Brood en lezen

We waren er al behoorlijk vaak geweest. In precies deze omgeving. Ook al vaak in precies hetzelfde dorp. Het maakte de voorpret niet minder. Integendeel. Wat er toen leuk was, ook al was de laatste keer Søndervig voor mij in 2012 en voor de man in 2008, was nu vast even leuk. Of leuker. Als progressief mens geloof je toch immer in vooruitgang, nietwaar?

We verkneukelden ons daarom al over de vele strandgangen. De mooie stenen die we er zouden vinden. De weidse vergezichten. We bedachten dat er in de grote supermarkt in het dorp intussen best wat vegetarisch spul te vinden zou zijn (in tegenstelling tot de totale afwezigheid ervan in 2012) en als dat niet het geval was, dan verlustigden we ons wel aan die andere obsessie: boeken. Bij Kröning aan de Nordsøvej.

We pakten de Volvo in met vooral veel warme truien, mutsen, sokken en wandelschoenen. Er ging wat leesvoer mee, een puzzelboek, de smartphones en een bosje laders voor diverse apparaten. Een lading nostalgie in plaats van emmertjes, schepjes, kleine rubberlaarsjes en een bak vol K’nex. De ene volwassen zoon past op onze kinderboerderij thuis, de andere vroeg of we nog even wilden kijken voor een koelkastmagneet.

Het waait hard in Søndervig, maar het strand ligt er, met de diverse resten van de Atlantik Wall, nog even indrukwekkend bij als vijf jaar geleden. We rapen nú nog maar weinig stenen, anders is het einde al zoek. De winkel in het dorp heeft inderdaad wat vegetarische opties. Twee keer boterhamworst, één keer hamburgers. Wilmsburger veganistische kaas.

Maar dan Kröning. Met zijn grote parkeerplaats. Zijn geldwisselservice. Zijn indrukwekkende collectie tweedehands boeken in zo veel talen. Zijn rekjes en rekken, zijn stilte, zijn norsige eigenaar. De belofte van uren zoeken en pareltjes vinden. De boeken die je nooit uit krijgt, maar desondanks wilt hebben.

Hij wordt een dagje ouder, gok ik, heer Kröning. Of de ontlezing slaat ook hier, vooral in het laagseizoen, toe. Hij is nog wel open, maar pas vanaf juni. ‘Jeetje, als het nou in mei was!’ mopperde de man. Tsja. Dan hadden we er nóg niks aan gehad.

Genoeg lekker brood, dat wel!

Genoeg lekker brood, dat wel!

Geluk zit in een taartje

En toen, aan het eind van de eerste week van deze vakantie, toen ik in ieder geval één rode pen had leeggeschreven op stapels combitoetsen en spelling-s.o.’s, stond er nog een bezoekje aan een bijzondere vorm van onderwijs op de agenda. Een vorm waar, zo bleek, je niet zo snel een rood pennetje kunt vinden. Ik vond er wel met potlood geschreven feedback (tips!) op een combi-werkstuk voor geschiedenis en Nederlands. Ik vond er veel spelletjes. Lego. Bollen wol en stapels creatieve projecten.

Maar. Voor ik op de zaak vooruitloop. Voor ik ga beschrijven hoe ik vanuit Aalden oostwaarts reed en toen langs paden kwam die namen droegen als ‘Tweederdeweg’ en ’24ste laan’. Hoe ik uiteraard, mèt navigatie aan, verkeerd wist te rijden, vooraleer ik kon parkeren bij de verkeerde boerderij, maar al wel op het goede erf. Naast konijntjes in hokjes, waar ik dan weer erg droevig van werd, maar zo deden ze het dus niet dáár.

Oh. Waar? Nou ja. Op ‘De Ontdekking’ in Nieuw Buinen dus. Google dat maar eens. Of like ze op Facebook. Onderwijs op zeer individueel niveau. In een omgeving waar vanmiddag ook een grootmoeder vroeg of ze hier kon komen leren. En ik snapte dat. De leerling die mij rondleidde, en die eerst ‘van mij’ was, maar nu ‘van hen’, snapte mij ook heel goed, toen ik zei dat ik er enthousiast van werd. Al dat materiaal, al die kansen. Al die keuzes.

En nee. Begrijp me goed. Zeg mij niet dat ‘het onderwijs’ het zo vreselijk fout doet. Ik zie zo veel goede dingen ontstaan op mijn heel gewone school. Ik zie bevlogen collega’s die er echt wat van willen maken. Ik zie veranderingen die me blij maken, ik zie het behouden van wat goed is. Ik zie het geworstel, want het gaat soms langzamer dan we willen, en soms gaat het net iets te snel. Maar ik houd van mijn werk, en ik ben dol op mijn school.

Maar. Niet iedere leerling redt het in dat reguliere onderwijs. Soms is er een ‘square peg’ en dat wil niet door een ’round hole’. Zo’n leerling wordt doodongelukkig. Heel stil. Komt niet waar ze heen wil, doet niet wat ze kan. En bij toeval komt zo’n leerling op deze bijzondere school terecht. En daar vertelt ze honderduit over alles wat ze er mág doen. Over alles wat ze leert. Dat ze die gewenste vervolgopleiding zeker weten gaat halen. En ohja. Ze bakt ook taarten.

Ik heb vanmiddag mogen proeven. Tot in mijn tenen heb ik genoten. Niet alleen van de lemon cheesecake met frambozen, maar vooral van dat stralende gezicht daarachter, dat iedere dag weer uitkijken kan naar wat er nu weer te leren is.

Jimmy weet zijn tempo altijd prima te vinden...

Jimmy weet zijn tempo altijd prima te vinden…

Buitensporig veel Ballast

Dit weekend hoefden we niks. Een planning zo leeg als een nieuwe docentenagenda eind juni. We zouden het simpelweg wel zien. Ok, de voorjaarsmarkt in ouderenzorgcentrum De Korenhof, daar wilde ik wel even langs, en ik wilde ook verslagen nakijken, en misschien dan toch eindelijk een keer langs die beddenspeciaalzaak annex gordijnenspecialist annex vloerenverkoper annex damesmodezaak annex herenmodewinkel annex fourniturenhandel. Inclusief ritsen en sokkenwol.

‘Dat roep je nu al eeuwen, maar je gaat er toch nooit heen’, sprak de man en hij trok het rugzakje met de geitenwollensokken en de gebreide kippen van de voorjaarsmarkt wat rechter op zijn rug. Ik zweeg. Heel even. En toen zei ik: ‘Ik ga er nu dus heen.’ Ik moest immers een nieuwe sportbeha hebben, want op mysterieuze wijze waren er twee kwijtgeraakt in één week tijd. Van de lijn gepikt? Door de droger opgevreten? Joost mag het weten, maar intussen wil ik met de E’tjes wel veilig blijven sporten.

‘Euh, nee,’ zei de mevrouw van de veel-in-één-winkel, ‘we hebben geen sportbeha’s, of wacht, er liggen er hier nog twee, maar daar moet net je maat maar bij zitten.’ Intussen vergaapten de man en ik ons aan de collectie van deze winkel, die zo’n smal voorkantje had, maar in de loop van vele jaren enorm naar achteren was uitgebouwd. Zo vertelde de eigenaar die ons later ook alles vertelde over pvc-vloeren en koudschuim. De vrouw had de doosjes van Triumph in haar handen en ik staarde in totale verbijstering naar de maat op één ervan. Dat was toevallig net de mijne.

‘Heb je de bloesjes hier al gezien?’ vroeg de man en ik knikte. De eigenaar hield er een paar op, zodat ik er foto’s van kon maken en kon appen naar jongste. Het was een attent gebaar van ons, natuurlijk, maar meer nog een slappe poging om het kind ‘aan een ander ruitje te krijgen’. We weten intussen wat hij mooi vindt, en hijzelf weet dat ook. Daar komt geen ander streepje tussen. ‘Ik wil nog even boven kijken’, zei de man toen en hij liep de trap op naar ‘de vloeren’ en ‘de bedden’. Ik legde het goede ruitenbloesje, na het definitieve digitale fiat van jongste, samen met de sportbeha alvast maar op de toonbank.

We liepen nog een rondje Aalden, na ons bezoek aan Ballast. (Ik kan er ook niks aan doen dat die zaak zo heet.) We vroegen ons tevergeefs, voor de zoveelste keer, af hoe dat toch werkte met ons. We gingen er binnen voor een beha. We kwamen er buiten met een bloesje. Inderdaad, ook met een beha. En, omdat er kortsluiting in onze hoofden ontstond zeker, met een aankoopovereenkomst voor een knetterfijne boxspring en twee splinternieuwe matrassen.

Het werd die rechtsboven. Wat we al wisten, natuurlijk...

Het werd die rechtsboven. Wat we al wisten, natuurlijk…

Andere paardenkrachten kopen?

Het was vandaag D-Day. Zoals zo vaak eerder, maar dan met andere auto’s. Oude auto’s. Vooral een specifieke Volvo 940 en iets later de roemruchte Mazda Premacy konden er wat van: ze kostten ons vijf ribben uit het lijf en minstens een half maandsalaris per APK. ‘s Morgens brachten we met bibberende knietjes het vervoermiddel naar de garage en vervolgens zaten we de hele dag als een leerling na de examens naast de telefoon. En helaas. We slaagden nooit.

Na die Premacy was ik het dan ook danig zat. Er moest en zou een nieuwe auto komen. Desnoods een piepkleintje. En dat werd het, een piepkleintje, want grote bakken konden we alleen betalen als ze uit de grijze oudheid kwamen. Met bijbehorende garagestress, inderdaad. Maar goed. Er kwam dus een Renaultje en ik was, en ben, als een kind zo blij met het ding. En iedere APK-dag tot nu toe blijf ik gewoon de hele dag neuriën. Zelfs als de telefoon gaat.

Maar ja. Toen liepen we dus zomaar tegen die ene nieuwe liefde aan. Zoals het onbesuisde verliefdheid betaamt, waren we nog minder kritisch dan tijdens de ontvangst van het jaarlijks kerstpakket, dus we keken nergens echt goed naar en wilden bij de aankoop nog wel een bonus betalen. Als we ‘m maar meekregen. Pas later zagen we de haakjes en de oogjes. Pas later beseften we: deze Zweedse vrachtwaggel is wel 25 jaar oud. En vandaag moest hij naar de garage. Voor de beruchte APK.

‘Dan doen we maar zuinig aan met vakantie’, zeiden we. ‘En dat nieuwe kozijn in de badkamer boven, dat kan ook vólgend jaar.’ Ik zou mijn oude wandelschoenen nog wel een jaartje dragen en ach, de nieuwe vloer, dat blijft voorlopig dromen. De rekening werd in ons hoofd soms een beetje minder, maar vaker een stuk hoger. Een stadslichtje aan de rechterkant konden we zelf gisteren niet meer vervangen. Nou ja. Dat kon er ook nog wel bij.

‘Tot 500 mag het zó gerepareerd worden,’ zei ik vanmorgen tegen de garageman, ‘daarboven moeten we even overleggen.’ De garageman knikte en ik toog wandelend huiswaarts. Met die knikkende knieën, u raadt het, en ze bleven de hele ochtend wiebelig. Tegen kwart voor twaalf hield ik het niet meer en ik belde de man. Of hij dan de garage wilde bellen en mij dan weer terug. Omdat ik zelf niet durfde. En hij belde de garage. En hij belde mij weer terug. Ik moest de Zweedse schone maar gaan halen.

Met de kin nog op de straatstenen stond ik voor de garage. Was hij echt en werkelijk goedgekeurd? De garageman knikte. Er was iets met een lampje en de rechterkoplamp, maar verder was er niks aan de hand. ‘Echt niet?’ vroeg ik dommig en even leek het of hij toch iets wou verzinnen. Maar nee. Er was echt niets. En ja. Er was volgende week woensdag wel ruimte voor de Renault. De 150.000-beurt. Oh shoot. Een nieuwe distributieriem.

Omdat geluk natuurlijk geen eeuwen kan duren. En we intussen toch al ideeën genoeg hadden om hier en daar op te bezuinigen.

Dus nee...voorlopig hoeven er geen andere paardenkrachten aangeschaft te worden. Yay!

Dus nee…voorlopig hoeven er geen andere paardenkrachten aangeschaft te worden. Yay!

Terwijl je andere plannen maakt

1 april, kikker in je bil. Euh. Heel eerlijk, ik dacht daar pas aan op het moment dat een oud-collega op Facebook vertelde dat ze misschien op Bonaire iets met Duitse les zou gaan doen. Oh nee. Ik dacht pas aan 1 april toen anderen oud-collega R. ervan beschuldigden grapjes te maken. Tsja. Mij kun je alles wijsmaken. Ook op 1 april.

Zo geloofde ik dan ook dat we vandaag met gospelgroep Marturia gezwind door de straten van Aalden en omstreken zouden spoeden met paaseitjes en walnoten. Ieder jaar verkopen we zakken en bakken vol, maar niet eerder op 1 april. Afijn. Koorleden J. en B. en ik zouden samen naar Zweeloo. De onverwoestbare Volvo van J. mocht mee. We parkeerden het bakbeest aan de rand van het dorp en begonnen aan de noeste klus.

Bij het eerste huis was het meteen raak: een zelfbedachte constructie van ‘zus en zo’ voor een tientje vond direct aftrek. Goed voor stevige motivatie en ik belde aan bij het volgende huis. Niemand thuis. En ook niet bij de buren. En daar de buren weer van hadden ook iets anders gepland. De paaseitjes en walnoten in de stevige tas van de Action werden bij iedere stap een kilo zwaarder.

‘Stukje verder dan maar?’ vroeg J. Daarop stapten B. en ik zuchtend in. Om vervolgens toe te zien hoe de Zweedse degelijkheid niet zo degelijk was als we tot dan toe dachten. De Volvo maakte vreemde geluidjes die niet op starten leken. Uit de cd-speler kwamen tikjes en raspjes. Uit onze monden kwam vooral verbazing. Zelfs voor een 1 aprilgrap was dit echt te bizar. J. belde haar man. Ik de mijne. De laatste kwam even later aanrijden in mijn Zweedse vrachtwagen. Waarvan een lampje dan weer stuk was. Ik zweeg.

Nee. Daar zat geen accu.

Nee. Daar zat geen accu.

De man en B. bogen hun hoofden onder de motorkap. ‘Even aanduwen’ zou bij deze automaat niet gaan werken. Op zoek naar de accu dan maar. Helaas was die 1 aprilgrap al aangeleverd bij vertrek uit de fabriek: de accu bleek onvindbaar, ook na grondige inspectie van de voor- en achterbak. Om de treurigheid van de situatie te onderstrepen, werden de sluizen in de hemel opengetrokken. Zelfs schuilen onder de hemelsbrede motorkap bood geen soelaas. We raadpleegden Buienradar. Nog tien minuten.

Tussen de laatste druppels door vonden de heren toch nog iets waar een accuklemmetje op paste. Er werd wat gas gegeven hier, er werd een paar keer gestart daar. Na een paar pogingen kwam de Volvo van J. weer tot leven en de verkoop werd herstart. De eerste de beste zak walnoten die ik uit mijn Action-tas viste, barstte open. Evenzo barstte mijn humeur. ‘We pakken in,’ sprak J. even later en we gingen theedrinken in de kerk, waar intussen ook de rest van de groep was neergestreken.

In de avond togen koorlid W., koorlid I. en ik gedrieën richting de musical ‘Op zoek naar Judas’. Een verhaal over de gedoodverfde verrader, dat ineens ook een heel andere wending kreeg. Iemand die durft te beweren dat dat heel verrassend was, heeft van deze dag duidelijk geen sikkepit begrepen.