Cheek to cheek op Ameland

De weersvooruitzichten waren niet best, voor dit weekend. In de rugzak ging dus naast een stapeltje bladmuziek een regenjas mee. En een extra dikke trui. En een boek. Voor als er een moment zou zijn waarop er even niets zou zijn. Of niemand.

Op de boot zag ik S. al, die ik eerder tijdens een repetitie diep in Friesland trof. Zijn witte kuif stak herkenbaar overal bovenuit. Ik zwaaide, maar bleef nog even op mijn eigen stek om de werkweek te laten verwaaien. Vlak voor de boot bij Nes aanmeerde, schudde ik S. de hand en probeerde de namen te onthouden van alle dames die bij hem zaten. Het lukte toen nog niet.

We stapten in een taxi-busje en reden naar kampeerboerderij Blierherne, waar het hele weekend gezongen zou worden, onder begeleiding van dirigent Hans Kaldeway. Ik kende de beste man totaal niet, maar aan het eind van het weekend overlaadde ik hem met zoveel lovende woorden dat ik zelf ineens bedacht dat het wel leek of ik iets speciaals van hem wilde. Gelukkig bleken meer zangers erg enthousiast over hem en verbleekte mijn adoratie daardoor weer naar een sociaal acceptabel niveau.

Maar dat wist ik dus allemaal nog niet bij aankomst. Ik wist alleen dat ik zou zingen. Ik wist dat ‘Cheek to cheek’ een retemoelijk liedje was. En verder zou ik alles wel zien. Bij de ingang van het pand ontwikkelde zich een grote kluwen van zangers en zangeressen, die elkaar al zoenend en gillend om de hals vlogen. Organisator D. bezag mijn ietwat verbouwereerde gezicht en sprak de bezwerende woorden: ‘Dat doe jij ook aan het eind van dit weekend.’ En ik denk dat ik iets geantwoord heb van ‘hmhm’, want meer kon ik er toen niet over zeggen.

Ik gooide mijn rugzak op een stapelbed en zocht een eerste groepje op. Ik kwam in mijn eentje en ik had bedacht dat ik simpelweg iedereen een keer wilde spreken. Een interessante stoelen- en tafeldans zorgde ervoor dat ik dat doel ruimschoots behaalde. Meer dan eens hoorde ik: ‘Wat moedig dat je toch alleen bent gekomen.’, en steeds dacht ik dat dat misschien zo was, maar ik heb geen moment bedacht dat ik het niet had moeten doen. ‘Je moet het wel heel bont maken, wil je het in deze groep niet redden’, zei iemand tegen me. Het bleek dat er ooit wel iemand zijn uiterste best had gedaan, maar dat leek me best een heel werk.

Het was een warm bad dat 48 uren duurde. Met iedere ontmoeting groeide het aantal mooie verhalen. Met iedere workshop steeg de temperatuur een aantal graden, al kon dat misschien toch ook aan dat vermaledijde nummer van Irving Berlin liggen. Ik bedacht hoe heerlijk ik het toch vond dat er iedere seconde, op iedere meter, wel iets klonk van een lied. Hoe fijn het is als pauzes tussen repetities voorzien zijn van koek en thee, en tegelijkertijd niet al te lang duren.

Ik heb genoten van halve liedjes en hele refreinen, van spontane, vocale jamsessies en wandelingen door bos en langs zee. Steeds ergens anders aan tafel tijdens de heerlijke maaltijden, verzorgd door The Blendets (of Blendettes?), een viertal dames dat de scepter zwaaide over de keuken en ons schandelijk verwende.

Het was niet anders dan een feestje om te leren van dirigent Hans, die ik niet zómaar bewierookte. Met kleine, haast achteloos lijkende oefeningetjes en energieke gebaren bracht hij ons tot resultaten die ikzelf in ieder geval nooit had bedacht. Na het optreden van zondagmiddag zei een toeschouwer dat hij niet wist wat hij mooier vond: luisteren naar het koor of kijken naar de dirigent. En ik snapte dat.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er is gemakkelijk een boekwerkje te vullen met verhalen en emoties, ontstaan tijdens een weekend samen zingen in een fijne kampeerboerderij op het mooie Ameland. Het doet blijkbaar ook gekke dingen met je, merkte ik toen ik na afloop met de rugzak op naar de veerdam liep. Al dromend, over dat rondje zoenen en cheek to cheek beloven dat we elkaar ooit weer zouden zien, stond ik blijkbaar iets te lang stil op een kruispunt. Een politiewagen stopte naast me en een agent vroeg me of het echt wel ging. Tegelijkertijd reed zangeres W. op het fietspad naast oom agent, wat volgens mij ook niet helemaal de bedoeling was.

De boot die ik zou nemen had een technisch defect. Het verblijf moest nog een half uur langer duren. Het weer werd met de minuut slechter. De hemel huilde tranen met dikke tuiten ten afscheid. Het had geen passender weer kunnen zijn.

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd...

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd…

Ik ga op reis. Oh. Nee. Of toch.

Hoe het met me ging, vroeg coach M. me vanmiddag, tijdens het eerste begeleidingsgesprek van de master Educational Needs. Ik zei ‘goed’, waarna ik heel diep zuchtte en zij glimlachte, en lichtjes, maar onmiskenbaar achteroverleunde. Wat kan er in twee maanden een heleboel gebeuren. Ik startte met een studie en ik dacht, misschien naïef, dat dat toch gewoon een kwestie was van oppikken en doen.

Het bleek eerder een duik in het diepe, in dik en troebel water. Een reis door een schier ondoordringbaar woud vol interessante stof waar je wel even over door kon bomen. In het digitale struikgewas ruiste er om iedere hoek een nieuwe uitdaging, en die uitdaging vond ik niet alleen op die éne hoek terug, maar ook op een andere, en nog een andere, en dan steeds net iets anders omschreven. Mappen en mapjes vol kekke presentaties en zogenaamde silverpoints, links naar seminars, vakoverstijgende modules, en roosters, planningen, lesvoorbereidingen, en…euh…volgt u het nog?

Ik ook niet. Het feit dat in mijn elektronische leeromgeving ook nog allerlei vakken en mapjes van vorige studies op deze hogeschool lagen te fermenteren, maakte het er niet beter op. Maar. ‘Het hoort erbij’, sprak coach M. ‘Het maakt deel uit van de dirty business of learning.’ Inmiddels heb ik mijn weg wel gevonden, maar het was aanvankelijk een beetje alsof ik tussen al het losse zand zelf maar een emmertje en schepje moest vinden. En het water, om van dat losse zand mijn eigen kasteel te bouwen. Niet per se aan zee.

Toch geniet ik ervan, met volle teugen. Van iedere keer dat we met de studiegroep bij elkaar komen in Zwolle. Van de nieuwe boeken die ik bestel. Van al die interessante artikelen die ik lees. Ik geniet ook enorm van de gesprekken met Chef, die nog meer van betekenis worden nu ze ook nog eens mijn werkplekbegeleider voor de studie is.

Ze stond, en staat, vierkant achter mijn plan om op reis te gaan voor mijn studie. Naar Denemarken, Canada, New York, of waar ook heen. Die week konden ze mij wel missen. (Of zouden ze er op de school diep in Drenthe meteen een rustweek van maken, zo zonder mij?) Toch ging ook die procedure niet zonder slag of stoot. De eerste keer dat ik me in wilde schrijven, crashte het systeem. De tweede keer dat ik het probeerde, leek het te lukken en Chef maakte glunderend een foto van het bevestigingsbericht. Helaas bleek er een enorm datalek geweest te zijn en moest alles weer opnieuw.

Ik zou op reis. En toen weer niet. En toen weer wel. En toch weer niet. En nu, na een derde inschrijvingspoging, lijk ik echt te gaan. Niet naar Denemarken. Niet naar Zwolle. En nee, niet naar New York. IJs en weder dienende, Deo Volente en wat dies meer zij…ben ik eind mei 2018 een hele week in Canada. Ik heb gelukkig dus nog even tijd om er ook werkelijk in te gaan geloven.

Denemarken

(Naar Denemarken moeten we dan maar weer ‘gewoon’ op vakantie.)