Tussen de oren

Vorige week zaten leerling M. en leerling L. voor in de klas en ze luisterden naar een lied. We doen iets met poëzie in klas 3 en op de een of andere manier krijgen we de begrippen ‘rijm’, ‘beeldspraak’ en ‘stijlfiguren’ er gemakkelijker in met een lied van Blof (denk dat streepje er even bij) dan met de werken van Joost van den Vondel.

M. en L. zaten dicht tegen elkaar aan gekleefd, met gedeelde ‘oortjes’. Ik vond dat ik het lied er toch best nog doorheen hoorde blèren en vond het tijd voor een ‘anti-tinnitus-preek’, want er is veel wat ik mijn medemens gun, maar daar schaar ik tinnitus niet onder. Ik heb het zelf en ik vind het niet bijster aangenaam. ‘Maar u heeft dat toch niet door muziek gekregen?’ vroeg L. en ik antwoordde dat dat inderdaad niet zo was, al waren de concerten van Rammstein en Faithless ook weer niet bevorderlijk voor een goed gehoor, om het maar niet over het plaatselijke Sweelpop en Folk veur Volk te hebben, want daar kun je met een beetje pech ook wel een eeuwige piep in de oren oplopen. Maar goed. Nee. Mijn eigen ruis heb ik te danken aan het werk op de trein.

‘Is dat niet ontzettend irritant?’ vroeg M. en ik knikte. ‘U hoort dus ALTIJD iets.’ Ik knikte weer. ’24 uur per dag dolle pret, jongens, dus alsjeblieft, zet die muziek niet zo hard als je oortjes in hebt, en haal van die speciale pluggen als je naar een festival gaat.’ Twee paar glazige ogen keken me aan en er klonk iets van ‘uhuh’. Ik zuchtte en wilde al doorlopen naar het volgende stel dat driftig met de poëzie in de weer was.

‘Maar mevrouw,’ begon M. weer. Ik draaide me weer naar hem toe. ‘Niet om het een of ander, en ik bedoel er niets brutaals mee. En ik wil u ook niet beledigen…maar…’ Ik keek M. afwachtend aan. Een grote denkrimpel lag op zijn voorhoofd. ‘Bent u weleens naar een psychiater geweest?’ Ik hoestte. ‘Eh. Nee.’ M. keek nu naar zijn Chromebook, alsof daar de volgende, zorgvuldig opgebouwde zin lag die duidelijk moest maken wat hij dacht. ‘Nou, u zegt iets te horen, maar niemand anders hoort het, toch?’ Ik knikte, want het is echt mijn eigen geluid. ‘Nou, misschien zit het dan gewoon tussen uw oren.’ Ik zweeg. Hij zweeg met me mee. ‘Kan toch?’ zei hij lief.

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en vertelde hem dat ik het een goed idee vond, die psychiater. Misschien kan die me uitleggen waarom ik ooit les wilde geven. Dat zit denk ik ook ergens tussen mijn oren.

Een verlaat kerstfeest

Nee. Ik heb geen kerstversierselen meer hangen of staan. Alle kerstkoekjes zijn ook al op. Kerstvakantie voorbij. Alleen de kerstkaarten (een uitstervend fenomeen) hangen nog op de ruit naast de tussendeur en dat zal traditiegewijs nog wel tot Pasen duren.

Nee. Het gaat om een ander feestje; een leesfeestje. Vorige week dacht ik nog aan de boekjes die ik in mijn jeugd las. Het allereerste boekje kan ik me niet meer herinneren. Het allereerste nieuwe boek dat ik van mijn zakgeld kocht dan weer wel (‘Boris’ van Jaap ter Haar), maar toen had ik inmiddels al wel een bibliotheek aan werkjes ‘uit’.

Nee. Dat eerste werkje krijg ik dan ook nooit meer terug. Ik herinner me wel hele series als ‘De Olijke Tweeling’ en ‘Snuf de Hond’ en, iets later, probleemverhalen uit de koker van uitgeverij Lemniscaat, met titels als ‘Geef het een kans’ en ‘De vier vrijheden van Hanna B.’ En ergens daarvóór en daardoorheen, hele reeksen stichtelijke werkjes van W.G. van de Hulst en de Zijnen.

Ik verslond ze, want de moeders waren er altijd zacht en vaders rechtvaardig. Niemand pestte en als dat toch gebeurde, werd de boosaard steevast stevig berispt. Als niemand meer wist hoe het moest, dan had de dominee nog wel een idee en aan het eind kwam het altijd goed. Fantasy voor kids avant la lettre, zeg maar.

Eén van de werkjes die me altijd bijbleef, was ‘Kerstfeest voor oude Johannes’. Het is een verhaal waarin een gewonde, brommende weduwnaar met geit en al vanuit zijn berghut, door diepe lagen sneeuw, op de slee, naar het dorpje in het dal vervoerd wordt om daar -toch- samen met de dorpelingen de kerstnachtdienst mee te kunnen maken. Het boekje is niet door W.G. van de Hulst geschreven, maar toch ging het met een verzameling van die schrijver, ooit mee naar een vriendin die die boekjes verzamelde.

Een poosje terug sprak ik erover op school. Dat sommige titels je zo bijblijven. Dat je daarom soms iets voor altijd bewaart. En soms per ongeluk dus niet. De vriendin had de verzameling, inclusief ‘Johannes’ weer voortgedaan en ach, zo gaan die dingen. Tot afgelopen dinsdag. Tot die ene nieuwe collega mij aansprak. ‘Ik heb iets voor jou.’ En ze stak haar hand in een tas en er kwam een boekje naar boven.

Ik heb het net herlezen. Een verlaat kerstfeest, maar dan niet alleen voor oude Johannes.

Nog zeven weken…

Afgelopen vrijdag was ik al bezig met het versturen van e-mailtjes aan collega’s en ouders van leerlingen, maar morgen is het dan ècht voorbij. Geen gelummel in pyjamabroek en ‘onder een dekentje op de bank’, geen eindeloos graaien in bakjes met kerstkransjes en chocolaatjes. De koek is op.

Zoals gewoonlijk hebben we in de vakantie totaal niet gedaan wat we allemaal van plan waren. Virussen zaten in de weg, maar ook wekkers. Die gingen niet af, en zo verloren we meteen vier uur van iedere kostbare dag. Nee. Daar hebben we niet per se onder geleden. Zelfs de poezen waren na drie uitgeslapen dagen niet meer chagrijnig als we pas om een uur of 10 naar beneden kwamen. Het konijn had er meer moeite mee, maar zijn slechte humeur was met één rozijntje meestal wel weer genezen.

Ik ben benieuwd hoe de beesten er morgenochtend bij zitten. Of ze niet ineens heel verbijsterd en met lange tanden aan hun ochtendbakje zitten. Wie verzint het immers, om 6.00 uur weer uit bed! Ik weet dat ik dat zelf ook wel even zal bedenken, ook al heb ik best zin om iedereen weer te zien. Collega’s met sterke of minder sterke verhalen, leerlingen met meer of minder enthousiasme. Eindeloze praatjes en veel kopjes koffie, meteen in de eerste week al twee keer uit eten.

Na een week zijn de poezen en ik het allemaal wel weer gewend. Zes weken routine volgen, maar dan hebben we alweer vakantie. Het zou toch eigenlijk verboden moeten worden…