Klaar

Ja. Het is weer klaar. Over met die eindeloze landerigheid. Gedaan met ledigheid zonder onderbrekingen, of het moet zijn voor een tripje naar koelkast of diepvriezer, voor nóg een drankje. Nóg een ijsje. Alle docentvakantiehaters mogen de lelijke opmerkingen voor twee maanden in de achterzak steken. Ik begin weer, morgen.

Ja. Het was even een verrassing, zes jaar geleden, toen ik net was toegetreden tot ‘team havo 3/4/5’. Wist ik veel dat de leden op de laatste dag van de vakantie alweer samenkwamen. Alsof ze niet nog één weekendje konden wachten. Intussen weet ik het. Ik hoef niet meer uit mijn bed gebeld te worden. Ik ben er. Al moet ik iedere keer weer opzoeken ‘hoe laat het ook weer was’.

Ja. Het was een heerlijke vakantie, waarvan ik me niet veel meer dan enkel zonnige dagen herinner, al scheen de zon soms alleen in mijn humeur. Ik herinner me alle ochtenden waarop ik mijn straatje uitliep, een paadje en nog een straatje door en dan na het eerste weiland rechtsaf. Een baantje of wat in Zwembad Zweeloo. Hoeveel baantjes? Ik ben na anderhalve week gestopt met tellen. Alleen het genieten bleef over.

Ja. Ik ging ook weleens ergens heen. Met de man. Met familie. Met vrienden. Er was theater, er was kunst, muziek, natuur, nog meer natuur. Er waren fijne gesprekken, er was nog een uurtje vrijwiligerswerk. Er is gelezen, er is gegeten, er is geslapen. Nog eens geslapen. Met zo’n benauwde snurk wakker worden in de brandende zon. Ohja. Er was ook zee. Een eiland. En er was liefde.

En toen, jongens, kom op zeg, toen was het ook wel weer genoeg. Doe mij nu maar weer die collega’s. Die fijne nieuwe methodes. Die nieuwe leerlingen. En al het gedoe dat er ongetwijfeld weer aan vast zal hangen. Zodat ik vanzelf ook weer zin in vakantie krijg. Met zoveel vrije dagen is het anders natuurlijk knap lastig als je het hele jaar door slechts aan werken denkt….

Janosh is nog lang niet klaar met luieren...

Janosh is nog lang niet klaar met luieren…

Buitengewoon Buitenkunst

Het is alweer een week geleden. Kampeerbuurvrouw A. en ik stonden naast elkaar aan een enorme ezel en hadden van workshopleider Bouchaīb de opdracht gekregen iets te doen met portretten die op het verkeerde moment gemaakt waren.
Buurvrouw A. en ik, we gaapten eindeloos, luid en schaamteloos tussen het verfmengen door. We hadden ons haar met geen mogelijkheid geprobeerd in model te brengen, laat staan dat er iets van make-up op onze gezichten zwierf. We hadden het eerste het beste comfortabele kledingstuk over ons hoofd getrokken en op boerenklompen (ik) en rubberlaarzen (zij) hielden we ons op deze laatste ochtend van een week lang slaapgebrek staande.

Het was een week geweest waarin ik, zoals dat tijdens iedere Buitenkunst-experience gebeurt, volop in verwondering over het terrein zwierf. Soms in trance, schier lijdend aan het Florence-syndroom (google die maar even), maar dan niet vanwege de bouwwerken, maar meer vanwege de niet-te-vangen sfeer. Ik hoorde een andere buurvrouw aan de telefoon met een vriend. Ze was hier voor het eerst en verhaalde over hoe het hier ging. Hoe ze ‘s morgens haar workshop koos, hoeveel mensen er waren, en dat je daar toch niks van merkte. Hoe fijn het was en hoe moeilijk dat was uit te leggen.

We hadden het er later over. Dat je dit ook lastig uitleggen kunt. Dat je het simpelweg moet ervaren en dan gegrepen wordt door het virus, of niet. Dat ik het zo fijn vind dat onze jongens ook hebben ‘gebuitenkunst’ als kind, omdat ik geloof dat het ze iets extra’s bood. Hoe jammer zij het vond dat ze het daarvoor te laat ontdekte. En hoe je iedere dag opnieuw geraakt wordt. Dat het samen zingen, toneelspelen, schrijven, schilderen, dansen iets met je doet. Zonder dat het therapeutisch wordt, want daarvoor ben je hier ook weer niet.

Aan het eind van de week telde ik mijn zegeningen (en vergat prompt het zompige grasveld, de vele regen, de lekkende tent) en ik had geen idee waar ik moest beginnen met schrijven. Zoals vaker, schreef ik dan dus niet. Ik ratelde tegen de man. Het werd een kip-zonder-kop-verhaal, dat bijna een hele week duurde. Waarin ik bleef zemelen over het hele verliezen van mezelf in het knutselen aan een ‘interactieve kijkdoos’ en het schilderen van die bevreemdende portretten op de laatste dag. Ik bejubelde de ene buurvrouw na de andere, en nog een keer. En terwijl hij het door mij mede uitgevoerde ‘Ubi Caritas’ nog eens een keer beluisterde, sprak ik hem nogmaals verbijsterd toe over het feit dat hij het songfestivalwinnende ‘Net als toen’ van Corry Brokken niet kende. Vierstemmig ook leuk uitgevoerd.

Misschien dat hij daarom volgend jaar maar gewoon weer meegaat: om er toch nog een touw aan vast te kunnen knopen. Want om nu steeds na afloop een week raadselachtig hysterische jubelverhalen aan te horen…ik geloof dat ik ook eieren voor mijn geld zou kiezen. Dan liever een weekje kunstig modderen op een terrein zonder stroom. Graag wel zonder lekkende tent.

Uit de kluiten gewassen spiekbriefjes voor tijdens de uitvoeringen. Dat is ook Buitenkunst.

Uit de kluiten gewassen spiekbriefjes voor tijdens de uitvoeringen. Dat is ook Buitenkunst.

To see or not to see

Het zal een jaar of vijf geleden zijn geweest. Mijn blik was niet zo heel helder meer (stop, houd die grapjes even binnen!) en ik bedacht dat ik misschien wel een nieuwe bril nodig had. En snel, ja, echt, zou ik een nieuwe halen. Tot ik ontdekte dat de mist in mijn blikveld meer (of óók) te maken had met de mist in mijn hoofd, die niet heel veel later tot een fikse kortsluiting zou leiden. Even afwachten, dus.

De nasleep van de kortsluiting onder mijn schedeldak duurde langer dan verwacht, en sommige dingen zullen nooit van zijn lang-zal-ze-leven echt overgaan, maar ik herstelde wel voldoende om te beseffen dat die nieuwe bril er toch eens moest komen. Ik vroeg Chef naar haar opticien, want zij had een goede en zo eentje wilde ik er ook wel. In de zomervakantie van 2013 moest het gebeuren.

Maar ja. Er gebeurde zoveel in die vakantie. Wie het niet gelooft, scrolle maar een eind terug op dit blog. Ik paste een week op huis en have van vroegere vriend S., ik zwierde een poosje met jongste door Noord-Frankrijk en beklom ook nog wat heuvels in Luxemburg met de man. In huis wachtten klusjes, de studie riep harder dan ooit. De roep om helder zicht verstomde.

En het werd 2014. Met een verhuizing. En ’15. Zonder excuus. Het zicht waarmee ik het zo lang had gered, besloot het uiteindelijk maar helemaal op te geven. Lezen? Doe het zelf! Maar ik kocht een leesbrilletje, en nog een, tegen het kwijtraken, en als ik ze alletwee kwijtraakte, dan las ik op de e-reader, met een extra grote letter. Niemand die me meer geloofde als ik zei dat ik volgende week dan toch echt. Komende vakantie, heus.

Ik geloofde het zelf niet eens, toen ik vanmiddag bij die strenge opticien te E. in de stoel zat. De man liet zich solidair ook opmeten. Er ging glaasje na glaasje in het apparaat. Er klonk een zucht, en toen nog één. Misschien was die laatste wel van mezelf. Iets door al die cilinders, en plussen en minnen, en dat leesgedeelte. Dat moest er ook nog in.

We kregen korting, maar dat werd nog een puzzeltje. Een tweede bril kon gratis, dus de man kon voor niks, maar met een ANWB-pas kreeg ik 25% korting op de mijne en die verzameling plus, min en cilinders zorgden voor een korting die nog hoger was dan de hele nieuwe bril voor de man bij elkaar. ‘Maar jij hebt óók zo’n pas!’ riep ik verheugd en het hele proces werd bijna leuk.

Het is gelukt. Met afkloppen als voorbehoud, want ze zijn ten slotte nog niet gereed. We hebben wèl meteen een vaste afspraak gemaakt om de brillen ook af te halen. Ik zie ons wel in staat….ten slotte.

Om te zien wat er die middag op het menu van de lunch stond, moest nog wel het leesbrilletje van het Kruidvat op...

Om te zien wat er op het menu stond, moest nog wel het leesbrilletje van het Kruidvat op…

Van Drenthe en Zeeland

Nee. Daar gaat dit stukje dus niet over. Het is puur toeval. Drenthe is waar ik woon, Zeeland is waar ik wegkom. Klopt helemaal. En dus zou het logisch zijn wanneer dit stukje zou verhalen over mijn eigen geschiedenis. Maar hey, het leven is niet logisch. Net zomin als het logisch hoeft te zijn dat Nederlandse jeugdliteratuur over problemen, problemen en nog meer problemen gaat.

Jeugdliteratuur. Ik heb er door het schooljaar heen bijna dagelijks mee te maken. Sommige leerlingen verslinden boeken, andere laten duidelijk kritiek horen: “Waarom moet het toch altijd over problemen gaan, mevrouw?” En dan zwijg ik. Want helemaal ongelijk hebben de criticasters niet. Natuurlijk, er zijn verschrikkelijk veel spannende, leuke, fantasievolle boeken die niet over scheidingen, alcoholmisbruik of dode moeders gaan, maar die bevonden zich tot voor kort niet tot nauwelijks in het pakket dat de derde klas bij ons op school moet lezen.

Afgelopen jaar was het gelukkig al iets beter, met een fijne Helen Vreeswijk en een iets mindere, maar toch nog redelijke Jacobine de Braauw. Komend jaar wordt het nog wat fijner, al heb ik me wel wat zuchtend en steunend door het eerste boek van de Jonge Lijsters 2016-2017 gewerkt. ‘Stiefkind’ heet het boek en het gaat over…jawel. Gelukkig kies ik zelf uit het pakket van vijf boeken de drie verplichte exemplaren voor havo 3, dus dit werkje mag meteen door naar de facultatiefjes.

‘Het Morelli principe’ (ik let even niet op de slordige samenstelling van de titel) mag van mij wel op de verplichte lijst. Ik begon er gisterenavond in en kon het maar met moeite wegleggen om nog een paar uurtjes slaap te pakken. Het duo Laura & Simon Burgers is duidelijk gegroeid in het gezamenlijk schrijverschap en heeft een vlotte pen met een razendspannend verhaal gecombineerd, met een zeer actueel thema (veiligheid en computercriminaliteit) als interessante kapstok. Daarbij speelt het verhaal zich nu eens een keer niet af in ‘de grote steden’, maar vooral in Hoogeveen en Borssele. Verfrissend, ook al omdat deze provinciale plekken eens niet als achtergebleven, saai of bekrompen worden beschreven.

De oplossing van het probleem waar de verhaalfiguren in dit prettige werkje tegenaan lopen, wordt gevonden door gebruik te maken van het Morelli-principe, een begrip uit de beeldende kunst. Leuk, vind ik. Origineel. Mooi, in een tijd waarin aandacht voor kunst in het gangbaar onderwijs zo kwetsbaar lijkt te zijn. Dat sommige verwijzingen naar kunst en kunstenaars dan wel erg vergezocht, danwel aan de haren erbij gesleept lijken te zijn, vergeef ik de schrijvers.

De leerling die me op de literatuurtoets spontaan gaat uitleggen waarom het vreemd is dat de secretaresse van de ‘bad guy’ Betsy Akersloot-Berg heet, krijgt van mij dan gewoon een puntje extra.

Niet aan beginnen vlak voor je wilt gaan slapen...

Niet aan beginnen vlak voor je wilt gaan slapen…