Een koud kunstje Kopenhagen

Een aantal maanden geleden bedacht ik dat het een goed plan zou zijn om de studiestress en overige beslommeringen een paar dagen achter me te laten en een tripje te plannen naar een aardige stad in een land hier dichtbij. Het werd Kopenhagen. En de man wilde mee.

De week voor we vertrokken, was de Russische Beer volop in het nieuws. ‘Aanstellerij’, dachten de man en ik. Bij de KNMI is het al code paars als de krokussen zachtjes wiegen in de voorjaarswind. Edoch. Van meerdere kanten kwamen berichten over gevoelstemperaturen die onder de -20 zouden duiken. Chef sprak tegen de laatste werkdag slechts nog zachtjes over ‘fijn sleeën’ in Oostenrijk en adjunct R. sprak op steeds hogere toon over -30 op de plek waar hij met de camper zou gaan kamperen.

‘Ik wil de lange onderbroek mee.’ sprak uiteindelijk de man. ‘En een extra flanellen hemd.’ Ik pakte hemdjes en hemden, mutsen en dassen, handschoenen (alleen voor mijzelf, want de man dacht het met zijn lange onderbroek wel te redden) en in de tas voor onderweg ging extra proviand mee. Voor als we onverhoopt nog ergens zouden stranden.

In de hotelkamer bij aankomst in hartje Kopenhagen was het 25 graden bóven nul. Het raam ging open, de verwarming omlaag en wij deden nog een rondje om wat bij elkaar te scharrelen voor het avondmaal. Verder dan een obscuur winkeltje met het een en ander aan vage waarschuwingen op de deur kwamen we niet. Bevroren wimpers en tenen. We kochten het laatste witbrood, een potje jam van de Gammle Fabrik en een bakje humus. Intussen was het in onze hotelkamer ‘gewoon’ lekker warm geworden. Tijd voor diner.

De volgende ochtend liepen we eerst alle trappen in het hotel op, om te genieten van het uitzicht vanaf de 12e verdieping. De ruiten bewogen wat. De stoep onder ons was akelig ver weg en leek knetterhard. De lucht daarentegen, was betoverend blauw. Met buienradar uit leek het heftig lente.

We ontbeten met rugbrød, Nutella en grote bekers koffie. Zakenmannen om ons heen maakten zich gereed voor het eerstvolgend congres of de eerstvolgende date. De man en ik droomden over frisse, lange wandelingen langs kades en door steegjes, langs bezienswaardigheden en dan ergens aan het eind van de dag een restaurantje.

We zetten twee stappen buiten. Zetten de capuchons omhoog. Trokken mutsen omlaag. Handschoenen gingen aan. Bij het eerste museum doken we naar binnen. We trokken vervolgens van expositie naar tentoonstelling, in een aardige variant op van kroegie naar kroegie. Volgende keer maar eens kiek’n hoe Kopenhagen van buiten is.