Ons kent iedereen

Vanavond liep ik alweer voor de derde keer naar het zwembad een stukje verderop om een ieniemienie-beetje bij te dragen aan de samenleving die ‘Aalden-Zweeloo’ heet. Een paar uurtjes abonnementen checken, incidenteel een lolly of een zakje snoep verkopen, een beetje lezen, een beetje ouwehoeren. Want ja, dat laatste vind ik dan toch weer het leukst.

Ik leer ook graag nieuwe mensen kennen, zeker op een plek waar ik niet geboren ben en waar ik dus mijn plek moet creëren. Moet vinden, misschien. Al ben ik aan de andere kant dan weer behoorlijk overtuigd van het feit dat ik niet verder zoeken hoef. En dat gaat ver. Dat gaat zó ver, dat ik de geplande week vakantie op een terrein hier 18 kilometer vandaan al te ver vind. Ik vrees de heimwee bij voorbaat. Ik, die altijd vèrder wilde. Verder en weg.

Maar. Voordat het hier weer een sentimentele janboel wordt: die mensen, dus. Die ik bij lange na niet ken. Die ik, als het effe kan, de hand schudden wil en ze daarbij goed in de ogen kijk, zodat ik ze beter onthouden kan. En als dat niet kan, omdat het nogal vreemd is om door het raampje van het loket mijn arm naar buiten te steken, tuur ik intensief op het getoonde abonnement. Zoveel namen, zoveel gezichten. Alsof ik een nieuw schooljaar begin en snel wil kunnen roepen wie ik nodig heb.

Naast de bezoekers, van wie ik nu een aardig kluitje voornamen ken, lopen er uiteraard ook andere vrijwilligers rond. Zoals het een gemoedelijke, Drentse stek betaamt, kreeg ik nooit een echte introductie. ‘Dat is de geldla van de winkel. Daar liggen de kaartjes. Het rooster. Sleutel 1, 2 en 3.’ Die andere vrijwilligers leer ik dus een voor een kennen, in volgorde van hun eigen binnenkomst. ‘Ik zal me even voorstellen,’ zeg ik tegen een pronte dame die al babbelend binnenkomt en ik geef haar een hand. Ze noemt haar naam, en ik de mijne.

‘Maar ik ken jou wel, hoor,’ zegt ze dan. ‘O…oh?’ doe ik in slow-motion. ‘Ja, van het koor enzo.’ Ik pijnig mijn hersens. ‘Enzo?’ vraag ik door. ‘Ja, toneel.’ Toneel. Oh. En ik plak de leden van het gospelkoor waar ik zing aan de toneelclub die ik ken: ‘B. en A, oftewel Aart.’ ‘En H.!’ roept de dame enthousiast. ‘En H.’ papegaai ik. En ik grijns. ‘Dan hoef ik zelf vast geen verhalen meer te vertellen, zeker!’ Tegenover me wordt vrolijk terug gegrijnst. ‘Nee hoor, dat is inderdaad niet nodig. Ik heb alle verhalen al wel gehoord.’

En daar moeten we dan allebei nog even smakelijk om lachen. En ik bedenk dat het heel eenvoudig is als je hier komt wonen: ga zingen bij dat ene koor. Vertel af en toe iets tegen A. of H. En wacht tevreden af. Het scheelt een boel energie bij het kennismaken.

Je kun slechtere plekken bedenken om te socializen. ..

Je kun slechtere plekken bedenken om te socializen. ..

Let it be

Mijn gitaarmeester en ik, we hebben het tijdens gitaarles soms ook over akkoorden. Noten, bridge, verse en chorus, back to coda en meer van dat soort geneuzel waar de meester een enkele keer zelf ook van op zijn hoofd moet krabben.

Vaker hebben we het over lesgeven zelf, want dat doen we immers allebei, en we hebben het over huwelijksaanzoeken (neen, niet aan elkaar, maar omdat de meester niet veel ouder is dan mijn oudste en omdat ze beide op ongeveer hetzelfde moment hun aanstaande hebben gevraagd, et cetera…u begrijpt het..), we praten over het weer. Over illegaal downloaden. Over hardlopen.

Daar hadden we het vandaag over. Hardlopen. Dat het benauwd was geweest, vanmiddag, maar ik had mijn persoonlijk record met tweehonderdste seconde verbeterd. En daar moest ik dan weer smakelijk om lachen. Tien kilometer in een uur en 12 minuten, da’s nou niet echt ‘rijp voor een marathon’. Zeg maar. Maar toch. Ik ben er blij mee. Als je 75 kilo weegt, kun je niet verwachten als een mugje te rennen, ten slotte.

De meester knikte. ‘Ik heb wel meer gewogen, hoor. Meer dan 90 kilo, zelfs.’ Tegenover me zie ik een paar wenkbrauwen de lucht ingaan. ‘Echt waar’, zeg ik. Maar dat is al meer dan drie jaar geleden. En ik vertel over een vriend die nou ook niet de lichtste was. Dat we op vrijdag vaak samen boodschappen deden en voordat we weer thuis waren, hadden we al een zakje met bacon crisps en eentje met chocopinda’s leeg. En dan moest de patat nog gebakken worden. Vette mayonaise, minstens twee kroketten. ‘Volgens mij had ik op één zo’n middag al 6000 calorieën binnen. Maar dat is nu niet meer zo.’

‘Hij is nu ook afgevallen?’ vraagt de gitaarmeester, die mij ten slotte nog maar negen maanden kent. ‘Nee,’ zeg ik, ‘we spreken elkaar niet meer.’ En dat mijn vingers de akkoorden van ‘Let it be’ vervolgens een stuk krukkiger dan thuis kunnen vinden, daar verzinnen we gewoon een stuk of wat nieuwe, originele redenen voor.

Als de vissen missen

Ons eeuwige vakantiehuis aan de Wendakker had alles wat wij maar konden wensen aan een huis. Ja, ik weet het, daar heb ik al bijzonder vaak van verhaald. Edoch. Alles, dus. En meer. Naast het huis stond (en staat) bijvoorbeeld niet alleen een fietsenschuurtje, maar ook een kippenhok. Erin: een kartonnen doos met stro, die de slaapplaats van een zwervende egel vormde. Kippen: geen. En dat was best. Misschien later.

Achter het huis lag een onmisbaar element van het hedendaags tuinreservaat: een vijver! Omgaasd met dikke, groene, plastic draden en stokjes, schier overwoekerd door gele lissen en uit de kluiten gewassen varens. Erin: vijf vissen. De man en ik zuchtten. Een beetje. Die vijver zou moeten wijken. Er is maar zoveel méér dat een mens kan hebben, ten slotte.

‘Je kunt ze best ergens in een andere vijver in de buurt gooien,’ sprak de dochter van de vorige bewoner van ons pand, terwijl ze op onze verse verzameling vinnen en schubben wees. De man en ik knikten. Dat zouden we misschien dan wel doen. ‘Merkt niemand wat van’, besloot de dochter tevreden met haar kwiek advies, en we maakten nog een rondje langs ramen, deuren, ‘misschien-wel-lekke’ vaatwasmachine en de kat die we toch echt zouden houden.

En toen zaten we dus in dat huis. In de vijver pruttelde de bejaarde vijverpomp en, warempel, zat daar geen kikker? We keken, op onze knieën, naar het zonnende, felgroene dier, naar die ene feloranje met zwarte goudvis, die grote gele, en die drie kleine, zwarte exemplaren. Het werd stil. Het werd later. Het werd oktober. November. Weer voorjaar. Twee van de drie zwarte vissen werden oranje, de gele steeds witter, had de man wel gezien dat die andere grote steeds minder zwarte vlekken had? We zuchtten. Alweer. Maar toch anders.

Twee weken geleden waren de vissen verdwenen. Het voer dreef in cirkels op het wateroppervlak. De rand, waarin vooral de zwarte vis graag lag te zonnen, bleef leeg. ‘Is er een reiger geweest?’ vroeg de man. ‘Zou iemand met een netje naar achter zijn gelopen?’ vroeg ik zelf, maar de antwoorden op onze vragen bleven uit. De katten kunnen er niet bij. Vossen IN het dorp? Die vissen eten? Zij aan zij volgden we iedere rimpeling (‘Alweer een schaatsenrijder!’) en staarden minutenlang diep in de groene soep die onze vijver in dit jaargetijde blijkbaar altijd is.

We lachten wat en fantaseerden over een nieuw soort zitkuil. Een rotstuin, misschien. En toen werden we weer stil. Heel stil. In gedachten verzonken over drie oranje vissen, één zwart en één witgeel exemplaar. Die vandaag ineens weer, alsof ze terug van vakantie waren, relaxed in de zuurstofplanten hingen. De Benidorm Bastards. Misschien moesten ze voor straf maar alsnog naar een andere vijver. Een kleintje. Een heel eind verderop.

Ja, daar zijn ze weer!

Ja, daar zijn ze weer!