Alleen met mijn zachte ‘g’

De vakantie is alweer voorbij. Negen weken voordat de volgende arriveert. Als u denkt dat voorgaand zinnetje plagend bedoeld is voor mensen die graag tegen mij aan zeuren over de vele vakanties in het onderwijs, dan heeft u gelijk. En ja, ik geniet ervan, van die vakanties. Zoals ik ook van mijn werk geniet, overigens, want zonder dat werk zijn die vakanties niets meer waard.

Maar. Enfin. Herfstvakantie dus. Een weekje iets anders, waarvan vier dagen op zoek naar mijn zachte ‘g’ in Maastricht. En ja. In mijn eentje. Iets wat toch nog steeds opgetrokken wenkbrauwen oplevert. Verbaasde vragen. Want, wat doe je dan in je eentje? Waar eet je dan? En ‘s avonds, dan ben je vast weer vroeg in je hotel.

Nee. Ik ging ‘s avonds naar de film. Naar het toneel. Uit eten. Na afloop over een feeëriek verlicht Vrijthof van het nog immer verloederde Sphinx-kwartier met dat fantastische filmhuis richting het Jekerkwartier, waar aan de Luikerweg het bijzondere hotel lag waar ik verbleef. Ik werd er ‘s morgens met heerlijke koffie goedemorgen gewenst, ik werd gevraagd naar de voorbije avond, kreeg tips voor de komende dag.

Ik liep de deur uit in de ochtend en klom naar de Sint Pietersberg. Pakte ergens op de terugweg een lunch. Bezocht een kerk, en nog één. Maakte een praatje, en nog één. En nog één. Zoals altijd als ik in mijn eentje rondtrek, ben ik nooit alleen. Ik voel me ook nooit zo. Ik geniet van bijzondere ontmoetingen, zoals die met de man die het Pieterpad in drie weken had gelopen en nu de twee ‘eindes’ bezocht. Ik luister, kijk, bekijk, verwonder, bewonder.

Het tempo is het mijne. Iedere bocht die ik neem en iedere drempel die ik overga. Mijn gedachten gaan over wat ik zelf wil, maar worden, zo geef ik toe, regelmatig doorbroken. Dat ene boek moet mee voor jongste. Dat museum moet een andere keer bezocht met de man. Die film over die vals zingende operazangeres is echt iets voor…oh wacht, hem kan ik niet meer tippen.

Ik haal mijn schouders op. Neem foto’s. Bestel mijn eten met die zachte ‘g’ die tevoorschijn springt zodra ik de juiste provinciegrens passeer. Het was genieten zoals ik dat steevast alleen maar in mijn eentje doe. En na vier dagen gezwind weer terug naar Drenthe. Omdat alléén heel fijn is. Maar, net als met die vakanties, blijft het fijn omdat ik daarna weer samen ben.

Bijzonder glas-in-lood en vertrouwde kaarsjes. Het internet bleef prima werken...

Bijzonder glas-in-lood en vertrouwde kaarsjes. Het internet bleef prima werken…

Het ongekend beestloos bestaan

Schrijven over vleesloos eten is bijna politiek, dus daar moet een mensch voorzichtig mee zijn. Toch, vaeke ben je te bange, dus: een stukje over vleesloos eten. Waarbij het me nu al meteen opvalt hoe vanzelfsprekend ik schrijf: vleesLOOS. En niet: MET al die lekkere dingen die ik anders nooit ontdekt zou hebben. Maar ja. Dat laatste vergt nu eenmaal iets meer woorden en ik ben graag economisch met mijn energie. Enfin.

Donderdagavond gingen we uit eten, voorafgaand aan de jaarlijkse ouderavond: mentoren havo 3, teamleiders en de coördinator van de maatschappelijke stage. Er was gekozen voor een intiem restaurantje dat tegen de hogeschool diep in Drenthe was aangebouwd. Drankjes werden ingeschonken, servetten kunstig over de schoot geworpen. En toen werd die ene vraag weer gesteld. Of die ene vegetariër dan wèl vis at. ‘Euh. Nee.’

‘Ja, want sommige vegetariërs eten wel vis!’ ‘Dan zijn het geen vegetariërs’, antwoordde ik, want ik was na een lange dag al best wel moe. De aardige serveerster opende haar mond en sloot ‘m weer, wat ik echt niet onverstandig vond. Een ander lid van de bediening verscheen met een plank met daarop oranje schijfjes, wittige crème en piepkleine bloemetjes. En een pincet. Op onze handen werden, met enige moeite, stapeltjes van zoetjes en zuurtjes gecreëerd. We durfden elkaar even niet aan te kijken; een mentorenteam dat uit louter vrouwen bestaat, is als een vensterbank vol sanseveria’s. (Ja, vogelt u die zelf maar even uit.)

Vrijdagmorgen hadden alle derde klassen toetsen. Leerling R. was snel klaar en werkte aan een ander vak. Iets met ‘voedselvoetafdrukken en ecologisch leven’. Zijn voetafdruk was een beetje groot, bekende hij en hij liet me de resultaten van een testje zien dat hij op zijn telefoon had gemaakt. Of ik iets te eten wist, dat niet zo’n grote afdruk achterliet. Niet gehinderd door enige kennis van zijn huiswerk, mompelde ik: ‘Groentetaart met noten’. Leerling R. begon te giechelen. ‘Bestaat dat?’ Ik knikte, googelde en liet hem de resultaten zien.

‘Ik weet nog wel iets leuks’, zei ik en ik surfte naar YouTube. De rest van de klas was intussen ook klaar met hun werk. Er klonk wat zacht rumoer, wat overging in zacht maar stevig joelen, toen de eerste beelden verschenen van ‘How to make vegan fried chicken.’ Er werd gelachen, er werd gekletst. Die mevrouw B., die had weer een van haar vreemde ideeën en over vijf minuten was het pauze. Maar toen. Werd het stiller. En stiller. Hier en daar klonk een kreetje. Vooraan wreef een leerling over haar maag. ‘Dit is niet leuk, mevrouw. Ik krijg trek.’

De bel ging, maar de klas bleef zitten tot de laatste beelden van de gefrituurde snacks van het digiboard verdwenen. Leerling J. kwam nog even bij me. Ze kookte zelf ook zo graag. En ik beloofde voor volgende week weer een filmpje. En ben benieuwd of ik nog mailtjes krijg. Dat ik toch Nederlands geef. En geen koken. En al helemaal geen politiek.

Mijn andere hand stond nog vol aantekeningen...deze dus vol met pompoen...

Mijn andere hand stond nog vol aantekeningen…deze dus vol met pompoen…

Een duwtje in de rug

Of hij vandaag de Twingo kon pakken, vroeg jongste gisteren. Ja, dat kon wel. Oh nee. Wacht. Ik moest óók naar Emmen. Oh wacht. Ja. Het kon wel. En jongste vertrok ergens voor achten naar de hogeschool diep in Drenthe. Ik aaide de poezen, trok mijn pyjamabroek recht en mijn laptop op schoot en begon aan de thuiswerkdag. (Het fenomeen ‘maandag, vrije dag’ heb ik als aanname maar losgelaten…)

Tegen een uur of één verruilde ik de pyjamabroek voor de spijkerbroek en graaide in het sleutelbakje. Oh nee. De Twingo was al weg. En de Volvo, die staat ergens in Rogat, omdat een gastank een wat al te gekke luxe is voor ons doen en ze ‘m daar prima kunnen verwijderen. De fiets dan. Hm. Nee. Niet qua tijd, niet qua weer. En ook niet qua fiets. Er was nog één optie over.

Ik verwijderde het grote, blauwe zeil van de mottige 4WD die nog in een hoekje van de tuin stond. Twee, drie keer draaide ik de sleutel in het slot en trok de krakende deur open. Het beestje hoestte wat en pufte wat, en zeurde om te tanken benzine. Ik belde de man, want ik wist niet hoe het benzineklepje open moest. En toen ging het hortend en min of meer stotend naar school.

De vergadering duurde en duurde. Om kwart over vijf draaide ik de sleutel weer om in het contact. Niets. En nogmaals draaide ik de sleutel. Wederom: niets. Ik keek naar links, waar het pookje zat dat de lichten bediende. Het verklaarde een hoop. ‘Ging-ie dan niet piepen?’ vroeg collega J.1, die bekeek of hij mij kon helpen. Ik schudde treurig van nee. En een waarschuwingspiepje heb ik af en toe toch nodig.

‘Ben je lid van de ANWB?’ vroeg collega J.2, maar op dat moment kreeg ik net de motorkap los en J.2 moest toegeven dat iemand ‘dat’ de ANWB niet aan kon doen. J.3 wees op een grote, metalen staaf die dwars onder de motorkap lag. ‘Wat moet die wandelstok daar?’ Ik wist het ook niet, maar het zou zo wel horen. J.2 schopte eens tegen wat roestblazen aan de zijkant en vroeg wat ik nou toch eigenlijk moest met die bak en ik lachte en mopperde en zei iets over ‘spelen in de modder’, en voor de derde keer in vijf minuten schudde hij droevig het ernstige hoofd.

‘Zet ‘m in zijn twee,’ pakte J.3 toen de leiding, en de drie J’s stroopten stoer de nette mouwen op. De Daihatsu pruttelde, terwijl de heren duwden. Een tweede poging liet de motor loeien. ‘Gewoon rechtdoor!’ hoorde ik ver achter me schreeuwen, maar het eind van de parkeerplaats was toch echt in zicht. De bocht om dan, wat leidde tot een oorverdovend piepen. Iets waar je niks aan hebt, zodra het om het uitdoen van je lichten gaat. Je kunt er hoogstens drie collega’s nog eens diep door laten zuchten. Een hand tegen het voorhoofd slaand, de mouwen nog immer opgestroopt.

Mickey was ook erg blij dat ik geen verdere vertraging had opgelopen. Brokjes!

Mickey was ook erg blij dat ik geen verdere vertraging had opgelopen. Brokjes!