Zesling in de achtertuin

Een poosje geleden waren we de vissen kwijt. In de vijvers achter het huis zwommen vijf goudvissen. Niet allemaal ‘goud’, trouwens. Er waren drie oranje vissen, één gele en één zwarte. Het duurde een paar weken voordat vier van de vijf vissen weer aan de oppervlakte kwamen.

Het vijfde dier is nooit meer opgedoken en niemand weet waarom. Heeft Janosh ‘m door het gaas opgevisd en met smaak opgegeten? Heeft een reiger het aangedurfd om in de wirwar van gaas en planten toch een visje te stelen? Had een toevallige voorbijganger radarogen en behoefte aan een leuk cadeautje voor een jarig neefje?

We weten niet waarom er nog maar vier vissen waren en dat zullen we, vermoed ik, nooit weten ook. We genoten afgelopen zomer van de overgebleven exemplaren, zagen de zwarte vis een beetje van kleur verschieten, de gele steeds wat dikker worden, het oranje duo glansde onder het spiegelend wateroppervlak.

Ik wierp dagelijks een handje korrels in het water en genoot van het enthousiasme waarmee ons viertal zich op de maaltijd wierp. Als er vier vissen aten, leek het soms of er wel tien waren, zo golfde en rimpelde het water. De groene kikker keek minzaam vanaf het nieuwe zuurstofplantje toe.

Maar hé, wat bewoog daar onder dat plantje? Een worm? Een takje? Twee takjes? Nee! Het waren kleine visjes! Twee! Nee, drie! Nee! Zes! De visjes groeiden en groeiden. Als ik de groten nu voer, nemen zij een paar bescheiden hapjes en dan trekken ze zich een beetje terug om de kleintjes een kans te geven. Als trotse ouders hangen ze tegenwoordig aan de rand en lijken te roepen: “Kijk eens hoe mooi, dat kroost!”

De man echter, had een glimlach op het gelaat die allengs minder werd. Een vis minder, dat was droevig, maar zes vissen méér, dat is ineens toch ook wel veel! Is daar wel plaats voor en als dat niet zo is, wat dan? Ik keek naar de twee kleine vijvers, die vernuftig met een stukje buis aan elkaar verbonden zijn. “Het zal wel gaan,” zei ik. En ik zag iets bewegen in mijn ooghoek. Tussen de lisdodden en de irissen. We hebben niet één kikker.

We hebben er twéé!

Hoeveel baby's zouden er nog in passen?

Hoeveel baby’s zouden er nog in passen?

De buurt in een kleine wereld

Een paar weken geleden vond ik een dubbelgevouwen A4’tje in de brievenbus. ‘Snacktime’ stond op de voorkant, in vrolijke kleuren. Een brandende barbecue eronder en daaronder twee vorkjes met een worstje eraan geprikt. Binnenin was een uitnodiging geschreven. Een buurtbarbecue moest er komen, om elkaar te leren kennen. ‘Euh…’ zei jongste. ‘Bij wie?’ vroeg de man. ‘Doen we!’ riep ik uit.

En we gingen. De man en ik. (Je kunt ook te veel van een jongste verwachten…) We waren wel benieuwd naar wie er eigenlijk in ons straatje woonden, want we hadden nog steeds niet iedereen gesproken en bovendien waren er al mensen bij gekomen en anderen waren naar elders verhuisd. Om een en ander in de toekomst beter bij te houden, derhalve…

En mijn kin zakte meteen al op de knieën, want die ene dame, die zag ik altijd in het zwembad al en ook die man twee stoelen ernaast. Ze woonden hier echt, en ja, zoiets bedachten ze ook al van mij. Ik plofte naast een kleurrijke dame neer aan een picknicktafel en ze leunde innig tegen me aan. ‘We hebben elkaar al wel gesproken’, zei ze en ik knikte. Toen en toen, op de hoek van de straat.

Ik bewonderde het babywichtje van de directe buren en schudde een andere dame de hand. Ze zei:’Van de hoek!’ en ik lachte en zei:’Ook van de hoek, maar dan aan de overkant.’ Ja, die van de poezen. En een andere buurvrouw biechtte op dat ze die ene rode kater altijd gedag zei als ze langsliep. In gedachten zag ik Janosh knipogen. Omdat hij dat nu eenmaal altijd doet.

De overbuurman, uit het onderwijs -‘Jij ook? Ik kom hier meteen even zitten!’ – gaf een speech, omdat hij nu eenmaal niet anders kon. Of dat vermoedde ik toch. Hij sprak over vanzelfsprekende zaken en dat we eraan voorbijgaan, maar dat dat dus niet moest. Twee dames uit de straat kregen dikke complimenten, voor het gemak van iedereen. Want als er geen initiatief was geweest, was er geen barbecue, maar het initiatief was er wel en het feest was geslaagd.

We gingen na afloop nog even wandelen, de man en ik, en we hyperden vier kilometer lang. Over de wereld die zo klein was, want dat bleek uit vele kleine gesprekjes. Dat de baby van de directe buren zo’n dotje was. De buren van waar we zaten zo fijn waren. De dame van de overkant een tof en prachtig mens. Die ene man zo aardig. Die andere zo aandachtig. En zo gingen we in de overdrive nog even een half uurtje door.

En we vroegen ons af hoe het kon, en hoe dit toch allemaal zo gekomen was. En toen zwegen we maar. Je kunt immers ook een keer te veel zemelen over een avond die simpelweg enorm gezellig was.

Blikkie vindt een herhaling van de buurt-bbq ook een prima plan!

Blikkie vindt een herhaling van de buurt-bbq ook een prima plan!

Misse maandag

Misschien lag het aan de preek van gisteren, in een kerk een eindje van hier. Daar werden immers woorden gesproken waar menig vriendelijke toestand van in de soep zou kunnen lopen. Iets met ‘wij’ tegen ‘hullie’ en dat ging er niet zachtzinnig aan toe. Op een gegeven moment sloeg ik de aanwezige liturgie maar voor het gezicht. Enerzijds vanwege mijn steeds zorgwekkender wordende mimiek, anderzijds om de met vuur gespuwde geboden waarvan ik slechts chocola kon maken met bittere smaak.

Misschien was het gewoon vanwege een heftige aanval van lamlendigheid. Feit is dat het tien uur was op het moment dat ik wakker schoot vanmorgen. Ik haalde krakend mijn schouders op en begon met achterstand, maar relaxt aan de dag. Ontbijt. Een stukje uit een mooi boek. Een moeder aan de lijn. Een maatschappelijk werker. Een stukje gitaar dan nog. En na de lunch aan de slag met de lessen van morgen.

De agenda kwam erbij en ik verwerkte de afspraken met de moeder, de maatschappelijk werker. Van de slordig geschetste plattegrondjes van de derde klassen maakte ik nette exemplaren, de losse opmerkingen die ik in de loop van de week op stukjes papier had gekrabbeld, bracht ik samen tot een min of meer logisch geheel. Om vier uur moest alleen de voorbereiding voor 1 mavo nog,

Ik opende Magister. Ik opende het digitaal materiaal. Dacht ik. Hoe ik ook zocht, een boek vond ik niet. Ik vond de klas ook niet. Ik logde op een andere manier in, en daar stond een boek. En nog iets. En nog meer. Maar hoe ik ook klikte, wat ik wilde, kreeg ik niet. Wel iets met ‘vul een code in’ en ‘sorry, die code is al gebruikt’. Ik haalde diep adem en dacht: whatever. Ik maakte een Google Presentation voor de les en zette op punt drie dat we het met zijn allen gingen uitzoeken. Leerdoel: weten waar alles online staat.

Ik maakte een documentje waarmee we zouden gaan ‘speeddaten’ met boeken, en toen liep de computer vast. En de laptop van de man ging ineens updaten. En intussen moest de pizza de oven in. En toen alles weer werkte, begon de printer te sputteren. Het papier raakte op. En toen ik, na lang zoeken, nog wat oud papier had gevonden en alle pakketjes had geprint, kwam er bij het nietmachientje geen nietje meer uit.

Ik at. Ik ging naar gitaarles. Die vanavond nog lang niet bleek te zijn. Iets wat me niet meer verbaasde. En tegen de gitaarmeester zei ik dat het me niet veel uitmaakte, wat intussen ook waar was. Een kopje thee. Een stukje lopen. En voor morgen de wekker. Voor de zekerheid op ‘extra hard’.

Ook chaos hier op een Aelder bruggetje, maar dat was een heel ander verhaal.

Ook chaos hier op een Aelder bruggetje, maar dat was een heel ander verhaal.