Het jagen van jaren

Sommige dagen moeten dan wel slijten, maar jaren? Oef. Jaren lijken te jagen. Een cliché, ik weet het, en daar moet ik me niet te vaak van bedienen. Vooruit dan maar. Zo zal ik me ook niet bedienen van ‘het ernstig terug- en vooruitkijken’. Ook een dooddoener, tenslotte en we hebben al genoeg terugblikken gehad, de afgelopen dagen en uren.

Bovendien, zo leerde ‘Alice’ al in de film ‘Through the looking glass’:je kunt het verleden toch niet veranderen. Je kunt er alleen van leren. En ok, vroeger had ik nog weleens graag terug gewild in de tijd. Ik had zo hier wel eens mijn mond willen houden, alsnog, en zo daar had ik ‘m dan beter alsnog open gedaan. Maar gedane zaken nemen geen keer. En dat is niet erg. Zo lang je er maar van leert. Dus.

Maar. 2017. Ja. Het was bijzonder. Ik heb in dit jaar geleerd dat ik niet met mijn hoofd en handen vooruit van een bergje af moet sleeën. Een jaar na dato is gitaarspelen nog steeds schier onmogelijk, vanwege een uit zijn voegen geklapt gewricht in mijn hand. Een dansje maken met een collega, waardoor ik twee weken met een kruk moest lopen, leerde me dan weer dat je vooral váker moet dansen. Dan zijn je spieren niet zo stijf en dan loop je ook geen zweepslag op. In 2017 heb ik meestal wel mijn mond gehouden waar dat moest en open gedaan als het kon. Ik denk dat ik daarvoor voldoende ‘lesstof’ in eerdere jaren heb gehad.

In 2018 zal er ook wel weer geleerd worden. Zo staat er een tripje Kopenhagen op het programma, waarbij de man en ik voor het onconventionele vervoermiddel ‘trein’ hebben gekozen. De tickets zijn al geboekt, dus ik hoop niet dat we zullen leren dat we dat beter niet hadden kunnen doen. Naar Canada, een paar maanden later, pak ik dan toch het vliegtuig. Doel nummer één is ‘leren’, omdat ik er voor mijn studie heen ga. Hopelijk leer ik daar dan weer niet van dat ik beter een cursus pottenbakken had kunnen doen.

Ik wens voor u dat 2018 minstens zo’n bijzonder jaar zal zijn als 2017 voor mij was. Op die vinger en dat been na, dan. Dat hoeft u dan zelf niet te leren. Heb ik al voor u gedaan.

(Oh ja, ik leerde ook al dat je best ‘s avonds laat nog oliebollen kunt bakken. Dat dat niet heel anders is als ‘s middags. Ze gaan evengoed met een sneltreinvaart op…)

Het slijten van dagen

Ze doen het goed, voor vrienden die geen vrienden meer zijn; ze zien elkaar tot nu toe gemiddeld een keer per jaar van dichtbij. Gek genoeg is dat vrijwel altijd op de parkeerplaats van een supermarkt in een dorpje verderop.

De eerste keer daar reed ze hem bijna omver. Hij stak zijn hand op als reactie op haar getoeter. Ze maakte een gebaar van: ‘niet handig, hè’ en zo snel als zijn hand de lucht in was gegaan, zo snel ging hij omlaag, benadrukt door zijn mondhoeken die dezelfde richting kozen.

De tweede keer was op een ochtend in mei. Het was nog fris. Zij verliet de supermarkt. Hij liep net naar binnen. Ze bedacht dat ze elkaar de vorige keer net omgekeerd kruisten en dat de kleur van zijn vest (een nieuw?) hem goed stond. Zijn haren hoefden van haar niet geverfd. Ze weet niet wat hij dacht; daar vroeg ze ook niet om. Ze bromde: ‘Goedemorgen’, en hij bromde hetzelfde terug, terwijl de afstand tussen hen alweer groter werd.

De derde keer was op een winterdag tussen kerst en nieuwjaar. Geen kruisen van wegen nu; ze kwamen tegelijkertijd aan. Zij met haar karretje. Hij met zijn zus. Ze keken elkaar aan en groetten met een glimlach. Zij liep naar binnen. Hij volgde. Ze pakte een pompoen. Een zoete aardappel. Wat gember. Ze moest twee keer terug, voor koek en zure appels. Wat hij in zijn kar had? Ze heeft geen flauw idee.

Een goede generale

In september waren we al begonnen met repeteren. Een beetje kerstliedje heeft tenslotte tijd nodig. Bovendien is kerst nooit vervelend, dus genoten we er ook in september al van. Ok, er zàt één liedje bij waar we met zijn allen een beetje een punthoofd van kregen, zo lastig was het ritme. Maar toch. Ook ‘Kerstmis met joe’ van Daniël Lohues kreeg een plaatsje in ons hart. Sort of.

Het werd december. Het grote kerstconcert lag voor de deur. En we grapten al dat de generale best slecht mocht gaan, want dan… Maar toen. We zetten het eerste gezamenlijke lied in met het mannenkoor waarmee we samen zouden zingen. Het was als een tsunami van zware stemmen, waar we ineens een beetje tegenop leken te boksen.

We gingen verder met de repetitie van ons eigen repertoire. Het eerste nummer ging wat voorzichtig. Het tweede nummer liep wat raar, net als drie en vier en bij het vijfde ging koorlid B. verschrikkelijk lelijk kijken. Waar bleven de bassen bij nummer zes, en vergaten de alten niet iets bij nummer zeven? Bij acht kreeg ik geen normale noot meer uit de strot. De dirigent ging steeds dieper zuchten, en in de pauze staarde G. verstild in de verte, de blik op hopeloos en reddeloos verloren.

‘s Nachts plakte ik alle bladmuziek in een zwart mapje dat ik tijdens de uitvoering als een talisman tegen mijn lijf zou houden. Alsof die regels op papier mijn vege lijf konden redden. Ik trok de volgende avond mijn nette jurkje aan en mompelde iets van ‘God zegene de greep’ en toen moest het maar.

De dirigente haalde diep adem. Of we even onszelf wilden herpakken. We wàren geen mannenkoor en hoefden daar ook niet tegenin. We zongen gewoonlijk zo mooi, er was geen reden er zo’n rommeltje van te maken als we op de generale deden. Als we nou gewoon eens deden wat we altijd deden. Onszelf bleven, met onze eigen kracht.

En ik dacht: vooruit, en na het inzingen kwamen de eerste serieuze melodieën. Ik keek links, waar J. de stem had hervonden die ze gisteren wat kwijt was. Bij dat ene nummer, waar ik tijdens de generale in mijn eentje wat ielig had geklonken, waren we nu ‘gewoon’ met zijn drieën. B. keek lang niet lelijk meer. En de bassen en tenoren pakten de lijntjes precies waar ze moesten zijn.

De avond liep fantastisch. De man mopperde nog wel iets van dat het bij ons toch altijd hetzelfde liedje was, maar potverdorie, wat kunnen we mooi zingen. En ik liep weer op wolkjes na afloop en ik bedacht dat onze dirigente wel erg gelijk had.

We moeten ons nooit vergelijken met een ander. Als koor hoeft dat dus ook niet met een ander koor. En voor mij geldt dat onze kracht toch echt ligt in het gezamenlijke. In mijn eentje, merk ik, breng ik geen donder klaar. Samen, dan wordt het ineens een heel ander verhaal. Een heel ander liedje. Wat dan ineens best méér dan te pruimen valt.