Koele kikkers

Tsja. Een ideale schooldag lijkt de dag na hemelvaart niet. Heel even dacht ik zelfs dat de school diep in Drenthe de enige school in Nederland was die het onzalige idee had gehad van deze vrijdag een schooldag te maken, maar dat bleek niet zo te zijn. In Den Haag was er ook zo’n school. Leerlingen daar waren zo ontevreden over de gemiste vrije dag, dat ze maar gingen staken. De stumpers.

Nee. Dan de Drenten. Natuurlijk hielden we ons hart een beetje vast. Collega H. sprak van ‘de goden verzoeken’ toen ik een proefwerk plande, en omdat hij er zo serieus bij keek, zag ik er uiteindelijk toch vanaf. Ik bedacht wat ik dán zou doen, want iets belangrijks uitleggen als de helft van de klas mist, leek me ook al niet handig.

Maar. Er misten maar een paar leerlingen. In mijn klassen niet meer dan normaal. Er werd wat gepuft en gehijgd. We mopperden even hartgrondig en diep over het lot dat ons trof. De verbrande schouders werden getoond, over te rode wangen werd gewreven. Eén heerschap voelde zich in het algemeen door de hitte wat wee. Ik haalde verse thee met twee klontjes suiker voor hem en we gingen van start met een betoog over vechtsporten en het nut daarvan.

Want dat was wat er gebeurde. Er was ‘gewoon’ les. Er was ‘gewoon’ gedoe met de telefoons. ‘Gewoon’ gezeur over huiswerk en niet begrepen taken. Er was de ‘gewone’ vrijdaglol, met net iets meer geduld dan op de andere dagen. Er werd ‘gewoon’, met alle roodverbrande neuzen van de zon op Hemelvaartsdag, vooruitgekeken naar het komende weekend.

En ik zat daartussenin een beetje suf te staren en te dirigeren. Ik had mijn sporttas thuis laten staan en ook het Chromebook stond thuis nog aan de lader. Juf deed zelf blijkbaar nog het meest ongewoon van allemaal. En bij dat ongewone paste dan weer perfect die klop op de deur. Twee dames uit mavo 3, met een ijsje voor de toch wel wat verhitte juf. Die op haar beurt mavo 1 beloofde binnenkort de les te beginnen met ijs voor de leerlingen.

Om de zaak niet op de valreep toch nog even over te laten koken, zeg maar.

IJs

Een grotemensenbed

De man, hij is intussen de 50 voorbij. Ikzelf raas er in rap tempo henen. Toch brengt de uitspraak ‘act your age’ ons nog steeds in verwarring. Zou het komen doordat de jaren zo verschrikkelijk snel omgevlogen zijn, dat we nooit in de gaten hadden dat we bij een bepaalde leeftijd waren aangeland? Of hebben de opmerkingen van een vorige buurvrouw, ‘dat bij zo’n leeftijd toch ècht vitrage/haarkleuring/nette kleding hoorde’, toch meer invloed gehad dan we dachten?

Feit is, dat we er nog steeds niet achter zijn. Achter wat nou precies hoort. En feit is ook, dat we er inmiddels wel achter zijn dat we nou niet bepaald meegaand zijn, waar het om opinies, mode, of andere zaken over ‘hoe het heurt’ gaat. Dus dat we tot afgelopen woensdag nog steeds in ons studentenbedje sliepen, verbaast ons ook weer niet.

We kochten het ergens begin jaren negentig. Een heuse ‘boxspring’, zo stond op de website van Wehkamp, en inclusief matrassen en pootjes nog geen 500 gulden. Gulden. Ja. De matrasjes sliepen best, voor een jaar of tien, dus ergens in het begin van de euro-tijd kochten we er nieuwe matrassen bij. Het een, iets zachter, kostte 98 euro. Het andere, iets harder, 109. Of 110. Daar wil ik vanaf zijn.

Het bedje ging mee naar de Wendakker, ons eerste grotemensenhuis, met garage, vijver en een badkamer met bad. Niet dat het afgebouwd is in grotemensenstijl, maar je kunt ook te veel verwachten in te korte tijd. Het bedje paste precies onder het schuine dak, we timmerden ernaast een nep-Gorm tegen de muur, erboven een zelfgefabriekt hoofdbord van een restje van diezelfde kast. De gammele kledingkast van de vorige bewoner bleef er gezellig amechtig tegenover staan.

En toen liepen we dus die ene zaak in, weet u nog wel? Voor die sport-bh en dat bloesje. En we kwamen er buiten met de aankoopbon voor een echt grotemensenbed. 1000 euro korting, vooruit, het hoeft niet meteen om grotemensengeld te gaan, al bleef er ons inziens voldoende te betalen over. Het bed past ternauwernood onder het schuine dak. Als ik erop zit, komen mijn voeten net niet op de vloer. De nep-Gorm moet echt van de wand, willen we nog ademruimte hebben. De kledingkast met de nog half zwiepende klapdeuren wordt wijselijk vervangen door ‘iets van een Pax’.

We stappen er behoedzaam in ‘s avonds, of moeten we zeggen: we klimmen erop? Dan liggen we opgewonden te wachten tot de slaap ons vat. We aaien verliefd over de doorgestikte, zachte vierkantjes van het 25 cm dikke topmatras. Zuchtend staren we naar het plafond met de lamp ‘met een knoop in het snoer omdat je er anders je hoofd tegen stoot’. Ver onder ons reiken we naar de wekker op het geverfde IKEA-kastje. Het knijpspotje van de HEMA ligt onhandig op het statig grijze hoofbord.

Daar liggen we dan. In ons grotemensenbed. Als eiland in de rest van ons studentenspul. Ik denk dat we ons voorlopig dus nog geen zorgen hoeven maken.

Vrachtwaggel

Euh…zoon…ik denk dat de volgende upgrade van jouw bed dan weer niet in de Volvo past….

In het water vallen

Omdat de man en ik na ons tripje naar Denemarken nog immer niet genoeg hadden van ‘Het Hoge Noorden’, besloten we vorige week af te reizen naar Schokland. Ja. Op dit bijzondere eiland, dat nu geen eiland meer is, organiseert men blijkbaar jaarlijks de Scandinavië Markt, iets wat de man tijdens één van zijn vele meetklussen in de Noordoostpolder had ontdekt via een billboard langs de weg.

Wij moesten daar dus heen, naar deze markt. Ook al liepen er, compleet zinloos als je het mij vraagt, ook rendieren rond. En een soort van speciale Scandinavië-honden die volgens mij veel liever ergens in het bos hadden gerend in plaats van aan een lijntje hadden gezeten om bewonderd te worden door slenterende bezoekers. Maar. Dat terzijde. De man en ik bekeken Noorse messen, Zweedse dekens en Finse sieraden, we betastten servies van Marimekko en kopjes en mokken beschilderd met bessen en bloemen.

En toen was ik de man even kwijt. Ondanks zijn hekel aan sociale praatjes met mensen die hij niet kent, bleek hij in gesprek met een heerschap dat ik me nergens van herinnerde. Rechts van het heerschap stond een kraam met innovatief kampeergerei. Links van hem lag een boot. Kano. Oh. Vandaar. De man houdt dan wel niet overdadig van water, behalve onder de douche, toch heeft hij een droom: zwerven in Zweden. En omdat ik dat fijn vind, wordt dat zwerven over meren. En omdat hij dan langer droog blijft, mag dat best in een boot.

De kano was gemaakt van vernuftig materiaal. Iets met Pet-flessen en dan vermalen, gesmolten en hervormd tot multitechnische honingraten. Ze hielden de boot boven water en vrij van schade. De uitvinders hielden ook van origami, want op basis van dit Japans principe was de kano opvouwbaar, tot een pakketje dat zelfs in de Twingo paste, al kan ik me niet voorstellen dat de Volvo naar Zweden niet mee mag. Er zaten ook wielen onder de opgevouwen kano, en het gewicht hield snel vervoeren ook al niet tegen.

Het werd later. En later. En de man en het heerschap van de kano waren nog immer in gesprek. Ten langen leste mengde ik me ook maar in het gesprek en bekeek de prijs van het innovatieve wonder van de aanstaande fjordenvaart. ‘Maar dan krijg je er wel een waterdicht lampje op zonnecellen bij.’ Dat leek me superhandig. Als we dan wat minder de schemerlamp aanzetten, kunnen we straks ook nog twee peddels kopen. Handig voor de tochtjes over de Aalder Aa, want van een tochtje over een Zweeds meer, kunnen we na de aanschaf van de kano toch nog even langer blijven dromen.

Geen kanowater, maar ook fijn.

Geen kanowater, maar ook fijn.