Afterparty

Het ligt alweer lang en breed achter ons. Kerstmis. Moet ik er dan toch nog zo nodig even wat over zeggen? Neuh. Niet per se. Maar het kán wel. En het is, denk ik, veiliger om dat te doen tijdens de afterparty, die zo ongeveer tot ná 1 januari duurt. Ik heb best wel uitgesproken ideeën over kerst en ik weet dat die niet door iedereen gedeeld worden. Door er dus ná kerst pas over te mekkeren, verpest ik niemands zalige feest.

Ik vind het namelijk nogal wat, dat kerstgedoe. Vol van hooggespannen verwachtingen. Vol van ‘gezellig’ en ‘eet en drink nog wat’. Vol van ‘overal heen’ of ‘overvol thuis’. En nee. Dat is niet mijn feestje. Ook al gun ik ieder zijn eigen ding en zal ik nooit zeggen dat je niet met de hele familie bij elkaar moet zijn. Toegegeven zelfs, vorig jaar was ik wel ‘met de hele familie bij elkaar’ en dat was niet de hel op aarde.

Toch. Ik geniet het meest van de rust in mijn eigen huis. Van het terugtrekken in de eigen hut. Het overdenken van de dingen die ik gedaan heb. Nooit meer zou doen. Niet meer zou willen. Wèl ga doen. Wèl zou willen. Dat lijstje bestaat uit opsommen en uitgummen. Uitwisselen en aanvullen. Tussendoor een boek. Een aai over een poes op schoot. En nog één.

Dit jaar bestond het meest kerstige van deze kerst uit de nachtdienst, waarin we als gospelgroep zongen. Waarin we samen een beetje moesten lachen om de dominee, die haar spullen duidelijk niet helemaal op orde had. Waarin de man voor het eerst de traditie van ‘de pepermuntjes tijdens de overdenking’ meemaakte. En voor het laatst, dreigde hij, al lag dat niet aan de preek of de pepermuntjes, maar veel meer aan de liedjes die we zongen en die hij een dag later nóg niet uit zijn hoofd kreeg.

Daarnaast waren er koekjes. Veel koekjes. Omdat dat vroeger ook zo was, en goede dingen moet je niet laten gaan. Er waren liedjes, veel liedjes, tijdschriften, een krant. Kilometers rond het dorp, en door het bungalowpark een stukje verderop. We zagen vakantiegangers in de kampwinkel debatteren over het beste gourmetvlees en we keken elkaar aan en dachten: soep.

Het is 30 december. Morgen is alweer de laatste dag van het jaar. Ik heb al teruggekeken. Ik heb het jaar al overdacht. Ik weet wat ik niet meer zou willen. En wat ik wèl wil doen. En nee, daar ga ik u niet mee vermoeien. Ook aan die traditie doe ik liefst niet mee. Ik wens u wèl een fijne jaarwisseling, die u hopelijk op uw eigen manier mag vieren. Het liefst met ‘een beetje gezond weer op’, op Nieuwjaarsdag. En dat dat dan het begin mag zijn van een liefdevol jaar. Met veel valide argumenten. Dat ook.

Euh...traditie?

Nu moet ik dan wel

Het is niet dat ik het niet meer leuk vind om aan wedstrijdjes mee te doen. Ook al win ik nooit. Ook al vraag ik me tijdens het hele gebeuren steevast af ‘waarom ik dit ook alweer doe’. Ook al zijn de weersomstandigheden vaker wel dan niet om niet over naar huis te schrijven. Neuh. Daar ligt het allemaal niet aan. Ik kom er simpelweg niet zo vaak meer aan toe om me in te schrijven. En dan ook nog eens ter plekke te verschijnen.

Dus nee. Ik had me ook nog niet ingeschreven voor de Aalden Rondomme, het loopje waar ik vorig jaar collega M. voor gestrikt had, en het jaar ervóór collega W. ‘Leuke omgeving om in te lopen’, zoiets had ik vast tegen haar gezegd, omdat W. best van leuke omgevingen houdt. Helaas waren de weersomstandigheden dermate bar, dat collega W. slechts hagel zag en wind en regen tegen het lijf voelde striemen. Zelfs de man, als toeschouwer, maakte zich uit de voeten. Het water liep hem in de laarzen, zo aan de kant.

Maar toch. Fijn loopje. En natuurlijk zou ik er dit jaar weer zijn. Alleen al omdat het om de hoek is. En omdat het toch echt weer eens moet. Maar het hardlopen ging de laatste tijd wel váák, maar niet vèr. Dus ja. ‘Ga je tien kilometer doen?’ vroeg de man en ik dacht aan collega M., die de tien kilometer vorig jaar net zo snel liep als ik de 6,5. Ik dacht aan de opgave die het bij de Stonecityrun in juni was, om die tien een beetje charmant te vervolmaken. En ik schudde van nee.

En ik had me dus nog steeds niet ingeschreven en ik maakte ook geen haast. Zoveel dingen te regelen nog op school, een heerlijke niks-doen-vakantie voor de boeg, zo weinig kilometers in de benen. Tot ik redacteur J. tegen het lijf liep, tussen de boodschappen in de plaatselijke supermarkt. Of hij me even kon spreken. Want die stukjes in het plaatselijke krantje, zouden we daar al een afspraak over kunnen maken? Beginnen in januari, en dan zes maanden lang ‘kiek’n wat ‘t wordt’?

En ik knikte van ‘ja’ en ik mompelde nog wat over de buurvrouw, die mijn stukjes graag in het krantje zag verschijnen en J. wapperde met zijn handje en zei: ‘Dat snap ik, want dat wil ik ook.’ En of ik dan kon beginnen met een stukje over de Aalden Rondomme. De foto, daar zorgde hij wel voor. En ik dacht: ok. En ik dacht: nu dan wel even een beetje strak gaan trainen. En nee, het wordt geen tien kilometer. En ja. Die inschrijving, die is bij dezen dus eindelijk geregeld.

...nog genoeg energie om iets van een grijns te produceren...

…nog genoeg energie om iets van een grijns te produceren…twee jaar terug, dus…

De alternatieve bedevaart

Het stond al een poosje in de agenda. Zeker een aantal weken op het whiteboard bij de deur. 10 december: Kevelaer. Een uitje dat een traditie geworden was. Driemaal met vroegere vriend S. Driemaal intussen alweer met de man. En ja, ik had er zin in. Weer struinen over de kerstmarkt. Minstens één kaarsje opsteken ter behoud van het internet en overige belangrijke zaken. Een nieuw kerststalletje. Een nieuw hangertje voor in het groen. En gewoon, heel gewoon, genieten van elkaar.

Maar de vrijdag kwam en ik durfde na het avondeten even te gaan liggen. De man had een rechtop zittende slaaphouding gevonden, en zo schrokken we een stief poosje later wakker met de televisie nog wat mompelend op de achtergrond. ‘Euh..’, zei ik. ‘Nou!’ zei de man. ‘Maar het is een traditie!’ ging hij verder. ‘Maar we zijn blijkbaar ook erg moe,’ zuchtte ik. ‘Maar het is het begin van de kerstperiode,’ zei de man. En ik knikte. Heel zachtjes en gapend. ‘Zondag is misschien niet alles open.’ Anders konden we dán nog gaan. ‘Mêh,’ deed ik en ik googelde nog wat op kerstmarktjes dichtbij en kerken die open konden. Want ja…

En het werd zaterdag, en we haden afgesproken dat we het die ochtend wel zouden zien. Wie weet, waren we dan wel helemaal fit en had minstens één van ons zin om de tweeënhalf uur naar het zuiden te chaufferen. Ik keek naar het kleine streepje licht onder het Velux-gordijn, terwijl de man naar de wekker greep. ‘Dat wordt dus geen Kevelaer.’ Het was al bijna half tien. En ik rekte me uit en we zetten koffie en wreven ons uitgebreid in de ogen. Waar gaan we dán heen? Het moet toch minstens over de grens.

En het werd Meppen. Een half uurtje rijden en echt Duitsland. Met een echte kerstmarkt en minstens één kerk die open kon. Een beetje onwennig, alsof we ongenode gasten waren op het verkeerde feest, liepen we het centrum in. Een geur van Glühwein, Nutella en versgebakken wafels pakte ons geleidelijk en stevig in. Ik stak mijn kaarsje op in een kerk die niet zo overweldigend pompeus was als alle kerken in Kevelaer dat zijn, maar hij was rustig, fijn en het glas-in-lood was evengoed een lust voor het oog.

We moesten even zoeken naar iets nieuws voor in het groen (nee, een boom hebben we niet, maar voldoende groen om vol te hangen), maar dat kwam vast omdat we heftig afgeleid werden door een expositie die niets met kerst te maken had. Het ging over Hundertwasser, een schilder waar de man ik steevast blij van worden, dus ook nu. We kwamen er maar met moeite weg. En toen nog even langs Müller, en even door de Kaufland, en ik vond een hanger van een rendier, maar geen stalletje, dus er kwam een schitterend alternatief.

Als je die stevig vastgeroeste kersttraditie om naar Kevelaer af te reizen tenslotte zó los weet te wrikken dat je er het hele weekend nog over zit te jubelen, dan kan die andere traditie, om elk jaar een stalletje te kopen, ook wel op de schop. En zeg eens eerlijk: tegen zo’n zoet sneeuwmannetje kunnen maar weinig stalletjes op.

Ik vind: hij staat er prima tussen!

Ik vind: hij staat er prima tussen!

Op zijn Drents in de wildernis

Volgens mij hoef ik niemand die hier weleens leest te vertellen dat de man en ik redelijk gesteld zijn op Drenthe. Dat waren we al voordat we er kwamen wonen, maar de verhuizing heeft onze liefde versneld naar grote hoogten gebracht. Kom niet aan ons Drenthe. Kom al helemaal niet aan de Drentse natuur.

Toen ik op Facebook Henk Bos zag voorbijkomen, was ik dus meteen geïnteresseerd. Hij was bezig met een film over de natuur in Drenthe. Niet àlle natuur, want dat is schier onmogelijk te vangen in één zitting, maar toch: een boel natuur. Vooral zijn zoektocht naar beelden van de boommarter maakte ik digitaal van dichtbij mee. Als er nou eens een heuse bioscoopfilm zou komen…

En die kwam er. ‘Wildernis in Drenthe’ heet de film en de trailer maakte me helemaal blij. Mijn bioscoopbon bevatte nog 12 euro; ik hoefde dus maar weinig bij te betalen. Ha, die bioscoopbon, dat is nog een verhaal op zich. Anderhalf jaar geleden gekregen tijdens een feestje ter ere van het een jaar eerder behaalde diploma van de lerarenopleiding.

Het feestje bestond uit karten (wat ik volgens de andere afgestudeerde collega deed als een oude krant) en barbecueën en veel gezelligheid. En de ontvangst dus van een vet cadeau ‘voor in het donker’. Maar films kijken…dat kwam er dit najaar pas van. In Maastricht zag ik ‘La danseuse’ en ‘Florence Foster Jenkins’. En nu dan: ‘Wildernis in Drenthe’. De man mocht mee.

En ja, de film was mooi. Al giebelden we wel een beetje om de gemiddelde leeftijd van de bezoeker. Volgens mij haalden wij die met zijn tweeën toch met minstens twintig jaar naar beneden. En toen de voice-over begon, deden we allebei zoiets van: ‘Huhu!’ Bij een natuurfilm verwacht je toch altijd een stem die lijkt op die van Sir Attenborough, maar hier had de filmmaker zelf zijn stem ingezet. Denk aan een Drent die heel netjes Nederlands probeert voor te lezen en daarbij voor de taalpurist af en toe onhebbelijke constructies toepast.

Het is een kniesoor die daarover valt. Vonden wij. Zie het maar eens voor elkaar te krijgen. Uit alle, gedurende twee jaar geschoten beelden het mooiste selecteren. 21 bioscoopzalen in no time uitverkopen en mensen laten zien hoe mooi Drenthe toch is. Ook al weten ze dat wel. Een das, een boommarter, een draaihals of een jagende ringslang…je kunt wel zo vaak door jouw Drenthe dwalen, maar je krijgt ze echt niet voor de lens van je simpele camera. En dat hoeft ook niet. Dat heeft Henk al geregeld en daar ben ik hem dankbaar voor.

Ik heb genoten. Iedere wandeltocht die we vanaf nu door onze provincie zullen ondernemen, zal toch rijker zijn. Nog mooier. Omdat we nu nog beter weten wat er achter het diverse struikgewas schuilt.

Hoewel dit best in Drenthe kon zijn, was dit in Rusland. Eind 19e eeuw. Mooie overgang van bioscoop naar Drents Museum.

Hoewel dit best in Drenthe kon zijn, was dit in Rusland. Eind 19e eeuw. Mooie overgang van bioscoop naar Drents Museum.