Zit stil!

Vakantie is, tegen de tijd dat het zover is, erg welkom voor de man en mij. En natuurlijk doen we dan alsof we schier instorten op onze grote, rode hoekbank, poezen onder handbereik, maar niks is minder waar. Dat veertje, dat we iedere dag in het werkende bestaan zo strak aandraaien, is namelijk nog niet zomaar klaar met draaien. We draaien, heel eerlijk, dus meestal nog wel een vakantiedagje of wat dóór.

De man, hij ging de eerste vakantiedag al meteen helpen met scoutingkamp. Stapels pannenkoeken bakte hij, en ladingen pakjes maakte hij, van wortels en aardappelen en meer van zulks. Hij maakte macaroni. Iets teveel. En ongeveer evenveel plezier. Toen het kamp gedaan was, ging hij nog even met zijn werkmakkers op stap. En ik, ik bezocht tussendoor nog even samen met de man een collega, zo slecht kon ik zelf mijn werk al missen, zeg. Ik ruimde mijn werkkamer op, ging zwemmen, en nog een keer. En nog eens. Speelde gitaar, las een boek voor school. En toen was er een feestje, en nog een feestje, en een leuke wandeling, en het veertje ratelde nog door op de boot naar een eiland. Ook dat nog.

‘Volgens mij kunnen we volgend jaar beter een vakantie boeken aan een duister meer in Zweden, waar niks te doen is. Drie weken.’ De man zuchtte diep. Onze beider veertjes hingen al wat slap op de rug. Wij hingen slap tegen een duin. ‘Kunnen wij nou echt niet niks doen?’ vroeg ik vervolgens, terwijl ik het volgende blokje in mijn driesterrensudoko invulde. De man staarde in de verte. De zesde zeehond was gespot. Zodadelijk konden we wel een eindje verder lopen. En ja, dat museum van vanmorgen was best leuk. ‘Vrijdag doen we niks.’ En ik surfte naar Bol.com en bestelde een film. Zodat we minstens een reden hadden om op de bank te hangen.

We stonden op, vanmorgen, en ontbeten. Weer terug op het vasteland. ‘Een klein stukje lopen?’ vroeg de man en ik duwde mijn tong in mijn wang. Zo’n klein stukje. Dat kon geen kwaad. Dat is toch een beetje niks. Bijna. Gewoon een klein rondje, langs Landal Green Parcs en een broodje halen in de winkel van het park. En daarna zouden we de film kijken, die keurig op tijd bezorgd was. Misschien nog wat Discovery erna. En vanavond, heel misschien, een ijsje halen in Meppen. Het is maar een kwartiertje lopen door de velden. Ik wilde mijn armen al hopeloos de lucht in werpen, tot ik op Buienradar.mobi keek. Gelukkig. Geen weer om te lopen.

Eindelijk niks.

Of nee. Er is een carport hier. En iets met een auto en remmen, die de man dan wel even nakijken zou…

Nee. Geen Pokémonjacht. Echt niet. Ook al omdat dit geen pokémonnetje is. Dus.

Nee. Geen Pokémonjacht. Echt niet. Ook al omdat dit geen pokémonnetje is. Dus. We zaten echt heel stil. Heel even.

Allemaal familie

Het afgelopen weekend stond in het teken van familie. Zaterdag togen we in de Volvo naar Noordoost-Brabant, om daar het 50-jarig huwelijksfeest van mijn peettante en -oom te vieren. Het was bijna 30 jaar geleden dat ik in het kleine dorp was waar zij wonen, dus het was vreemd en tegelijkertijd vreemd vertrouwd om ineens weer langs die molen te rijden, en door die Dorpsstraat, waar veel hetzelfde was en veel ook enorm veranderd.

Hetzelfde gevoel overviel me in het kleine café, waar het feest gehouden werd en waar ondanks de geringe afmetingen toch behoorlijk wat mensen pasten. Iets met ‘makke schapen’ misschien? Ik herkende nichtje B. van Facebook, en nog meer mensen ‘gewoon van vroeger’ en van nog langer geleden. Ik ben dan wel een van de weinige mensen die erg ver ‘van de rest’ is gaan wonen, maar sommige dingen veranderen daardoor niet.

Ik praatte met broze, oud geworden tantes en ooms, van wie de stemmen zachter waren geworden, maar de toon bleek onveranderd. Er werd gezoend, gepraat, er werd gelachen, gezongen, gedanst. (Al was dat laatste nog wel even een dingetje, want mijn benen waren de foxtrot een beetje vergeten, maar ome C. zette door en kreeg de vaart er uiteindelijk bij mij wel weer in.) Er werd lekker, en veel, gegeten, en door de rimpels en alle kinderen en kleinkinderen heen waren we nog steeds datzelfde ploegje neefjes en nichtjes, ooms en tantes. Familie.

We moesten helaas wel een beetje tijdig afhaken, want de volgende dag reden we alweer naar een familiefeestje. Maar dan totaal anders. Op een festivalterrein in ‘s Graveland relaxten de man en ik een dag tussen mensen die allemaal voor hetzelfde kwamen: genieten van muziek. Geen onvertogen woord, er werd geluisterd, gepraat, gezongen, gedanst. Er werd lekker, en veel gegeten. En langs en door de verschillende muzikale periodes en stijlen heen was er alleen maar herkenning. Van het weten dat je uiteindelijk allemaal hetzelfde wil, ook al lijkt dat soms niet zo te zijn.

(Jaja…)

Da’s ook familie.

De familie moet immer eten. De Frietfiets hielp ons hierbij.

De familie moet immer eten. De Frietfiets hielp ons hierbij.

De klok wel horen luiden

Tijdens de eerste week van mijn vakantie probeer ik meestal in vegetatieve staat te verkeren: slapen, hangen, een laatste klusje, maar dan wel klein, een kwart rondje wandelen en een paar baantjes zwemmen, maar verder: NIETS. Awel. Of weinig dan toch. Nou ja.

Daar had ik dus weer even niet aan gedacht, toen voorzitter I. een poosje terug opperde dat we met het koor best aan de playbackshow van de Zweeler Markt mee konden doen. ‘Leuk, toch?’ Ja. Voor een lolletje zijn we meestal wel in en ‘impulsief’ is ook al zo’n beetje onze gedeelde ‘middle name’, net als ‘improvisatie’, maar dat uit veiligheidsoverwegingen terzijde. Dus.

We bedachten dat ‘Bimbam’ van André van Duin (ik ben de precieze titel even kwijt) wel een aardig liedje was. En van die vier monniken die er nodig waren, maakten we er simpelweg acht. En de klok die moest vallen, werd een klepel. En de tekst, nou ja. En die monnik die de hoogte in gaat, dat kan natuurlijk ook een monnik zijn die door het nuttigen van net iets te veel drank boven op de andere monniken zou denderen.

Van alles was mogelijk. En van alles werd bedacht. Het was pas gisterenavond op het podium, dat alle losse draadjes uit de grote, gezellige kluwen die Marturia heet, samenkwamen. En ik bedacht dat er vanaf het begin van het repetitietraject maar een paar dingen zeker waren: koorlid B. zou de monnik zijn die aan de drank ging. Koorlid H. degene met de aanwijzingen en de meeste tekst.

En A. oftewel Aart zou na afloop een ranja voor me halen, die toch rosé bleek te zijn. Een zekerheid die zo vaststaat, ook los van ons optreden, maar die me door mijn eindeloze goedgelovigheid toch weer wist te verrassen. Er gaat nog een tijd komen dat ik ga geloven dat je van ranja werkelijk dronken wordt. Tot dan toe laat ik me voor de veiligheid toch maar niet trakteren op meer dan één siroopje per keer…

(Oh ja. We wonnen niet, maar ligt natuurlijk gewoon aan een doorgestoken kaart…of net iets te veel ranja bij het stemmend publiek. Of moet dat net weer ‘te weinig ranja’ zijn?)

Of we nou moed proberen te verkrijgen 'uit de Hoge'....?

Of we nou moed proberen te verkrijgen ‘uit de Hoge’….?

Sluitporties

Een aantal weken geleden werkte ik een beetje aan afstand. Tien kilometer om precies te zijn. Tien kilometer, die ik min of meer rennend zou afleggen tijdens de Stonecityrun. Omdat ik dat in een gekke bui zomaar geroepen had.

Maar ja. Tien kilometer hardlopen gaat wel een stuk gemakkelijker als er niet te veel zwembandjes om je lijf hangen. Ik probeerde er dus een paar weg te krijgen. Een beetje. Met hulp van toegezonden tips en apps van oudste, die naast ‘veganistisch eten’ ook doet aan ‘letten op gewicht’, kreeg ik wat meer zicht op wat ik at. Te veel, dus.

En ik werd een beetje strakker. Een klein beetje lichter. En ik kreeg lol in lekkere, lichte hapjes. Ik hoefde geen chocolade, en al helemaal geen koekjes. Ik kookte lekker en voedzaam. Voor jongste, die juist aankomen moet, kieperde ik op het laatst nog wat extra’s erbij. Vooral de zelfgemaakte pizza’s kregen daardoor een interessant uiterlijk. Links met extra kaas en ei, in het midden ‘gewoon kaas’ (voor de man) en rechts gegrilde groenten met een verdwaalde olijf.

En toen braken de laatste weken van school aan. En er kwamen chocolaatjes als bedankje. Er was een lunch met het mentorenteam. Bij de koffie taart vanwege een verjaardag. En toen nog een keer, maar ik weet niet meer waarom. Er volgde een receptie bij de favoriete pizzeria van collega T. (en die van mij), en nóg een lunch met de sectie. Waar ik nóg meer lekkers en liefs kreeg van stagiaire L. En nee. Dat was nog lang niet alles.

Dus ik zuchtte vanavond, na een personeelsdag van de mavo-locatie met gebakjes en, en, en….(en vooruit, een klein beetje survivallen om het geheel te verteren)...ik zuchtte diep en kookte curry met kokos en volle yoghurt, en toe nam ik een ijsje. Dat kon er ook nog wel bij.

En ik bedenk dat ik nu geen balansdag nodig heb. Geen balansweek. Nee. Doe maar gewoon een balansvakantie. Nog een reden, dus, waarom vakanties van docenten niet kort mogen zijn.

Portier nummer...euh...

Portier nummer…euh…

Met zonder beest

Over eten denk ik nauwelijks na. Twee keer in de week haal ik een paar mandjes fruit en groente, ik graai wat bakjes bij de Vegetarische Slager vandaan en de gaatjes in de kofferbak vul ik op met overige allerhande zaken. En daarmee doe ik het. Koken. Of iets wat daarop lijkt. Systeem lijkt er niet in te zitten, maar smaken doet het meestal wel.

Oudste lijkt dit gedrag een beetje geërfd te hebben. Vooral het deel waarbij er ruimhartig van recepten afgeweken wordt. Zo krijg ik regelmatig apps met foto’s van gerechten, met daaropvolgend een officieel recept, en alle uitzonderingen die er uiteindelijk toegepast zijn. Omdat de rode currypasta niet aanwezig was. Courgette lekkerder is dan broccoli (of omgekeerd) en hij even geen zin had om gember te snijden. Het lijkt het eindresultaat niet te schaden en daar geniet ik van.

Oudste heeft op het moment, naast zijn gebruikelijke, hedonistische kookinstelling, een voorliefde voor het uitproberen van veganistische gerechten. Aan de ene kant worden alle paniekreceptoren in mijn lijf geraakt bij de gedachte geen kaas te eten (en geen eieren!), aan de andere kant prikkelt zo’n interesse mij ook wel weer. En af en toe probeer ik dan ook eens wat. En ik probeer er een heus recept van te maken. Probeer. Veel verder zult u het niet zien komen. Lekker is het overigens wel.

Awel. Nodig, dus: kokosolie, ui, kerriepoeder, courgette, gember, citroensap, kokend water, rode puntpaprika, knoflook, groentebouillonpoeder, rijstnoedels.

In de kokosolie fruit je een ui. Vervolgens doe je er kerriepoeder bij. Even doorbakken. Vervolgens courgette in blokjes erbij, heel fijn gesneden gember, citroensap en kokend water. Vijf minuten koken. Vervolgens reepjes puntpaprika erbij, geperste teentjes knoflook, schepje groentebouillonpoeder en dan nog een paar minuten koken. Tot slot werp je een blokje rijstnoedels in de soep. Nog een minuutje koken en dan is de boel wel klaar.

En mocht u dat fijn vinden, wijk dan gerust een dotje af. Vast ook erg lekker.

Met zonder beest.

Met zonder beest.

Pauzestand

Alsof er niets meer te zeggen was. Zo kan het misschien hebben geleken, hier op Blowsabella. Niets is minder waar. Gek genoeg valt het hier altijd een beetje stil wanneer er in het echte leven een aaneenschakeling van gebeurtenissen waar te nemen valt. En ik neem waar. En waar. En nog eens waar. En dan vraag ik me vervolgens af: wat is nog waar?

Oei. Dit wordt wel erg filosofies. Maar toch. Regelmatig vraag ik me dat af: wat IS er eigenlijk waar? Waar gáát het in godsnaam allemaal nog om? En is dat wat ik schrijf, niet meer dan het doen van mijn orale behoefte (dank je, Bert, voor jouw prachtige omschrijving van het kwakkeloos neerplempen van je mening op het internet…of elders, natuurlijk…)? En wie zit daar dan eigenlijk op te wachten?

Ik had een wondermooie laatste les, in die ene klas vol fraudeurs en spijbelaars. We hadden het over de beste momenten, het mooiste van het afgelopen jaar, ondanks al het eindeloos gezeur over schier onmogelijk gedrag. Ze spraken over hoe hecht hun groep was. Dat er niet gepest was. Dat het gezellig was geweest, al konden ze prima bedenken dat het docententeam dat anders had ervaren. En daar zat ik dan met die brok in mijn strot.

Ik had een andere klas voor me die een uur lang bezig was met een lastige puzzel. De leerlingen hielpen elkaar, zonder door de klas te schreeuwen. Af en toe vroeg iemand mij om raad. Was dit dezelfde klas waar een hele kudde jongens en meiden zich het hele jaar had gedragen als een paar pingpongballen op speed? Ik zat heel stilletjes, voorzichtig te genieten.

Er waren nog meer mooie momenten, zo veel gebeurtenissen die me aan het denken zetten, er was een boek dat me verwarmde, een film die me boos maakte, een relatie die ik niet begreep, een nieuwe collega die me deed lachen. Er is een einde van een schooljaar dat me intens doet verlangen naar die eerste vakantiedag.

En eens in de zoveel tijd, dat weet ik inmiddels, vraag ik me af of ik dus nog wel schrijven moet. Dan gooi ik rücksichtlos een compleet blog de zee in en begin een poosje later weer een nieuw. Maar ja. Daar ben ik intussen te gemakzuchtig voor geworden. Iets te weinig driftig meer. Dus ik wacht af. Ik zet mezelf in een kleine pauzestand. En als het kriebelt, plaats ik uiteindelijk wel weer een stukje. Gewoon daar waar alles al eerder stond.

Jim staat elke dag wel een poosje in de pauzestand.

Jim staat elke dag wel een poosje in de pauzestand.