Als de vissen missen

Ons eeuwige vakantiehuis aan de Wendakker had alles wat wij maar konden wensen aan een huis. Ja, ik weet het, daar heb ik al bijzonder vaak van verhaald. Edoch. Alles, dus. En meer. Naast het huis stond (en staat) bijvoorbeeld niet alleen een fietsenschuurtje, maar ook een kippenhok. Erin: een kartonnen doos met stro, die de slaapplaats van een zwervende egel vormde. Kippen: geen. En dat was best. Misschien later.

Achter het huis lag een onmisbaar element van het hedendaags tuinreservaat: een vijver! Omgaasd met dikke, groene, plastic draden en stokjes, schier overwoekerd door gele lissen en uit de kluiten gewassen varens. Erin: vijf vissen. De man en ik zuchtten. Een beetje. Die vijver zou moeten wijken. Er is maar zoveel méér dat een mens kan hebben, ten slotte.

‘Je kunt ze best ergens in een andere vijver in de buurt gooien,’ sprak de dochter van de vorige bewoner van ons pand, terwijl ze op onze verse verzameling vinnen en schubben wees. De man en ik knikten. Dat zouden we misschien dan wel doen. ‘Merkt niemand wat van’, besloot de dochter tevreden met haar kwiek advies, en we maakten nog een rondje langs ramen, deuren, ‘misschien-wel-lekke’ vaatwasmachine en de kat die we toch echt zouden houden.

En toen zaten we dus in dat huis. In de vijver pruttelde de bejaarde vijverpomp en, warempel, zat daar geen kikker? We keken, op onze knieën, naar het zonnende, felgroene dier, naar die ene feloranje met zwarte goudvis, die grote gele, en die drie kleine, zwarte exemplaren. Het werd stil. Het werd later. Het werd oktober. November. Weer voorjaar. Twee van de drie zwarte vissen werden oranje, de gele steeds witter, had de man wel gezien dat die andere grote steeds minder zwarte vlekken had? We zuchtten. Alweer. Maar toch anders.

Twee weken geleden waren de vissen verdwenen. Het voer dreef in cirkels op het wateroppervlak. De rand, waarin vooral de zwarte vis graag lag te zonnen, bleef leeg. ‘Is er een reiger geweest?’ vroeg de man. ‘Zou iemand met een netje naar achter zijn gelopen?’ vroeg ik zelf, maar de antwoorden op onze vragen bleven uit. De katten kunnen er niet bij. Vossen IN het dorp? Die vissen eten? Zij aan zij volgden we iedere rimpeling (‘Alweer een schaatsenrijder!’) en staarden minutenlang diep in de groene soep die onze vijver in dit jaargetijde blijkbaar altijd is.

We lachten wat en fantaseerden over een nieuw soort zitkuil. Een rotstuin, misschien. En toen werden we weer stil. Heel stil. In gedachten verzonken over drie oranje vissen, één zwart en één witgeel exemplaar. Die vandaag ineens weer, alsof ze terug van vakantie waren, relaxed in de zuurstofplanten hingen. De Benidorm Bastards. Misschien moesten ze voor straf maar alsnog naar een andere vijver. Een kleintje. Een heel eind verderop.

Ja, daar zijn ze weer!

Ja, daar zijn ze weer!

Leave a Reply

Your email address will not be published.