Sabbatical

Vanmiddag bedacht ik dat we dit jaar de verbouwing ook wel over konden slaan. Dan maar geen nieuwe dakkapel, badkamer, voordeur en zijgevel. Nee. Een sabbatical! En ik bedacht wat ik daar allemaal in zou gaan doen. Al die dingen waar ik nog niet aan toekwam. Boven op al die dingen die ik óók nog wilde.

Ja, ja, ik weet dat het met de laatste dag van de vakantie te maken heeft. Het vooruitzicht is nu weer: zes weken in de hoogste versnelling. Rennen tot het voorjaar is. In deze eerste week is er meteen een voorlichtingsavond, een nieuwjaarsbijeenkomst en een sectievergadering. En nee, daar heb ik normaliter geen enkel probleem mee. Ik geniet van mijn vakanties en daarna ga ik weer verder waar ik gebleven ben. Vol goede moed, volledig bijgetankt en dus vol energie. Euh. Wacht.

Want ja, de man en ik waren vaak genoeg buiten, de afgelopen weken, maar we waren ook even snel weer binnen. Waar de man de eerste week al hoestend, proestend en snotterend door de dagen ging, deed ik dat de tweede week. En dat doe ik dus nog steeds. Toch ga ik morgen gewoon weer aan de slag, al ben ik blij dat het nog even thuiswerken is.

En ja, ik zal morgen ook weer naar gitaarles gaan, al zal het beloofde ‘zingen bij het ingestudeerde lied’ nog een weekje moeten wachten, want er komt geen noot nu helder uit. En in zulke gevallen, waarin ik dus al snotterend bedenk dat ik nog wel wat extra tijd zou kunnen gebruiken, dan denk ik dus aan een sabbatical. Maar de man vindt die nieuwe badkamer toch echt een beter idee.

Zul je zien dat ik zo'n sabbatical toch weer verklooi met het maken van ingewikkelde kleurplaten...

Zul je zien dat ik zo’n sabbatical toch weer verklooi met het maken van ingewikkelde kleurplaten…

Storing

Oudjaarsdag verliep ook al in het, dit jaar, door ons gewenste ritme: te laat opstaan, eindeloos ontbijten, stukje wandelen, eindeloos lunchen, middagdutje, stukje wandelen…

Het carbidschieten uit alle windrichtingen, maar ook het vroegtijdig afsteken van vuurwerk dat buiten iedere veilige categorie leek te vallen, deed ons bij het passeren van het AZC wel mijmeren: hoe moet het in godsnaam zijn om vanuit Syrië of Eritrea hier te komen en dan op een schijnbaar veilig platteland anderszins gebombardeerd te worden? Een onveilige vraag in zichzelf, want voor je het weet ben je een gutmensch die weer een traditie wil vermoorden. Maar toch.

Eenmaal weer thuis checkten we brievenbus en konijnenhok. Gelukkig kunnen de langoren wel wat hebben. Binnen was het zoeken naar poes nummer drie, omdat die zich nu blijkbaar tussen de boekenkast en de muur veiliger voelde dan op de vensterbank. Ik bakte oliebollen. We keken tv. Tot half negen. Met een bedeesde ‘ffffflupf’ schoot het scherm op zwart. Ook de wifi verdween. De radio bleef stom. Een snel zoeken op ‘Ziggo – storing’, op mijn gsm met andere provider, leverde me de medeling op dat ik het toegestane aantal mB’s verbruikt had. De man legde beschermend de arm om zijn telefoon. Dadelijk waren zijn mB’s ook nog op!

Ik pakte een boek. Ergens in een hoekje bevond zich nog een radio met antenne. In den lande maakte men zich nog immer druk over de top 2000. De eerste opstootjes tussen verveelde jeugd en hulpverleners waren al geweest. De klok tikte door. De oliebollen raakten op. ‘Als jij naar buiten gaat, ga ik met je mee straks,’ zei de man en ik keek verschrikt naar links. Nu niet vragen of hij dat wel zou doen. Met zijn door andermans vuurwerk verwoeste oog was hij nooit nieuwjaarsfan.

Op het pleintje zoenden we de overburen. Bij de directe buren was die actie minder evident, waardoor de buurvrouw geen zoenen ontving en de buurman wèl. Als dat maar geen gedonder geeft. We schudden handen. Liepen een klein rondje. Keken ‘oeh’ en ‘aah’ naar vele euro’s die in spetterende kleuren de lucht ingingen. Ik kreeg nieuwe mB’s en zond hier en daar digitaal nog wat wensen.

We gingen slapen. We werden wakker. Ontbeten eindeloos. En net op tijd voor de Wiener Philharmoniker en Garmisch Partenkirchen, loste Ziggo de storing op. Ik zette verse thee en ging er eens extra relaxed bij liggen. Dat niemand beweert dat ik niet aan tradities hecht.

Janosh is wel eens verstoord, maar storend, nee.

Een duwtje in de rug

Of hij vandaag de Twingo kon pakken, vroeg jongste gisteren. Ja, dat kon wel. Oh nee. Wacht. Ik moest óók naar Emmen. Oh wacht. Ja. Het kon wel. En jongste vertrok ergens voor achten naar de hogeschool diep in Drenthe. Ik aaide de poezen, trok mijn pyjamabroek recht en mijn laptop op schoot en begon aan de thuiswerkdag. (Het fenomeen ‘maandag, vrije dag’ heb ik als aanname maar losgelaten…)

Tegen een uur of één verruilde ik de pyjamabroek voor de spijkerbroek en graaide in het sleutelbakje. Oh nee. De Twingo was al weg. En de Volvo, die staat ergens in Rogat, omdat een gastank een wat al te gekke luxe is voor ons doen en ze ‘m daar prima kunnen verwijderen. De fiets dan. Hm. Nee. Niet qua tijd, niet qua weer. En ook niet qua fiets. Er was nog één optie over.

Ik verwijderde het grote, blauwe zeil van de mottige 4WD die nog in een hoekje van de tuin stond. Twee, drie keer draaide ik de sleutel in het slot en trok de krakende deur open. Het beestje hoestte wat en pufte wat, en zeurde om te tanken benzine. Ik belde de man, want ik wist niet hoe het benzineklepje open moest. En toen ging het hortend en min of meer stotend naar school.

De vergadering duurde en duurde. Om kwart over vijf draaide ik de sleutel weer om in het contact. Niets. En nogmaals draaide ik de sleutel. Wederom: niets. Ik keek naar links, waar het pookje zat dat de lichten bediende. Het verklaarde een hoop. ‘Ging-ie dan niet piepen?’ vroeg collega J.1, die bekeek of hij mij kon helpen. Ik schudde treurig van nee. En een waarschuwingspiepje heb ik af en toe toch nodig.

‘Ben je lid van de ANWB?’ vroeg collega J.2, maar op dat moment kreeg ik net de motorkap los en J.2 moest toegeven dat iemand ‘dat’ de ANWB niet aan kon doen. J.3 wees op een grote, metalen staaf die dwars onder de motorkap lag. ‘Wat moet die wandelstok daar?’ Ik wist het ook niet, maar het zou zo wel horen. J.2 schopte eens tegen wat roestblazen aan de zijkant en vroeg wat ik nou toch eigenlijk moest met die bak en ik lachte en mopperde en zei iets over ‘spelen in de modder’, en voor de derde keer in vijf minuten schudde hij droevig het ernstige hoofd.

‘Zet ‘m in zijn twee,’ pakte J.3 toen de leiding, en de drie J’s stroopten stoer de nette mouwen op. De Daihatsu pruttelde, terwijl de heren duwden. Een tweede poging liet de motor loeien. ‘Gewoon rechtdoor!’ hoorde ik ver achter me schreeuwen, maar het eind van de parkeerplaats was toch echt in zicht. De bocht om dan, wat leidde tot een oorverdovend piepen. Iets waar je niks aan hebt, zodra het om het uitdoen van je lichten gaat. Je kunt er hoogstens drie collega’s nog eens diep door laten zuchten. Een hand tegen het voorhoofd slaand, de mouwen nog immer opgestroopt.

Mickey was ook erg blij dat ik geen verdere vertraging had opgelopen. Brokjes!

Mickey was ook erg blij dat ik geen verdere vertraging had opgelopen. Brokjes!

Misse maandag

Misschien lag het aan de preek van gisteren, in een kerk een eindje van hier. Daar werden immers woorden gesproken waar menig vriendelijke toestand van in de soep zou kunnen lopen. Iets met ‘wij’ tegen ‘hullie’ en dat ging er niet zachtzinnig aan toe. Op een gegeven moment sloeg ik de aanwezige liturgie maar voor het gezicht. Enerzijds vanwege mijn steeds zorgwekkender wordende mimiek, anderzijds om de met vuur gespuwde geboden waarvan ik slechts chocola kon maken met bittere smaak.

Misschien was het gewoon vanwege een heftige aanval van lamlendigheid. Feit is dat het tien uur was op het moment dat ik wakker schoot vanmorgen. Ik haalde krakend mijn schouders op en begon met achterstand, maar relaxt aan de dag. Ontbijt. Een stukje uit een mooi boek. Een moeder aan de lijn. Een maatschappelijk werker. Een stukje gitaar dan nog. En na de lunch aan de slag met de lessen van morgen.

De agenda kwam erbij en ik verwerkte de afspraken met de moeder, de maatschappelijk werker. Van de slordig geschetste plattegrondjes van de derde klassen maakte ik nette exemplaren, de losse opmerkingen die ik in de loop van de week op stukjes papier had gekrabbeld, bracht ik samen tot een min of meer logisch geheel. Om vier uur moest alleen de voorbereiding voor 1 mavo nog,

Ik opende Magister. Ik opende het digitaal materiaal. Dacht ik. Hoe ik ook zocht, een boek vond ik niet. Ik vond de klas ook niet. Ik logde op een andere manier in, en daar stond een boek. En nog iets. En nog meer. Maar hoe ik ook klikte, wat ik wilde, kreeg ik niet. Wel iets met ‘vul een code in’ en ‘sorry, die code is al gebruikt’. Ik haalde diep adem en dacht: whatever. Ik maakte een Google Presentation voor de les en zette op punt drie dat we het met zijn allen gingen uitzoeken. Leerdoel: weten waar alles online staat.

Ik maakte een documentje waarmee we zouden gaan ‘speeddaten’ met boeken, en toen liep de computer vast. En de laptop van de man ging ineens updaten. En intussen moest de pizza de oven in. En toen alles weer werkte, begon de printer te sputteren. Het papier raakte op. En toen ik, na lang zoeken, nog wat oud papier had gevonden en alle pakketjes had geprint, kwam er bij het nietmachientje geen nietje meer uit.

Ik at. Ik ging naar gitaarles. Die vanavond nog lang niet bleek te zijn. Iets wat me niet meer verbaasde. En tegen de gitaarmeester zei ik dat het me niet veel uitmaakte, wat intussen ook waar was. Een kopje thee. Een stukje lopen. En voor morgen de wekker. Voor de zekerheid op ‘extra hard’.

Ook chaos hier op een Aelder bruggetje, maar dat was een heel ander verhaal.

Ook chaos hier op een Aelder bruggetje, maar dat was een heel ander verhaal.

To see or not to see

Het zal een jaar of vijf geleden zijn geweest. Mijn blik was niet zo heel helder meer (stop, houd die grapjes even binnen!) en ik bedacht dat ik misschien wel een nieuwe bril nodig had. En snel, ja, echt, zou ik een nieuwe halen. Tot ik ontdekte dat de mist in mijn blikveld meer (of óók) te maken had met de mist in mijn hoofd, die niet heel veel later tot een fikse kortsluiting zou leiden. Even afwachten, dus.

De nasleep van de kortsluiting onder mijn schedeldak duurde langer dan verwacht, en sommige dingen zullen nooit van zijn lang-zal-ze-leven echt overgaan, maar ik herstelde wel voldoende om te beseffen dat die nieuwe bril er toch eens moest komen. Ik vroeg Chef naar haar opticien, want zij had een goede en zo eentje wilde ik er ook wel. In de zomervakantie van 2013 moest het gebeuren.

Maar ja. Er gebeurde zoveel in die vakantie. Wie het niet gelooft, scrolle maar een eind terug op dit blog. Ik paste een week op huis en have van vroegere vriend S., ik zwierde een poosje met jongste door Noord-Frankrijk en beklom ook nog wat heuvels in Luxemburg met de man. In huis wachtten klusjes, de studie riep harder dan ooit. De roep om helder zicht verstomde.

En het werd 2014. Met een verhuizing. En ’15. Zonder excuus. Het zicht waarmee ik het zo lang had gered, besloot het uiteindelijk maar helemaal op te geven. Lezen? Doe het zelf! Maar ik kocht een leesbrilletje, en nog een, tegen het kwijtraken, en als ik ze alletwee kwijtraakte, dan las ik op de e-reader, met een extra grote letter. Niemand die me meer geloofde als ik zei dat ik volgende week dan toch echt. Komende vakantie, heus.

Ik geloofde het zelf niet eens, toen ik vanmiddag bij die strenge opticien te E. in de stoel zat. De man liet zich solidair ook opmeten. Er ging glaasje na glaasje in het apparaat. Er klonk een zucht, en toen nog één. Misschien was die laatste wel van mezelf. Iets door al die cilinders, en plussen en minnen, en dat leesgedeelte. Dat moest er ook nog in.

We kregen korting, maar dat werd nog een puzzeltje. Een tweede bril kon gratis, dus de man kon voor niks, maar met een ANWB-pas kreeg ik 25% korting op de mijne en die verzameling plus, min en cilinders zorgden voor een korting die nog hoger was dan de hele nieuwe bril voor de man bij elkaar. ‘Maar jij hebt óók zo’n pas!’ riep ik verheugd en het hele proces werd bijna leuk.

Het is gelukt. Met afkloppen als voorbehoud, want ze zijn ten slotte nog niet gereed. We hebben wèl meteen een vaste afspraak gemaakt om de brillen ook af te halen. Ik zie ons wel in staat….ten slotte.

Om te zien wat er die middag op het menu van de lunch stond, moest nog wel het leesbrilletje van het Kruidvat op...

Om te zien wat er op het menu stond, moest nog wel het leesbrilletje van het Kruidvat op…

Van Drenthe en Zeeland

Nee. Daar gaat dit stukje dus niet over. Het is puur toeval. Drenthe is waar ik woon, Zeeland is waar ik wegkom. Klopt helemaal. En dus zou het logisch zijn wanneer dit stukje zou verhalen over mijn eigen geschiedenis. Maar hey, het leven is niet logisch. Net zomin als het logisch hoeft te zijn dat Nederlandse jeugdliteratuur over problemen, problemen en nog meer problemen gaat.

Jeugdliteratuur. Ik heb er door het schooljaar heen bijna dagelijks mee te maken. Sommige leerlingen verslinden boeken, andere laten duidelijk kritiek horen: “Waarom moet het toch altijd over problemen gaan, mevrouw?” En dan zwijg ik. Want helemaal ongelijk hebben de criticasters niet. Natuurlijk, er zijn verschrikkelijk veel spannende, leuke, fantasievolle boeken die niet over scheidingen, alcoholmisbruik of dode moeders gaan, maar die bevonden zich tot voor kort niet tot nauwelijks in het pakket dat de derde klas bij ons op school moet lezen.

Afgelopen jaar was het gelukkig al iets beter, met een fijne Helen Vreeswijk en een iets mindere, maar toch nog redelijke Jacobine de Braauw. Komend jaar wordt het nog wat fijner, al heb ik me wel wat zuchtend en steunend door het eerste boek van de Jonge Lijsters 2016-2017 gewerkt. ‘Stiefkind’ heet het boek en het gaat over…jawel. Gelukkig kies ik zelf uit het pakket van vijf boeken de drie verplichte exemplaren voor havo 3, dus dit werkje mag meteen door naar de facultatiefjes.

‘Het Morelli principe’ (ik let even niet op de slordige samenstelling van de titel) mag van mij wel op de verplichte lijst. Ik begon er gisterenavond in en kon het maar met moeite wegleggen om nog een paar uurtjes slaap te pakken. Het duo Laura & Simon Burgers is duidelijk gegroeid in het gezamenlijk schrijverschap en heeft een vlotte pen met een razendspannend verhaal gecombineerd, met een zeer actueel thema (veiligheid en computercriminaliteit) als interessante kapstok. Daarbij speelt het verhaal zich nu eens een keer niet af in ‘de grote steden’, maar vooral in Hoogeveen en Borssele. Verfrissend, ook al omdat deze provinciale plekken eens niet als achtergebleven, saai of bekrompen worden beschreven.

De oplossing van het probleem waar de verhaalfiguren in dit prettige werkje tegenaan lopen, wordt gevonden door gebruik te maken van het Morelli-principe, een begrip uit de beeldende kunst. Leuk, vind ik. Origineel. Mooi, in een tijd waarin aandacht voor kunst in het gangbaar onderwijs zo kwetsbaar lijkt te zijn. Dat sommige verwijzingen naar kunst en kunstenaars dan wel erg vergezocht, danwel aan de haren erbij gesleept lijken te zijn, vergeef ik de schrijvers.

De leerling die me op de literatuurtoets spontaan gaat uitleggen waarom het vreemd is dat de secretaresse van de ‘bad guy’ Betsy Akersloot-Berg heet, krijgt van mij dan gewoon een puntje extra.

Niet aan beginnen vlak voor je wilt gaan slapen...

Niet aan beginnen vlak voor je wilt gaan slapen…

Pauzestand

Alsof er niets meer te zeggen was. Zo kan het misschien hebben geleken, hier op Blowsabella. Niets is minder waar. Gek genoeg valt het hier altijd een beetje stil wanneer er in het echte leven een aaneenschakeling van gebeurtenissen waar te nemen valt. En ik neem waar. En waar. En nog eens waar. En dan vraag ik me vervolgens af: wat is nog waar?

Oei. Dit wordt wel erg filosofies. Maar toch. Regelmatig vraag ik me dat af: wat IS er eigenlijk waar? Waar gáát het in godsnaam allemaal nog om? En is dat wat ik schrijf, niet meer dan het doen van mijn orale behoefte (dank je, Bert, voor jouw prachtige omschrijving van het kwakkeloos neerplempen van je mening op het internet…of elders, natuurlijk…)? En wie zit daar dan eigenlijk op te wachten?

Ik had een wondermooie laatste les, in die ene klas vol fraudeurs en spijbelaars. We hadden het over de beste momenten, het mooiste van het afgelopen jaar, ondanks al het eindeloos gezeur over schier onmogelijk gedrag. Ze spraken over hoe hecht hun groep was. Dat er niet gepest was. Dat het gezellig was geweest, al konden ze prima bedenken dat het docententeam dat anders had ervaren. En daar zat ik dan met die brok in mijn strot.

Ik had een andere klas voor me die een uur lang bezig was met een lastige puzzel. De leerlingen hielpen elkaar, zonder door de klas te schreeuwen. Af en toe vroeg iemand mij om raad. Was dit dezelfde klas waar een hele kudde jongens en meiden zich het hele jaar had gedragen als een paar pingpongballen op speed? Ik zat heel stilletjes, voorzichtig te genieten.

Er waren nog meer mooie momenten, zo veel gebeurtenissen die me aan het denken zetten, er was een boek dat me verwarmde, een film die me boos maakte, een relatie die ik niet begreep, een nieuwe collega die me deed lachen. Er is een einde van een schooljaar dat me intens doet verlangen naar die eerste vakantiedag.

En eens in de zoveel tijd, dat weet ik inmiddels, vraag ik me af of ik dus nog wel schrijven moet. Dan gooi ik rücksichtlos een compleet blog de zee in en begin een poosje later weer een nieuw. Maar ja. Daar ben ik intussen te gemakzuchtig voor geworden. Iets te weinig driftig meer. Dus ik wacht af. Ik zet mezelf in een kleine pauzestand. En als het kriebelt, plaats ik uiteindelijk wel weer een stukje. Gewoon daar waar alles al eerder stond.

Jim staat elke dag wel een poosje in de pauzestand.

Jim staat elke dag wel een poosje in de pauzestand.