Het giet vanzelf wel over

‘Het giet vanzelf wel over.’ Ik geloof dat het zoiets was, wat ik afgelopen week tegen de huisarts en de fysio zei, toen men vroeg hoe ik gewoonlijk tegen de wereld aankeek. Of ja, de wereld, het kan ook over het gedonder in mijn gewrichten gegaan zijn.

Niet dat het gedonder in die gewrichten altijd vanzelf wel overgiet. Op het moment loopt de linker knieschijf niet helemaal in het spoor, door een mysterieuze verslapping van een spier met een ingewikkelde naam en een prachtige functie: dat spoor houden.

We verschilden wat van mening, huisarts en ik. Ik dacht dat ik iets te veel gedaan had. Hij dacht van juist te weinig, waarop ik heel moeilijk ging kijken. De fysio haalde de angel uit het conflict door te melden welke oefeningen er nu zouden helpen, en dan zou hardlopen zelfs ook weer kunnen.

Oké.

Maar daar wilde ik helemaal niet over schrijven. Ik wilde over een heel andere blessure schrijven, die ik in februari 2017 ergens in een machtig sneeuwgebied in Noorwegen opliep. Chef had gezegd dat ik, als ik de kans kreeg, moest gaan sleeën. Vriendin Mara wilde dat ook wel doen.

Ergo. Mara en ik gingen sleeën. En er gebeurde iets met mijn vinger waardoor ik die niet fatsoenlijk meer kon gebruiken. Iets waarover ik uiteraard behoorlijk gemopperd heb tegen Chef, want het was háár idee. Waarop zij me, tot op de dag van vandaag, wanneer het maar uitkomt, fijntjes inwrijft dat ik het gewoon niet goed deed, dat sleeën.

Enfin. Dik gekneusd was de vinger, en ik hing de gitaar en de lessen die ik volgde in de wilgen. Pardon. De gitaar ging aan de muur. Want wie weet. Overal kan men lezen, immers, dat zo’n vingerkneuzing over gaat. Al kan het erg lang duren. Op een dag merk je ineens dat je er alles weer mee kunt.

Die dag was vandaag. En de gitaar ging van de muur. De snaren werden gestemd. Het beginnersboek ging voor de zekerheid weer open.

En ik speelde.

En het ging.

Zie.

Heb ik soms toch gelijk.

Good times!

Het jagen van jaren

Sommige dagen moeten dan wel slijten, maar jaren? Oef. Jaren lijken te jagen. Een cliché, ik weet het, en daar moet ik me niet te vaak van bedienen. Vooruit dan maar. Zo zal ik me ook niet bedienen van ‘het ernstig terug- en vooruitkijken’. Ook een dooddoener, tenslotte en we hebben al genoeg terugblikken gehad, de afgelopen dagen en uren.

Bovendien, zo leerde ‘Alice’ al in de film ‘Through the looking glass’:je kunt het verleden toch niet veranderen. Je kunt er alleen van leren. En ok, vroeger had ik nog weleens graag terug gewild in de tijd. Ik had zo hier wel eens mijn mond willen houden, alsnog, en zo daar had ik ‘m dan beter alsnog open gedaan. Maar gedane zaken nemen geen keer. En dat is niet erg. Zo lang je er maar van leert. Dus.

Maar. 2017. Ja. Het was bijzonder. Ik heb in dit jaar geleerd dat ik niet met mijn hoofd en handen vooruit van een bergje af moet sleeën. Een jaar na dato is gitaarspelen nog steeds schier onmogelijk, vanwege een uit zijn voegen geklapt gewricht in mijn hand. Een dansje maken met een collega, waardoor ik twee weken met een kruk moest lopen, leerde me dan weer dat je vooral váker moet dansen. Dan zijn je spieren niet zo stijf en dan loop je ook geen zweepslag op. In 2017 heb ik meestal wel mijn mond gehouden waar dat moest en open gedaan als het kon. Ik denk dat ik daarvoor voldoende ‘lesstof’ in eerdere jaren heb gehad.

In 2018 zal er ook wel weer geleerd worden. Zo staat er een tripje Kopenhagen op het programma, waarbij de man en ik voor het onconventionele vervoermiddel ‘trein’ hebben gekozen. De tickets zijn al geboekt, dus ik hoop niet dat we zullen leren dat we dat beter niet hadden kunnen doen. Naar Canada, een paar maanden later, pak ik dan toch het vliegtuig. Doel nummer één is ‘leren’, omdat ik er voor mijn studie heen ga. Hopelijk leer ik daar dan weer niet van dat ik beter een cursus pottenbakken had kunnen doen.

Ik wens voor u dat 2018 minstens zo’n bijzonder jaar zal zijn als 2017 voor mij was. Op die vinger en dat been na, dan. Dat hoeft u dan zelf niet te leren. Heb ik al voor u gedaan.

(Oh ja, ik leerde ook al dat je best ‘s avonds laat nog oliebollen kunt bakken. Dat dat niet heel anders is als ‘s middags. Ze gaan evengoed met een sneltreinvaart op…)

Laat het feest beginnen!

Zes weken heb ik niet geschreven. Niet hier. Uiteraard heb ik menige statusupdate op Facebook volgekletst. Ook schreef ik af en toe (maar zeker niet vaker) een e-mail en oké, ik schreef ‘een reisverhaal over een stad die niet bestaat’, omdat dat nu eenmaal gebeurde tijdens een van de workshops die ik volgde bij Buitenkunst, ergens in de tweede helft van augustus. En verder…terwijl er honderdduizenden verhalen waren…schreef ik niets. Achteraf geen idee hoezo.

Het algeheel vakantiegevoel in de zomer van 2017

Het algeheel vakantiegevoel in de zomer van 2017


De zomer van 2017 laat zich slecht in een paar woorden vangen. Vandaar wellicht deze wat ongewone blog, maar ik sta mezelf dat toe, alleen al omdat ik jarig ben vandaag. Maar daarover wellicht later meer. De woorden, dus. Ik zal er een paar proberen te vormen. Over die eerste week bijvoorbeeld, bij Anja en Jacqueline in de Auvergne. Daar waar ik een bijzonder mens hervond (Jacqueline) en een nieuw bijzonder mens erbij vond (Anja). Samen met hun dertienjarige zoon bezorgden ze ons een onvergetelijke vakantie vol verwennerij in een sprookjesachtige omgeving, waarin we al snel weinig anders dan ‘Oeh, wat mooi!’ en ‘Ach, wat fraai!’ riepen. Naast ‘Donders, wat is er weer heerlijk gekookt!’, vooruit.
Drie hele appels aan de Lidl-boom in de achtertuin

Drie hele appels aan de Lidl-boom in de achtertuin


In deze vakantie bezochten we oudste in een awesome space in Utrecht, die ook echt ‘the awesome space’ heet. Ik nodig u van harte uit deze plek eens te googelen. Vervolgens was ik tijdens een weekje Buitenkunst in het bos bij Elp niet alleen bijzonder veel bezig met kunstige zaken als zingen, schrijven en schilderen, maar ik ontmoette er ook een bijzonder geschikte schoondochter. Als ik die praktijken nog toe mocht passen…maar gelukkig, gok ik, mag dat niet en kan ik alleen hopen dat de een de ander op mysterieuze wijze ontmoet en dat er dan…enfin, u heeft het beeld.
Daar waar je je afwasmiddel gerust mocht vergeten

Daar waar je je afwasmiddel gerust mocht vergeten


We ontmoetten ook familie, en genoten daarvan. We raceten over een professioneel kartcircuit in de buurt en gedurende een enkel moment geloofde ik zelfs dat ik misschien dan ooit, met een beetje geluk, over all, niet als laatste zou eindigen. Zoals mijn moeder zou zeggen: ‘Dromen moet je hebben.’
Vergane glorie in La Douce France

Vergane glorie in La Douce France


Er was veel zon, ik droeg vaak korte broeken. De laatste twee weken zwom ik iedere ochtend mijn gelukzalige baantjes, voor ik aan de rest van alweer een gelukzalige vakantiedag toekwam. Ik hoorde ontzettend veel gemopper over de slechte zomer van 2017, maar ik heb hem persoonlijk niet gezien. Het kàn aan Drenthe liggen. Ik zag wél vrienden, een goede Netflix-serie (Atypical) en ik las een ontiegelijke stapel boeken.
Relaaaaax...

Relaaaaax…


Niet zonder slag of stoot bestelde ik aan het eind van de vakantie de eerste boeken voor de komende studie. Eén boek moest volgens lijst 1 uit 2013 zijn. Een andere lijst noemde het jaar 2014. De officiële lijst noemde een beknopte versie. Dat was ‘m ook al niet. Een vertrouwd gevoel van ‘bezig zijn met studeren aan een hogeschool’ overviel me.

En vandaag was er dan de eerste werkdag en met bonzend hart ontving ik naast de vele felicitaties ook een lijstje met namen van mijn mentorklas. We bespraken het verloop van de eerste weken. Verdeelden taken. Maakten en nuttigden samen een lunch. Riepen rond één uur om het hardst:’Tot maandag!’

Omdat dán het feest echt weer zal beginnen. Van mij mag het. De slingers en ballonnen zitten sinds vanmorgen onder in mijn tas.

Buitensporig veel Ballast

Dit weekend hoefden we niks. Een planning zo leeg als een nieuwe docentenagenda eind juni. We zouden het simpelweg wel zien. Ok, de voorjaarsmarkt in ouderenzorgcentrum De Korenhof, daar wilde ik wel even langs, en ik wilde ook verslagen nakijken, en misschien dan toch eindelijk een keer langs die beddenspeciaalzaak annex gordijnenspecialist annex vloerenverkoper annex damesmodezaak annex herenmodewinkel annex fourniturenhandel. Inclusief ritsen en sokkenwol.

‘Dat roep je nu al eeuwen, maar je gaat er toch nooit heen’, sprak de man en hij trok het rugzakje met de geitenwollensokken en de gebreide kippen van de voorjaarsmarkt wat rechter op zijn rug. Ik zweeg. Heel even. En toen zei ik: ‘Ik ga er nu dus heen.’ Ik moest immers een nieuwe sportbeha hebben, want op mysterieuze wijze waren er twee kwijtgeraakt in één week tijd. Van de lijn gepikt? Door de droger opgevreten? Joost mag het weten, maar intussen wil ik met de E’tjes wel veilig blijven sporten.

‘Euh, nee,’ zei de mevrouw van de veel-in-één-winkel, ‘we hebben geen sportbeha’s, of wacht, er liggen er hier nog twee, maar daar moet net je maat maar bij zitten.’ Intussen vergaapten de man en ik ons aan de collectie van deze winkel, die zo’n smal voorkantje had, maar in de loop van vele jaren enorm naar achteren was uitgebouwd. Zo vertelde de eigenaar die ons later ook alles vertelde over pvc-vloeren en koudschuim. De vrouw had de doosjes van Triumph in haar handen en ik staarde in totale verbijstering naar de maat op één ervan. Dat was toevallig net de mijne.

‘Heb je de bloesjes hier al gezien?’ vroeg de man en ik knikte. De eigenaar hield er een paar op, zodat ik er foto’s van kon maken en kon appen naar jongste. Het was een attent gebaar van ons, natuurlijk, maar meer nog een slappe poging om het kind ‘aan een ander ruitje te krijgen’. We weten intussen wat hij mooi vindt, en hijzelf weet dat ook. Daar komt geen ander streepje tussen. ‘Ik wil nog even boven kijken’, zei de man toen en hij liep de trap op naar ‘de vloeren’ en ‘de bedden’. Ik legde het goede ruitenbloesje, na het definitieve digitale fiat van jongste, samen met de sportbeha alvast maar op de toonbank.

We liepen nog een rondje Aalden, na ons bezoek aan Ballast. (Ik kan er ook niks aan doen dat die zaak zo heet.) We vroegen ons tevergeefs, voor de zoveelste keer, af hoe dat toch werkte met ons. We gingen er binnen voor een beha. We kwamen er buiten met een bloesje. Inderdaad, ook met een beha. En, omdat er kortsluiting in onze hoofden ontstond zeker, met een aankoopovereenkomst voor een knetterfijne boxspring en twee splinternieuwe matrassen.

Het werd die rechtsboven. Wat we al wisten, natuurlijk...

Het werd die rechtsboven. Wat we al wisten, natuurlijk…

Andere paardenkrachten kopen?

Het was vandaag D-Day. Zoals zo vaak eerder, maar dan met andere auto’s. Oude auto’s. Vooral een specifieke Volvo 940 en iets later de roemruchte Mazda Premacy konden er wat van: ze kostten ons vijf ribben uit het lijf en minstens een half maandsalaris per APK. ‘s Morgens brachten we met bibberende knietjes het vervoermiddel naar de garage en vervolgens zaten we de hele dag als een leerling na de examens naast de telefoon. En helaas. We slaagden nooit.

Na die Premacy was ik het dan ook danig zat. Er moest en zou een nieuwe auto komen. Desnoods een piepkleintje. En dat werd het, een piepkleintje, want grote bakken konden we alleen betalen als ze uit de grijze oudheid kwamen. Met bijbehorende garagestress, inderdaad. Maar goed. Er kwam dus een Renaultje en ik was, en ben, als een kind zo blij met het ding. En iedere APK-dag tot nu toe blijf ik gewoon de hele dag neuriën. Zelfs als de telefoon gaat.

Maar ja. Toen liepen we dus zomaar tegen die ene nieuwe liefde aan. Zoals het onbesuisde verliefdheid betaamt, waren we nog minder kritisch dan tijdens de ontvangst van het jaarlijks kerstpakket, dus we keken nergens echt goed naar en wilden bij de aankoop nog wel een bonus betalen. Als we ‘m maar meekregen. Pas later zagen we de haakjes en de oogjes. Pas later beseften we: deze Zweedse vrachtwaggel is wel 25 jaar oud. En vandaag moest hij naar de garage. Voor de beruchte APK.

‘Dan doen we maar zuinig aan met vakantie’, zeiden we. ‘En dat nieuwe kozijn in de badkamer boven, dat kan ook vólgend jaar.’ Ik zou mijn oude wandelschoenen nog wel een jaartje dragen en ach, de nieuwe vloer, dat blijft voorlopig dromen. De rekening werd in ons hoofd soms een beetje minder, maar vaker een stuk hoger. Een stadslichtje aan de rechterkant konden we zelf gisteren niet meer vervangen. Nou ja. Dat kon er ook nog wel bij.

‘Tot 500 mag het zó gerepareerd worden,’ zei ik vanmorgen tegen de garageman, ‘daarboven moeten we even overleggen.’ De garageman knikte en ik toog wandelend huiswaarts. Met die knikkende knieën, u raadt het, en ze bleven de hele ochtend wiebelig. Tegen kwart voor twaalf hield ik het niet meer en ik belde de man. Of hij dan de garage wilde bellen en mij dan weer terug. Omdat ik zelf niet durfde. En hij belde de garage. En hij belde mij weer terug. Ik moest de Zweedse schone maar gaan halen.

Met de kin nog op de straatstenen stond ik voor de garage. Was hij echt en werkelijk goedgekeurd? De garageman knikte. Er was iets met een lampje en de rechterkoplamp, maar verder was er niks aan de hand. ‘Echt niet?’ vroeg ik dommig en even leek het of hij toch iets wou verzinnen. Maar nee. Er was echt niets. En ja. Er was volgende week woensdag wel ruimte voor de Renault. De 150.000-beurt. Oh shoot. Een nieuwe distributieriem.

Omdat geluk natuurlijk geen eeuwen kan duren. En we intussen toch al ideeën genoeg hadden om hier en daar op te bezuinigen.

Dus nee...voorlopig hoeven er geen andere paardenkrachten aangeschaft te worden. Yay!

Dus nee…voorlopig hoeven er geen andere paardenkrachten aangeschaft te worden. Yay!

Eftelingrijen en optionele bombeugels

Aan mijn vitamine C-inname kan het niet liggen. Op de fruitschaal lagen vanmorgen nog bananen, druiven, kiwi’s, een paar verdroogde mandarijnen. Slechts de mandarijntjes bleven achter. Oh ja. En een harde kiwi. Die is zelfs volgende week nog niet rijp. Nee, nee, voor u erover begint: ik weet dat de man en jongste ‘gewoon’ thuis zijn komende week, maar vers fruit is niet hun ding.

Awel. De man bracht mij naar Beilen, alwaar ik in een lege trein naar Zwolle reed. In Zwolle trof ik een pensionada uit Iran, die het nemen van de Intercity in plaats van de Sprinter vergeleek met het aannemen van de meest blonde kandidate voor het secretariaat: je kwam er niet precies mee tot waar je wilde komen en de kwaliteiten waren misschien ook niet afdoende, maar het proces was intussen wel een stuk aangenamer.

Ik kon niet anders dan in de lach schieten en het werd het begin van een lang en aangenaam gesprek tussen Zwolle en Amsterdam-Zuid. Ik leerde over Perzische achternamen, het lastige van Farsi en van Nederlands, over het barre leven in de U.S., waar hij 30 jaar leefde, maar zijn pensioen maakte hij liever op in Nederland. We bespraken de voordelen van internet en de geneugtes van onze digi-loze jeugd. ‘Zei je nou dat je naar Noorwegen ging?’ vroeg een magere jongeman met dikke dreads, toen de oude man de trein verlaten had. ‘Jup,’ zei ik en de jongen zuchtte diep. Hij ging naar saai Den Haag. Kon hij maar in mijn koffer kruipen.

Hoe stil werd het op Schiphol. In lange rijen zigzagden we richting beveiliging. Als je niet beter wist, zou je denken dat je in de rij voor de Python stond. Oh wacht. Hier werd niet gerookt. Ik moest mijn jas uitdoen, mijn vest, mijn schoenen. Mijn ‘liquids’ uit de tas. Of die bloedmooie, exotische dame me mocht fouilleren. En ik dacht: kan ik ‘nee’ zeggen dan? Ze begon doortastend aan haar taak. Zo doortastend dat ik vermoedde dat je nog geen tientje in je Tena Lady zou kunnen verstoppen voor haar. Ook niet in je bh, trouwens. Terwijl ze mijn Prima Donna voor de tweede keer aan beide zijden omvatte, probeerde ik de neiging te onderdrukken om op te merken dat dáár inderdaad heel wat in mee kon.

Ik bleef voor me uitstaren en hield mijn adem in. Gelukkig was ze net op tijd klaar, voor ik ècht aan de zuurstof moest.

Yes. Mijn paarse hutkoffer en ik, wij zijn 'door'.

Yes. Mijn paarse hutkoffer en ik, wij zijn ‘door’.

Sabbatical

Vanmiddag bedacht ik dat we dit jaar de verbouwing ook wel over konden slaan. Dan maar geen nieuwe dakkapel, badkamer, voordeur en zijgevel. Nee. Een sabbatical! En ik bedacht wat ik daar allemaal in zou gaan doen. Al die dingen waar ik nog niet aan toekwam. Boven op al die dingen die ik óók nog wilde.

Ja, ja, ik weet dat het met de laatste dag van de vakantie te maken heeft. Het vooruitzicht is nu weer: zes weken in de hoogste versnelling. Rennen tot het voorjaar is. In deze eerste week is er meteen een voorlichtingsavond, een nieuwjaarsbijeenkomst en een sectievergadering. En nee, daar heb ik normaliter geen enkel probleem mee. Ik geniet van mijn vakanties en daarna ga ik weer verder waar ik gebleven ben. Vol goede moed, volledig bijgetankt en dus vol energie. Euh. Wacht.

Want ja, de man en ik waren vaak genoeg buiten, de afgelopen weken, maar we waren ook even snel weer binnen. Waar de man de eerste week al hoestend, proestend en snotterend door de dagen ging, deed ik dat de tweede week. En dat doe ik dus nog steeds. Toch ga ik morgen gewoon weer aan de slag, al ben ik blij dat het nog even thuiswerken is.

En ja, ik zal morgen ook weer naar gitaarles gaan, al zal het beloofde ‘zingen bij het ingestudeerde lied’ nog een weekje moeten wachten, want er komt geen noot nu helder uit. En in zulke gevallen, waarin ik dus al snotterend bedenk dat ik nog wel wat extra tijd zou kunnen gebruiken, dan denk ik dus aan een sabbatical. Maar de man vindt die nieuwe badkamer toch echt een beter idee.

Zul je zien dat ik zo'n sabbatical toch weer verklooi met het maken van ingewikkelde kleurplaten...

Zul je zien dat ik zo’n sabbatical toch weer verklooi met het maken van ingewikkelde kleurplaten…