verslagen liggen er klaar in een versgekochte mand van de Action. Kant-en-klare werkstukken in een handzaam mapje op de nieuw-ingerichte laptop.

En potdomme. De afgelopen week vond ik mezelf iedere avond terug aan die tafel met die nette potjes met pennen en potloden, het achter uit de kast geviste bureaulampje dat het best nog deed, de hervonden leesbril en het slechte weer aan de andere kant van het raam.

En nee. Ik ben nog lang niet klaar. Het zal te maken hebben met de vele keren dat ik ‘even’ 2048 speelde. Of op Facebook zat. Nog een kopje koffie maakte. Bevroren restjes pizza opwarmde. Nog een e-mail schreef. Liedjes draaide van lang en nog langer geleden. Waardoor het later en nog later werd.

Vanmorgen was het kwart over tien toen ik wakker schrok. Net als eergisteren. Alsof het gisteren veel vroeger was. Het wordt tijd dat ik het nakijken staak. Zodat ik weer op tijd kan gaan slapen. En ruim op tijd -ik heb nog een week- het tij weer keren kan.

Janosh verstoort dan weer liever onze verbindingen...

Janosh verstoort dan weer liever onze verbindingen…

Over bergen en dozen en vijf zakjes Reckitt Blue

Jaren terug werkte ik als ZZP’er in de communicatie. Eén van mijn klanten fokte katten. Mooie katten. Grote katten. Katten die ik wel wilde, maar waarvoor in mijn budget geen plaats was. Met korting kon ik ooit wel een gemankeerd exemplaar bemachtigen, maar daarvoor heb ik wijselijk per e-mail bedankt. Want, nee. Ik kwam nooit bij de klant thuis. Tot die ene dag…

Mijn klant bleek een hoarder. Eentje die prima in hedendaagse tv-programma’s had gepast. Eentje waar de redactie echt haar tanden in had kunnen zetten, met fraaie televisie als resultaat. Niet alleen waren de puinhopen van een regelrechte horror-orde (erdoorheen klauteren deed men met gevaar voor eigen leven), maar de klant was daarnaast zeer welbespraakt en haast bizar intelligent.

Ik zou me dus niet direct schamen, mocht iemand mij een hoarder noemen. Het betekent immers niet meteen dat je een domme gans bent die nooit heeft leren opruimen. Je verzamelt hoogstens iets te veel in je bestaan. En, nou ja, dat kán dus uit de hand lopen. Big deal. Dat gebeurt bij mij ieder half jaar wel een keer. Bijna. Maar nooit helemaal.

In ons huis woont namelijk een ordegeneraal, en zijn wenkbrauwen rijzen al als ik iets te veel afwas in foute slagorde op het aanrecht heb staan. Mochten mijn gitaarboeken op de salontafel blijven slingeren, uren nadat ik de akkoorden C en G weer eens vruchteloos heb geoefend, dan kucht hij even. En als het echt te erg wordt, als er schoenen slingeren midden in de gang, of als er lege kopjes in de werkkamer staan, dan komt daar stemgeluid bij. En nee, ik kan daar niets van zeggen. Ik heb ‘m zelf opgevoed.

Dus ieder half jaar, voor het echt uit de hand loopt in de kasten (want daar kijkt de ordegeneraal nauwelijks naar), vóór de inhoud van de planken glijdt, bekijk ik met zijn blik mijn verzameldrift. Ik pak tassen en dozen, en werp die gevuld op de achterbank en in de kofferbak van de Renault. Bij Het Goed krijg ik van een glimlachend jongetje -‘Zó veel, mevrouw?’- twéé bonnetjes voor een kopje koffie. Weer thuis zet ik eindelijk mijn in de puinhopen hervonden favoriete leesbril weer op.

Er is nog maar één ding dat me dwarszit. Tijdens deze opruimronde heb ik nog steeds mijn afritsbroek niet gevonden. En ook de vijf zakjes Reckitt Blue bleven spoorloos. Over een half jaar een nieuwe ronde. Over een half jaar nieuwe kansen.

Hoera! (Al is het dan wel weer jammer dat deze foto zonder bril is genomen...)

Hoera!

Melk met nootjes

De weken vlak voor de meivakantie zijn immer weer ware op-je-tandvleesweken. En nee, dat geldt niet alleen voor docenten. Ook bij leerlingen beginnen de zwarte kringen rond de ogen zich scherper af te tekenen; het gapen wordt dieper en luider. De koek is bijna, bijna op.

Dus je houdt de moed erin. En dát doe je dan weer, omdat ieder alternatief onwenselijk is. Ouders willen hun kinderen straks toch echt heel, in één stuk, mee op vakantie. (Nou ja, daar ga ik toch vanuit.) Dus, je haalt een keer of wat extra adem in een uur, en een geintje kan er ook wel af, nu en dan. Alles, alles, voor de motivatie.

In havo 3 bevinden zich mijn allereigenste lieverdjes. Met petjes, studs, bomberjacks en afzakbroeken. Hoge hakken, naadloos opgebrachte foundation en wenkbrauwen in strakke, geometrische vormen die moeder natuur nooit bedacht. Zorg zit er in hun verschijnen. Zorg, zo moet gezegd, is er in overvloed voor elkaar. Nu dan nog een beetje zorg voor hun werk. En huiswerk.

“Haal nou eens een zeven!” roep je op een dag, terwijl je de handen weer uit het haar probeert te halen. “Krijg ik dan chocola?” is de gebeugelbekte repliek. Ja. Ze krijgen van mij chocola. Maar ik van hèn, als het cijfer lager is. Twee heren gaan de uitdaging aan en mijn eerste twee repen schuiven binnen. Ze zijn heerlijk, en genoeg voor een klein beetje troost en het hervatten van net genoeg moed.

Deze week begonnen we met betogen. We schrijven, haperende hanepoot na struikelende medeklinker, een recensie over het boek dat een week eerder moest worden gelezen voor een toets. Eén leerling kijkt me wat onzeker aan. Een blik die het slechte cijfer voor die toets verklaart: over een boek dat je niet hebt gelezen, kun je lastig een opdracht maken.

Ik zucht. “Jongens,” begin ik, “opdracht 1 en 2 van paragraaf 4.5 is huiswerk voor morgen. Maak het!” Over de rand van de bril waar ik inmiddels door vermoeidheid toch al weinig door zie, kijk ik de lieden aan. “En wie het niet gemaakt heeft, wil ik niet zien in de les.” Het is heel even stil. “Mevrouw,” vraagt leerling M. dan, zijn petje draaiend om zijn duim, de blik schuin vanonder zijn lange, blonde lok, “als ik mijn huiswerk niet heb, maar wèl chocola, mag ik dan wel in de les?”

“Natuurlijk!” reageer ik gul en onbezonnen. “Dan wel!”

Waarop van achter in de klas een koor vol vreugde roept:”Welke smaak, mevrouw?”

Eigenlijk vind ik de opbrengst wel wat magertjes.

Eigenlijk vind ik de opbrengst wel wat magertjes.

Dag Ed

‘En daarom heb ik dus geen huisdieren!’ De zin kwam uit de mond van collega E., toen we het hadden over mijn konijn dat ziek leek en het konijn van oudste dat stierf. Ik moest de afgelopen week een aantal keer aan de opmerking van E. denken. Ik dacht er bijvoorbeeld aan, toen ik in Edjes ogen een witte waas zag. Teken van ouderdom, maar…ook een teken van een ziekte die ik begon te vermoeden.

Ed met leeuwenmanen.

Ed met leeuwenmanen.

Ik dacht aan die opmerking, toen Edjes kopje scheef begon te hangen, en ik in de plasbakken een ontzettende puinhoop zag. Niks van gladde laag bodembedekker. Nee. Een groot rommeltje van omgewoelde snippers en plasjes op plaatsen waar plasjes niet hoorden te liggen.

Ed in haar kistje.

Ed in haar kistje.

Ik dacht er gek genoeg niet aan, toen ik afgelopen vrijdag bij de dierenarts was, die mijn vermoeden bevestigde en me medicijnen en goede raad meegaf. Het zou weer goedkomen, met goede zorgen, een beetje geluk, en veel, heel veel liefde, die gek genoeg niet alleen van ons leek te komen, maar ook van hokgenoten Willem en Stof.

Ed in winterjas, in de sneeuw.

Ed in winterjas, in de sneeuw.

Ik dacht er weer wel aan, gisterenavond, toen de goede zorgen niet genoeg leken te zijn. Vanmorgen wist ik dat zeker. Ed keek me met haar scheve kopje aan, kneep één oogje een beetje dicht. Als ik projecteren ga, vroeg ze me toen al om het tonen van wat stevigere moed dan ik tot dan toe getoond had.

In het zonnetje...

In het zonnetje…

Ik dacht er niet aan, toen ze vanmiddag op de tafel bij de dierenarts lag. Toen ik haar aaide, totdat haar ademhaling en haar hartje stopten. Gek genoeg dacht ik toen toch aan al die mooie momenten die we met haar hadden. Vanaf het moment dat ze, samen met haar broers en zus, als duveltjes uit een doosje uit ons gevonden moederkonijn verscheen. Tot nu, ruim zes jaar later.

Ed met Stof, haar grote liefde.

Ed met Stof, haar grote liefde.

Zoveel plezier om dat trotse, en een beetje stoute, karakter. Zoveel genietmomentjes als we háár zagen genieten. Zoveel moois. Inclusief de beslissing, die uiteraard nooit vanzelf komt, maar een beslissing is die wíj voor onze dieren kunnen nemen, en daardoor alleen al een zegen is.

Ed met Hippie, in 2010. Hippie is al een aantal jaar geleden overleden.

Ed met Hippie, in 2010. Hippie is al een aantal jaar geleden overleden.

Ik dacht er opnieuw aan, aan die opmerking van collega E. En ik dacht: ik snap het. Maar ook: het verdriet van het verliezen komt pas na de vreugde van het (be-)leven. Ik zou het niet willen missen. Zoals ik Ed niet had willen missen. En ieder raar beest dat ongetwijfeld nog ná haar komt.

Nieuwsgierige Ed, in de bak met hempa.

Nieuwsgierige Ed, in de bak met hempa.

Kikker in je bil

Ja. 1 april. En nu word je als docent natuurlijk sowieso regelmatig in het ootje genomen, maar op 1 april mag het een stuk opzichtiger, natuurlijk. Precies waar ik al op rekende, vanmorgen, dus ik checkte voor ik de deur naar mijn lokaal opende in ieder geval mijn veters.

‘Mevrouw, ik wil iets met u bespreken,’ begon leerling L.,’ maar dan wel graag op de gang.’ En natuurlijk kon dat, en vanzelfsprekend sloot ik de deur naar het lokaal weer en liet de overige jeugd van 2D even wachten op het vervolg van de les. L. intussen, verhaalde van een onbereikbare liefde, nee, hij wist haar naam niet, en ja, het was nu al twee weken zo. Over mijn schouder richting klas spiekend hakkelde hij verder. Ik knikte en zuchtte. Poeh, dat moest wel heftig zijn. ‘Ja,’ knikte L. ‘ja, nou, dat wilde ik even kwijt.’ En hij liet mij voorgaan, terug naar de klas.

Die gebarrikadeerd was. In drie minuten tijd. In het deurgat was een kunstige constructie gehangen van rood-wit lint. Op mijn computerscherm kleefden minstens dertig Post-It’s en mijn muis wilde nergens meer heen. Iets met een deskundig eronder geplakt papiertje. Ik keek de klas in en zag bijna dertig jonge koppies stralen.

‘Jongens en meiden,’ begon ik, ‘ik ben blij dat jullie in zo’n goed humeur zijn. Dat maakt de boodschap die ik moet brengen misschien minder erg.’ Ik zweeg. De klas hield de adem in. ‘Ik vrees namelijk, dat we de schrijftoets opnieuw moeten doen.’ Ik keek er erg treurig bij en vertelde hoe mijn computer gecrasht was, waardoor ik geen enkele toets meer had. ‘Nee!’ klonk het van links en ‘Huh?’ van rechts en daartussendoor vielen hardere woorden. Diverse kinnetjes hingen tot op de schoolbankrand.

Ik keek op mijn horloge. Bijna een kwartier van de les was al om. ‘Nou, als jullie dan snel even je tafels leegmaken en wat uit elkaar gaan zitten, dan redden we het misschien nog nèt in dit uur.’ De kleur trok hier en daar zichtbaar uit geschrokken gezichtjes. Leerling N. stak zijn vinger op. ‘Mevrouw, het is niet dat ik u niet geloof, hoor, want dat doe ik wel, maar, euh, het is wel erg toevallig dat dat vandáág gebeuren moet.’ Hij keek er wat onzeker bij.

En ik pakte mijn boek en zei:’Paragraaf 4.1! Fictie!’

En ik las voor. En zij maakten opdrachten. En over de toets, of 1 april, werd wijselijk niet meer gesproken…

Janosh werd ook gefopt. Hij kreeg helemaal geen worst.

Janosh werd ook gefopt. Hij kreeg helemaal geen worst.