Over halve lengtes en gemist gemis

Het was het argument waarmee de man mij uiteindelijk toch, en ineens gemakkelijk, óm kreeg. “Er is een zwembad op loopafstand!” Een buitenbad nog wel. Het was wat ik vreesde te gaan missen, als we weg zouden gaan uit Steenwijkerwold. Daar was het bad op fietsafstand. Evenveel minuten als ik nu lopen moet. Als ik langzaam sjok.

Dus ik ging om. We kochten, verhuisden en settelden. En nooit, nee nooit, keek ik verder dan het hek dat om het nieuwe zwembad heen stond. Ik zag een glijbaan. Ik zag een grasveldje en een fietsenrek. En een piepklein badje. In mijn opinie. Want oh my, wat was ik verwend, met mijn 50-meterbad met snelle baan, en dat voor net iets meer dan 40 euro per jaar.

Want dat was ook nog wat. Een abonnementje hier kost 60 euro in de voorverkoop, en 80 als je te laat bent, zoals ik. Dus ik hield het bij hardlopen en af en toe een duik in een meertje vlakbij. Het leven was goed, en Aalden leerde ik ook kennen zonder te zwemmen.

Zo leerde ik dat dit zwembad, met een grootte die ik als een verwende prinses beschimpte, slechts kon bestaan door de inzet van de bevolking. Dat er mensen waren die een abonnement kochten, puur voor de subsidiëring van dit kindervermaak. Bedrijven in de buurt (en van iets verder weg) leverden met de hulp van vele vrijwillig lassende handen, een prachtige pannakooi voor op het grasveldje erbij. Om het nog maar niet over de fair te hebben, eind april. Alles voor het zwembad.

Dus ik meldde me gisterenavond bij de kiosk, omdat ik ook best wilde helpen. En ach, als ik er toch ben, doe dan ook maar een abonnement. Ik schreef ‘m zelf en een andere nieuweling lamineerde ‘m en ik dacht: morgen misschien dan toch even zwemmen.

Vanmorgen viste ik mijn oude zwemtas tevoorschijn en wist ergens achter de hemdjes nog een badpak. Tien voor zeven verliet ik de Wendakker. Er hing nog wat nevel boven de velden en dauwdruppels versierden de planten langs de sloot. Ik zwaaide met mijn abonnementskaart, ging douchen en sprong in het bad. Laverend tussen de zwemmende dames en heren van Zweeloo en Aalden, bedacht ik wat voor rund ik was. Ik bedacht dat ik een jaar vol frisse baantjes had gemist en dat dat me niet meer moet gebeuren.

En ik bedacht dat ik het aantal baantjes in ieder geval wel in zou kunnen halen. In een bad dat twee keer zo klein is, is het aantal baantjes natuurlijk wel weer twee keer zo hoog.

7.00 uur. Da's fijn. Om nu van ze te verwachten dat ze het bad om half zes al opengooien, is misschien ook wel wat bizar.

7.00 uur. Da’s fijn. Om nu van ze te verwachten dat ze het bad om half zes al opengooien, is misschien ook wel wat bizar.

Buitenkunst met laagjes

Iedereen die tijdens het afgelopen pinksterweekend op dat ene groepskampeerterrein tussen Elp en Schoonloo bivakkeerde, zal het met me eens zijn: Buitenkunst Drenthe 2016 gaat de boeken in als een lang weekend met hindernissen. De eerste horde was de kou, waartegen overdag haast nog minder leek te doen dan ‘s nachts. Eenmaal in je slaapcabine was het niet zo moeilijk om slaapzak na deken na dekbed op elkaar te stapelen. Maar ja, loop daar overdag maar mee rond! (Niet dat er mensen waren die dat niet probeerden, overigens…)

De tweede horde was de regen. De verbinding met het internet is in de loop der jaren gelukkig verbeterd in de Drentse bossen, en zo werd buienradar.mobi regelmatig met bonzend hart geraadpleegd. ‘Over tien minuten een bui’, klonk het, en de piano werd met vereende krachten weer terug onder de bomen geduwd. Of we liepen daar zelf heen en de piano kreeg een zeil. Ik maakte er nieuwe vrienden, simpelweg doordat mijn paraplu zo weids was. Er passen met wat meten toch vier mensen onder.

Paraplu

Wordt het al droog?

Het was maar goed dat ik voor drie dagen zingen koos, want gitaarspelen of tekenen was me nooit gelukt. De kou kleurde mijn vingers wit en blauwgrijs; er was geen beweging in te krijgen. Dansen was leuk geweest, als een houten klaas, of bij het Ministry of Silly Walks. En toch. ‘Daar krijg je spijt van!’ zei coach J. afgelopen maandag, toen ik hem vertelde over het aanstaand kampeeravontuur. Maar spijt is het laatste wat ik had, en bovendien, zo denk ik eigenwijs, krijg je dát alleen van iets wat je níet doet, en kamperen deed ik wèl.

Vriend D. keurde het opgezette hotel goed...

Vriend D. keurde het opgezette hotel goed…

En ik zag vrienden, met wie het weer oeverloos ouwehoeren bleek. Ik trof oude bekenden en hun dochter, die elf jaar geleden mijn zoon daar het liefste vond (en omgekeerd). Elf jaar geleden! We spraken over nu en over de nieuwe relatie van de dochter, over nieuwe studies, over Pokon die hun zoon had gekregen en over onszelf en het plezier dat Buitenkunst ons gaf.

Ik noem het ‘buitenspelen voor volwassenen’, want iets anders dekt de lading niet, als iemand me vraagt wat Buitenkunst is. Ik rep over grenzen verleggen, maar alleen die hele leuke. Speelse technieken, waardoor je ineens een noot haalt die je eerder niet haalde. Boventonen, die je door resoneren via toiletdeuren en wastafels hervond. Ik zag ons tijdens die ene workshop door de ogen van een filmmaker: drie mannen met hun hoofd onder de kraan, heftig brommend van ‘Aaaaaaaaa….’ Twee vrouwen, zingend rondjes draaiend onder de uitgedrupte douche.

En ik besef dat ik het al helemaal niet meer over het weer heb. Helemaal niet over de kou. Ik realiseer me dat ‘we’ voor anderen de boeken ingaan als de bikkels, de helden van het pinksterweekend 2016. Maar voor onszelf zijn we zoals elk jaar de genieters van dat betere buitenspelen. Ergens in de bossen van diep en duister Drenthe. Zonder stroom. Zonder elektrische deken. Maar mèt een ontiegelijke hoeveelheid onbevroren lol.

Moeilijk kiezen...

Moeilijk kiezen…

Met coach J. door het Vledderse Veen

Diegenen die al een poosje meelezen, weten dat er maar twee stagebegeleiders ècht belangrijk voor mij waren tijdens de lerarenopleiding: coach S. (Siebe) en coach J. (Jan). Beide heren werkten op dezelfde school, op verschillende locaties, en ik kan tot op de dag van vandaag geen persoonlijkheden bedenken die verder uit elkaar liggen dan deze twee. Toch. Ik heb het met beide heren ontzettend naar mijn zin gehad, om verschillende redenen.

Bij coach S. kwam ik terecht toen ik nog niks van lesgeven wist. Ik knutselde iets van een les in elkaar en ik probeerde als een leeuwentemmer een klas vol pubers niet te laten bijten. Het ging niet altijd goed, maar het was wel ontzettend relaxed, niet in de laatste plaats door S., die me vooral mijn gang liet gaan. De enige echte kritiek betrof mijn kleding (“Meer jurken!”) en mijn houding (“Loop toch eens als een dame!”)

Na S. kwam J. en dat was andere koek. Ik moest ineens ‘aan de bak’. Ik deed dat af en toe te weinig, dat ‘aan de bak’, en dat kon ik dáár, op die locatie met een wat lastigere populatie, goed merken. J. moest er vanmiddag weer om lachen. “Je ging ontzèttend op je snuit!” Want dat ging ik. De propjes vlogen me in één bepaalde les om de oren, er klonk overal gezoem en coach J. pende achter in de klas driftig op zijn coachingsformulier.

Hij durfde me bij mijn kladden te grijpen en wist ook mijn lurven te vinden. Hij wist me ervan te overtuigen dat ik het kon, maar dat het niet overal vanzelf ging. Hij kreeg me zover dat ik in discussie ging. Met mezelf, maar ook met hem. Ik herinner me een moment dat we als twee koppige ezels tegenover elkaar stonden, ieder overtuigd van de eigen richting. En toch kwamen we eruit. Het is iets wat me niet goed lag, dat discussiëren, dus dat er een oplossing kwam, lag vast meer aan hem.

En toen kreeg ik een baan. En ik zag hem niet meer. Tot ruim een jaar geleden, op een dyslexieconferentie in Ede. We raakten in gesprek en dat gesprek was niet af. Dus we zouden elkaar zien. Maar je weet hoe dat gaat. Het was ineens een jaar verder. En ik e-mailde. En we belden. En we aten vanmiddag gebak, waarna we in hoog tempo met de hond door het Drentse landschap togen.

Tien zinnen per seconde. Dat werk. En we kwamen terug en er stonden hapjes. En er was een drankje. En er waren nóg meer verhalen. En dringend advies inzake werk. Want dáár is coach J. goed in en het zal niet de eerste keer zijn dat hij me met een welgemikte schop onder het achterste vooruit krijgt. Het werd half zes. Ik moest nu echt gaan, hoewel er nog zoveel te bespreken viel. Misschien voldoende voor een dikke trilogie.

Het wordt vervolgd.

Nero vond het prima, al dat geklets. Hij dook gewoon nóg een keer het water in....

Nero vond het prima, al dat geklets. Hij dook gewoon nóg een keer het water in….

Onbeperkt eetbaar

Ik eet niet alles. Om meteen maar iets duidelijk te maken. Ik juich niet bij het zien van een pak melk dat drie weken over de datum is. Ik bewaar koekjes niet tot ze vanzelf de deur uitlopen en ik heb vroeger ook nooit de aandrang gehad dat blik abrikozen uit 1947 open te maken en de inhoud te savoureren.

Misschien lieg ik nu. Misschien waren het perziken. Misschien was het blik uit 1948. Feit is dat zich in de slaapkamerkasten van mijn ouders mysterieuze antieke levensmiddelen bevonden. Feit is dat ik me daarover nog steeds verbaas. En feit is dat ik tot op de dag van vandaag niet weet wat er met dat ene, bollende, licht roestende blik is gebeurd. Ik heb het in ieder geval nooit geopend.

Aan de Wendakker bevinden zich zulke blikken niet. Er staan ook geen pakken melk te verzuren en koekjes krijgen de kans niet een schimmelplekje op te lopen. Daarvoor gaan ze te snel op. En toch. De opruimwoede van eerder deze week maakte duidelijk dat de uiterste houdbaarheidsdatum ook in dit huishouden soms ruimhartig overschreden wordt.

Er was een pak taartmix, waar twee jaar geleden, voor mijn verjaardag, een taart mee gebakken zou worden. Toen werd het ‘voor Kerstmis’, ‘voor Nieuwjaar’, ‘voor papa’s verjaardag’, tot het pak uiteindelijk onder de zakken spliterwten verdween. Er stond custardpoeder, dat blijkbaar ook verjaren kan, er lagen papadums die een poging hadden gedaan de keukenlade zelfstandig te verlaten. Ouwelpapier dat.. enfin.

Boven de oven die zich slechts sporadisch goed laat bedienen, vond ik een springvorm waar weliswaar wat stof op lag, maar die verder goed te gebruiken leek. De mixer miste een haak, maar met de hand kneden kon ook. Er was nog bakpoeder uit 2013, waarmee de taarmix uit 2014 nog wel op te peppen leek. De biologische appels en roomboter zorgden mijns inziens voor de broodnodige balans.

En zo geschiedde. En de oven hield zich enigszins aan mijn wensen, al verzette ik de temperatuur twee keer. En de appeltaart, waar ik in plaats van kaneel de custard aan had toegevoegd (die moest immers eerder op), en een handjevol gedroogde vijgen, smaakte alsof zelfs 70 jaar oude abrikozen uit blik nog kon smaken. Hij was heerlijk. En er was weer verder opgeruimd.

En die papadums, vraagt u zich af, wat is daarmee gebeurd? Wat denkt u zelf? Dat er voor iemand die een antieke taartmix gebruikt, helemaal geen grenzen bestaan?

Geen kans om oud te worden...

Geen kans om oud te worden…