Weekend van niks

Het afgelopen weekend zou weer bruisen van cultureel kunstzinnige activiteit. Op zaterdag zouden we gaan schilderen met drukinkt en goud en zilver, en op zondag zouden we dan naar Veenhuizen, om het Gevangenismuseum te bezoeken. De Museumkaart is, jawel, een aanschaf die we niet betreuren. Net zo min als de twee jaar geleden aangehaalde banden met R. en haar D.

Hoe je na 30 jaar ineens van oud-schoolgenoten vrienden kunt worden, dat is een verhaal op zich. Hoe je vijf weken geleden een weekend cultureel-kunstzinnig met elkaar optrok en nu dan weer ontzettend veel zin had om eenzelfde kunstje te herhalen, dat is alweer een verhaal apart. Maar. Vorige week e-mailde de kunstenares van de schilderworkshop dat het niets zou worden. Doktersvoorschrift. En ik wenste haar het allerbeste en beterschap, en met R. smeedde ik nieuwe plannen.

Een andere workshop? Zelf iets doen? Ja! Zelf iets doen! En we fantaseerden over samen tekenen en materialen uit ons beider knutselkast. En mijn zin werd nog weer groter. Vrienden die zich niet uit het veld laten slaan, die enthousiast raken over dezelfde soort wilde plannen als jij. Die in dezelfde richting denken, en jouw vuur met het hunne de sterren doet raken. Ja. Dat soort vrienden, daar moet je zuinig op zijn. En kei- en keihard van genieten.

Maar. Toen kwam de zaterdag. Na een woensdag die al niet heel lekker liep. Een donderdag met wattenhoofd en gapen. Een vrijdag waarop mijn gezicht zo zeer deed, dat ik het niet vreemd had gevonden als iemand me had verteld dat ik ‘s nachts ongemerkt door een indringer verschrikkelijk in elkaar was gebeukt. De blauwe plekken, echter, ontbraken.

Een nachtje slapen dan nog, dan zou het wel weer gaan, toch? Gewoon vroeg naar bed, en ik droomde al van papier en stiften en ecoline en Oost-Indische inkt. En eindeloos ouwehoeren. De grappen van D. De gespeelde (en soms minder gespeelde) verontwaardiging van R. De lol. De muziek in onze botten. (Denkt u daar maar over na.) Maar het ging dus niet op zaterdagochtend. Met schele ogen berichtte ik R. en D. van de ontstane ramp. Ik ging weer slapen en sliep de hele zaterdag lang, al snel gevolgd door de man, die na het boodschappen doen en een onmogelijk klusje aan zijn auto besloot dat zijn wattenhoofd ook in de revisie moest.

Het zou een weekend worden dat moest bruisen van de activiteit. Het werd een weekend waarin het enige wat bruiste de Hot Coldrex was. Er zit niks anders op. In her herkansingsweekendje zullen we dubbel moeten bruisen. Ik heb ergens het idee dat dat voor R. en D. geen probleem van belang gaat zijn.

We hadden nog net voldoende energie om zegeltjes te sorteren, maar zelfs dat hebben we niet gedaan - jongste was ons in een verveelde bui vóór...

We hadden nog net voldoende energie om zegeltjes te sorteren, maar zelfs dat hebben we niet gedaan – jongste was ons in een verveelde bui vóór…

Ontaarde ouders

Het was vrijdag. De week had weer vol gezeten met bruisende activiteit. Het was tijd voor bank, buis en patat van Daan. Ik draaide de Volvo het erf op en zag dat jongste, die vrij had, de konijntjes al buiten had gelaten. Fijn voor ze, want doordeweeks komen we altijd laat thuis en hoewel de beestjes een zeer riante binnenruimte hebben, inclusief twee nachthokken, vinden we het toch zielig als ze overdag maar een uurtje of twee uitgebreid in de modder kunnen rondhupsen. Ik zag overigens dat de waterflessen bijna leeg waren, maar dat regelde ik later wel.

Vlak nadat ik thuis kwam, reed de man zijn blubbertruck de oprit op. We zeiden hallo, we deden wat slijmerige echtgenoten doen als ze elkaar tien uur niet gezien hebben, en besloten patat te halen. We liepen richting de hoofdstraat en vroegen ons af of het druk zou worden, vandaag. We hadden nog geen lampionnetjes gezien en de bak met mini-reepjes was erg vol. Bij Daan zongen dan wel weer groepjes dik ingepakte kleuters over koeien met staarten en meisjes met rokjes. Dat kwam vast wel goed. Oh ja, en we moesten de konijntjes niet vergeten, straks.

En ik deed mijn bestelling en zag hem en haar van de schaapskudde in een dorpje verderop. Net toen we goed op gang waren met een analyse over de zaak Trump versus Clinton en Wilders, was hun bestelling klaar en niet veel later de onze. Huiswaarts. De kachel aan. Mayonaise. Curry. Het heerlijke genot van de vrijdagavond. Na een paar minuten kauwen dachten we niet eens meer aan de Verenigde Staten. En ook niet meer aan koeien met staarten. Want niemand kwam zingen over Sint Maarten. En niemand deed de deur die avond meer open.

Het was koud, vanmorgen. De rijp lag over de uitgebloeide hortensia’s en de oranje lampionnetjes naast de taxus. Ik zette koffie. Ik roosterde brood in oma Todors broodmachien (nog steeds niet kapot). Ik las Ons Eig’n Kraantien. En na twaalven vonden we het tijd om een boodschap te doen. ‘Doen we meteen de konijntjes buiten.’ Euh…dacht ik. ‘Ze zitten al buiten!’ riep ik tegen de man. Ik zocht naar een kapot slot, een paneel uit de binnenren dat stuk was gegaan. Een ander defect. Maar er was niks kapot. Het deurtje dat we zelf altijd keurig voor ze openzetten, stond keurig open. Willem zat stilletjes midden op een restje gras.

‘Euh…’ deed de man. Want nee. We hadden dat deurtje niet dichtgegaan, gisteren. Nee. We hadden ook geen brokjes gebracht. En ja, het hooi was inmiddels ook al op. En het restje water was bevroren. Daar stonden we dan, lichtelijk gebogen, de handen voor de mond. Dan rennend met brokjes. Vers hooi. En nog wat. En water. En veel lieve woordjes. Heel veel lieve woordjes. En het is maar goed dat konijntjes niet haatdragend zijn. Ik had mij toch eens goed in de vingers gebeten.

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Jimmy Scissorhands

Toen wij onze Jim leerden kennen, had hij nog niet vaak een dierenarts gezien. Het moest minstens één keer zijn geweest, want mini-poesjes kon hij niet meer maken, maar verder? De kinderen van de vorige huiseigenaar konden zich niet herinneren dat hun vader ooit met het beest naar de dokter was geweest. Vader zelf was er niet meer, maar wij proefden een dikke kern van waarheid in hun haperend verhaal.

Nu onderhouden wij al bijna dertig jaar innige relaties met het veterinair gezag, dus met Jimmy zetten wij ‘gewoon’ de traditie voort. Gewoon. Maar zo gewoon bleek dat dus mooi niet te gaan. Waar Jimmy in het dagelijks leven een kruising tussen een lakse luiaard en een dood vossenbontje is, verandert hij, eenmaal in een vervoersmand richting dierenarts, in een versmelting van The Tasmanian Devil en Edward Scissorhands. Oh ja. En Pavarotti.

De eerste keer dat Jim richting dierenarts ging, reed ik met natte handen en bonzend hart richting Westerbork, terwijl op de passagierstoel een eenpersoons wereldoorlog werd uitgevochten met schreeuwend luchtalarm. De tweede keer stuurde ik met een smoes de man op pad. Het bloed van gesneuvelde katernagels kleefde aan de buitenkant van de kunststof mand.

En vandaag moest hij weer. En de smoes bij de man werkte niet meer, want hij heeft geen dag meer vrij. En ik had nog steeds geen psychiatrisch vestje met lange mouwen voor hem (Jimmy, niet de man), dus we konden niet anders dan het er maar gewoon op wagen. Dus ik pakte de mand. En ik pakte een dekentje. En ik pakte een poes.

In de auto werd de binnenkant van de mand driemaal heftig bekrast. De misthoorn die zich in de oude baas verborg, liet zich nog tweemaal horen. En toen. Was het stil. Tussen de kieren in de mand zag ik een Jim die berustte in zijn lot. Iets wat hij, al spinnend tegen de dierenarts, op de tafel ter plekke herhaalde. En in de auto richting huis was er stilte. Tien kilometer lang.

Ik slaakte een zucht van verlichting. Die poes had het nog wel even volgehouden met zijn opstandig gedrag, misschien, maar ik weet niet of mijn zenuwen nog veel meer ritjes met de Tasmaanse Duivel, Scissorhands en Pavarotti hadden kunnen verdragen.

(Zeker niet in de wetenschap dat we volgende week wéér die richting op gaan.)

In het gewone leven maakt men 'The Jim' de pis niet zo gauw lauw...

In het gewone leven maakt men ‘The Jim’ de pis niet zo gauw lauw…

Feestje op de zondagmiddag

We hadden een plan. Geen idee meer wat de precieze aanleiding was, of wanneer het was, maar: er moest iets van een concert komen. Een bedankje voor trouwe donateurs van ons enthousiast, maar piepklein koor. En als we dan toch bezig waren, dan konden er ook anderen komen. Hoe meer zielen, hoe meer…enfin.

Maanden later herinnerden we elkaar aan ons idee. Oh ja, het donateursconcert. Iets met liedjes, en dan moest er een poster en een advertentie. En een actie met pepernoten. Of banketstaven. Of allebei. Presenteren we nog hapjes in de pauze? Geen koffie of thee?

Ik begin er langzamerhand aan te wennen, aan de manier waarop Gospelgroep Marturia haar activiteiten organiseert. Heel veel ideeën zijn er, er is minstens net zo veel enthousiasme, maar de precieze uitwerking volgt nog net niet ná de activiteit zelf. Soms spiek ik voorzichtig richting dirigent: krijgt ze nu nog steeds geen punthoofd van ons?

Maar. We stonden er vanmiddag. Met zijn allen, of bijna toch. Alle posters opgehangen, de advertentie in het dorpskrantje, alle hapjes gemaakt en de liedjes…hoe zat het met de liedjes? Er moest ergens nog een liedje bij, en uit de lijst met keuzeliedjes mochten er nog twee verdwijnen. Hoeveel kostten de drankjes ook weer? Ergens was nog een koorlid intekenlijsten voor de banketstaven aan het printen.

De zenuwen hingen achter de stembanden. Het uur van de waarheid wel erg dichtbij. Hoeveel mensen zouden er komen? Tien? Twintig? Geen? De deur ging open. De eerste bezoekers zochten hun plek. Er kwamen meer luisteraars, en nog meer, en hoewel de kerk niet vol zat, werd het toch een fijne, gezellige boel.

We hielden onze praatjes. We declameerden stukken van een prachtig gedicht. We zongen, als koor, maar ook samen met het enthousiaste publiek. We lieten horen aan welk lied we op dit moment werkten en ja, dát was dan ook duidelijk te horen, hoe mooi het ook over een paar weken hopelijk zal zijn.

Het werd een fijn en informeel kijkje in de keuken van ons kleine koor. ‘Een vriendengroep’, zei de dirigent, nadat ze zelf, als slot, het verzoeknummer ‘You’ve got a friend’ aanvroeg. Af en toe, zoals dat bij vrienden gaat, dan is er wel eens wat, zo vertelde ze het publiek, maar dan wordt dat stevig uitgesproken, en zoals dat bij goede vrienden gaat, gaan we daarna weer verder.

En ik keek naar die vrienden, en ik bedacht dat ik het inmiddels blijkbaar vanzelfsprekend vond, terwijl het dat toch absoluut niet is. Dit zooitje ongeregeld, dat er simpelweg IS als er iets moet gebeuren. Dat het toch elke keer weer flikt. Dat elkaar waardeert, en op hun eigen, unieke manier van elkaar houdt.

En dat je als aangetrouwd lid van die vriendschap ook mag genieten, mocht ook de man ervaren, die op zijn Marturia’s, terecht, stevig toegesproken werd toen hij ook nog even kwam kijken. Precies op het moment dat de afwas gedaan werd en het gros van de mensen weer huiswaarts ging.

...en we gingen toch nog in een rechte lijn naar huis...

…en we gingen toch nog in een rechte lijn naar huis…

Magnifiek mooie muurbloem

Hij had een film gezien, kwam hij enthousiast vertellen. De film was dermate goed, dat hij ‘m wel op dvd wilde hebben. Maar ja. Bol.com leverde alleen een peperduur, tweedehands resultaat op. Dus. Wat nu te doen?

Ik ging naar Maastricht. In de boekhandel Dominicanen dwaalde ik een paar stieve kwartiertjes vertwijfeld rond. Ik zag ‘The Nix’ en die leek me ontzettend leuk, maar het boek woog minstens twee kilo en aangezien ik immer lichtgewicht reis… Ik zag ook ‘The Girls’ van Emma Cline en die paste nog net wel in mijn tas. En toen zag ik ‘The Perks.. ‘ En ik dacht: het is dan wel geen dvd, maar…

Ik kwam weer terug van mijn monstercultuurtrip en overhandigde jongste het gevonden cadeau. ‘Nu slaap ik dus niet,’ zei hij en ik wist dat dit uit de mond van een doorsnee jongere een grapje zou zijn. Het werd tijd om de film dus ook eens te zien. En ik zag ‘m, op de vrijdagochtend, via Netflix, en halverwege het verhaal was de Kleenex-box bijna leeg.

Tegen het eind van de middag kwam de Perks-fan zijn bed uit. De nacht was doorwaakt geweest, maar het boek was uit. Hij wilde de film nóg een keer zien, na het lezen van het verhaal. De man en ik keken mee. Gelukkig stonden de restjes Kleenex nog steeds in de buurt. Alweer die jongen van 16 die zijn eerste jaar high school moet zien te overleven. Die zich afvraagt waarom mensen doen wat ze doen. Waarom hij voelt wat hij voelt. Waarom de wereld zo is als ze is. Waarom mensen de mindere liefde kiezen die ze menen te verdienen.

Op momenten waarop de hoofdpersoon zich verslikte in zijn sociale onhandigheid, bijna verzoop in zijn verdriet, gefrustreerd raakte door de onmacht iets te maken van zijn getroubleerde verleden, wilde ik wel door het scherm kruipen om mijn armen om hem heen te slaan. Gewoon, even stilstaan. Heel zachtjes, maar dwingend fluisteren dat het echt, écht, ècht wel goed komt. Ook met hem.

Maar dat kon ik niet. Ik kan dat niet. En dat geeft ook niet, want aan het eind komt alles, ook zonder mijn bemoeienis wel goed. En intussen las ik op aanraden van jongste óók het boek. En kijk ik binnenkort vast nóg een keer de film. En mocht-ie van Netflix verdwijnen, dan surf ik snel naar Amazon, waar-ie, zo blijkt, voor 3 dollar al te halen is. Koopje, voor zo veel geweldigs. Dan kan er best nog een extra doosje Kleenex vanaf.

Must read!

Must read!