Pluizig verhuisbericht

Iets meer dan een jaar geleden vonden we bij thuiskomst een treurend konijntje bij een zojuist overleden maatje. Willem was niet meer. Stofje werd daardoor het laatste beestje uit een konijnengroep die op zeker moment zelfs wel elf leden telde.

Het besluit werd snel genomen: Stof moest naar binnen. Een konijntje alleen is al niet best, maar een konijntje alleen in een ren buiten is schiere mishandeling. Binnen had hij ons dan nog in de buurt en drie poezen die af en toe een praatje kwamen maken.

Achter in de woonkamer had Stof een klein koninkrijkje, waar hij heerste onder de mahoniehouten eettafel en waar hij de stoelpoten als bomen beschouwde, waarachter hij zich graag dacht te verschuilen. We hadden niet de indruk dat Stofje ongelukkig was, maar ergens knaagde er wel wat.

Twee weken geleden kwam er een e-mailtje binnen van vriendin I. Konijn Kees, partner van Pip, was plotseling overleden. Nu hadden wij een oud mannetje, en zij een oud vrouwtje en als wij nu eens…en dan kijken…en het maakte niet uit waar dan…en wij sloegen aan het denken. Beslissingen over dieren gaan immers niet over één nacht ijs.

Toch waren we er al snel uit. Twee loslopende konijnen in huis vonden we niks en Pip leefde in een prachtige buitenren, die wij niet meer hadden. Het zou nog mooi weer worden, dus Stof kon best nog naar buiten en als we de verwarming uit zouden laten tot het dier verhuisde, wende hij vast extra aan het buiten zijn.

En zo geschiedde. I. kwam met een kleine bestelwagen waar wij toch met enigszins zwaar hart binnenkooi, speeltjes, brokjes, hooi en stro inlaadden. En Stof zelf. En we haalden amper adem. Stof zat eerst nog een dagje binnen. Daarna achter gaas bij Pip, zodat slechts hun neusjes elkaar konden raken. Van elke stap werden we op de hoogte gehouden middels e-mails en foto’s. Nagelbijtend volgden we het proces.

Op zondag gingen ze bij elkaar. Ze piesten in elkaars bak. Ze aten uit elkaars bakje. Stofje veroorzaakte een ‘me too’-momentje, waarop Pip bedeesd liet weten hier niet van gediend te zijn. En dat was dat. Gisterenmiddag ontving ik onderstaande foto. En wat er in de komende tijd nog gebeurt, deze dagen, en alles wat er in gebeurde, zijn al winst. Ook al is het lastig te wennen aan de stilte onder de grote eettafel, en het achterwege blijven van bendes grijs en witte haren op de vloer en de tapijten.

Groeten uit Groningen

Dag Willem

Bijna acht jaar geleden was het, dat de moeder van Willem besloot bij vroegere vriend S. in de tuin te gaan struinen. Moeder was alleen en we vonden geen eigenaar. Later bleek dat daar, aan het kanaal -Oostzijde- in Drijber wel meer konijnen rondsjouwden en er waren er toch veel die leken op moeder Geena, of op een van de kinderen die ze op dat moment al in haar buik droeg. Eén ervan was Willem.

...

Willem kwam als dametje, samen met twee broers en één zus, maar die combinatie hadden wij, en had ook de dierenarts, niet door. Haar naam had ze al, en ze was klaar voor castratie, toen we erachter kwamen dat Willem eigenlijk een Wilma was, met een buik vol kleintjes. Zes minikonijntjes wierp Willem, en op haar jonge leeftijd (iets meer dan drie maanden) had ze geen idee wat ze aanmoest met die naakte wurmen die uit haar vielen. Meer dan eens legden we een uit het nestje geduwd wichtje of ventje weer terug onder het stro.

...

De kleintjes gingen naar nieuwe adressen, Willem bleef bij ons, net als haar broers Hippie en Stof, en zus Ed (nee, vraag niet verder). Willem was de grootste van het stel, maar ze leek de zwakste. Meer dan eens ging ze in een mandje mee richting dierenarts. Meer dan eens dachten we dat het nu toch echt gebeurd was. Gas, een tumor onder haar vel…van dat soort rare fratsen. Maar nee. Willem worstelde en kwam boven. Haar moeder overleed een half jaar na haar geboorte. Haar eerste man, Hippie, bezweek na twee jaar aan een hartaanval. Zus Ed overleed vorig jaar, na een heftige aanval van een venijnige parasiet.

Echte liefde

Willem en Eds mannetje Stof werden een stel, want je moet het, net als in de mensenwereld, toch een beetje doen met wie er overblijft. Ze werden hecht, dit laatste jaar. Een waarlijk klef stel. Zo’n setje dat dan af en toe ook strontchagrijnig van elkaar kon worden. Dan zaten ze ieder aan één kant van de ren. Een halve dag lang. Om elkaar dan snel weer op te zoeken en heftig af te lebberen. Ruzie om het goed te maken, wellicht.

The good life...

Stof en Willem werden samen ouder dan we ooit verwachtten. Al waren er het laatste jaar bij beide toch zeker ook momenten waarop we dachten: nu is het einde nabij. Maar steeds opnieuw bewezen ze dat het tegendeel waar was. Het was nog lang geen tijd. Er moesten nog gangen gegraven worden, en kruiden geplukt. Er moest nog een graspolletje kapot en de deurtjes van de ren moesten nog stevig getest. Er moest nog, er moest nog, er moest nog zoveel…

Met Stof en Ed

Na een weekend waarin Willem wel weer een half jaar jong leek en waarin de echtelieden als jonge tortelduifjes uren samen in de zon lagen te soezen nadat ze elkaar danig achter de broek hadden gezeten, volgden een paar dagen van heftige bouwwerkzaamheden in gras en grond. We verwachtten ieder moment BAM, Heijmans èn de welstandscommissie in onze tuin. Wat we niet verwachtten, was dat ik bij thuiskomst vanmiddag een Willem zou aantreffen, die niet langer meer zou draven en graven.

Stof en Willem in de sneeuw

Ze lag op haar zij. Haar roodbruine vacht glanzend en zacht als altijd. Haar mannetje zat naast haar en likte zachtjes over haar snuit. Hij begreep er nog minder van dan ik.

Ontaarde ouders

Het was vrijdag. De week had weer vol gezeten met bruisende activiteit. Het was tijd voor bank, buis en patat van Daan. Ik draaide de Volvo het erf op en zag dat jongste, die vrij had, de konijntjes al buiten had gelaten. Fijn voor ze, want doordeweeks komen we altijd laat thuis en hoewel de beestjes een zeer riante binnenruimte hebben, inclusief twee nachthokken, vinden we het toch zielig als ze overdag maar een uurtje of twee uitgebreid in de modder kunnen rondhupsen. Ik zag overigens dat de waterflessen bijna leeg waren, maar dat regelde ik later wel.

Vlak nadat ik thuis kwam, reed de man zijn blubbertruck de oprit op. We zeiden hallo, we deden wat slijmerige echtgenoten doen als ze elkaar tien uur niet gezien hebben, en besloten patat te halen. We liepen richting de hoofdstraat en vroegen ons af of het druk zou worden, vandaag. We hadden nog geen lampionnetjes gezien en de bak met mini-reepjes was erg vol. Bij Daan zongen dan wel weer groepjes dik ingepakte kleuters over koeien met staarten en meisjes met rokjes. Dat kwam vast wel goed. Oh ja, en we moesten de konijntjes niet vergeten, straks.

En ik deed mijn bestelling en zag hem en haar van de schaapskudde in een dorpje verderop. Net toen we goed op gang waren met een analyse over de zaak Trump versus Clinton en Wilders, was hun bestelling klaar en niet veel later de onze. Huiswaarts. De kachel aan. Mayonaise. Curry. Het heerlijke genot van de vrijdagavond. Na een paar minuten kauwen dachten we niet eens meer aan de Verenigde Staten. En ook niet meer aan koeien met staarten. Want niemand kwam zingen over Sint Maarten. En niemand deed de deur die avond meer open.

Het was koud, vanmorgen. De rijp lag over de uitgebloeide hortensia’s en de oranje lampionnetjes naast de taxus. Ik zette koffie. Ik roosterde brood in oma Todors broodmachien (nog steeds niet kapot). Ik las Ons Eig’n Kraantien. En na twaalven vonden we het tijd om een boodschap te doen. ‘Doen we meteen de konijntjes buiten.’ Euh…dacht ik. ‘Ze zitten al buiten!’ riep ik tegen de man. Ik zocht naar een kapot slot, een paneel uit de binnenren dat stuk was gegaan. Een ander defect. Maar er was niks kapot. Het deurtje dat we zelf altijd keurig voor ze openzetten, stond keurig open. Willem zat stilletjes midden op een restje gras.

‘Euh…’ deed de man. Want nee. We hadden dat deurtje niet dichtgegaan, gisteren. Nee. We hadden ook geen brokjes gebracht. En ja, het hooi was inmiddels ook al op. En het restje water was bevroren. Daar stonden we dan, lichtelijk gebogen, de handen voor de mond. Dan rennend met brokjes. Vers hooi. En nog wat. En water. En veel lieve woordjes. Heel veel lieve woordjes. En het is maar goed dat konijntjes niet haatdragend zijn. Ik had mij toch eens goed in de vingers gebeten.

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Jimmy Scissorhands

Toen wij onze Jim leerden kennen, had hij nog niet vaak een dierenarts gezien. Het moest minstens één keer zijn geweest, want mini-poesjes kon hij niet meer maken, maar verder? De kinderen van de vorige huiseigenaar konden zich niet herinneren dat hun vader ooit met het beest naar de dokter was geweest. Vader zelf was er niet meer, maar wij proefden een dikke kern van waarheid in hun haperend verhaal.

Nu onderhouden wij al bijna dertig jaar innige relaties met het veterinair gezag, dus met Jimmy zetten wij ‘gewoon’ de traditie voort. Gewoon. Maar zo gewoon bleek dat dus mooi niet te gaan. Waar Jimmy in het dagelijks leven een kruising tussen een lakse luiaard en een dood vossenbontje is, verandert hij, eenmaal in een vervoersmand richting dierenarts, in een versmelting van The Tasmanian Devil en Edward Scissorhands. Oh ja. En Pavarotti.

De eerste keer dat Jim richting dierenarts ging, reed ik met natte handen en bonzend hart richting Westerbork, terwijl op de passagierstoel een eenpersoons wereldoorlog werd uitgevochten met schreeuwend luchtalarm. De tweede keer stuurde ik met een smoes de man op pad. Het bloed van gesneuvelde katernagels kleefde aan de buitenkant van de kunststof mand.

En vandaag moest hij weer. En de smoes bij de man werkte niet meer, want hij heeft geen dag meer vrij. En ik had nog steeds geen psychiatrisch vestje met lange mouwen voor hem (Jimmy, niet de man), dus we konden niet anders dan het er maar gewoon op wagen. Dus ik pakte de mand. En ik pakte een dekentje. En ik pakte een poes.

In de auto werd de binnenkant van de mand driemaal heftig bekrast. De misthoorn die zich in de oude baas verborg, liet zich nog tweemaal horen. En toen. Was het stil. Tussen de kieren in de mand zag ik een Jim die berustte in zijn lot. Iets wat hij, al spinnend tegen de dierenarts, op de tafel ter plekke herhaalde. En in de auto richting huis was er stilte. Tien kilometer lang.

Ik slaakte een zucht van verlichting. Die poes had het nog wel even volgehouden met zijn opstandig gedrag, misschien, maar ik weet niet of mijn zenuwen nog veel meer ritjes met de Tasmaanse Duivel, Scissorhands en Pavarotti hadden kunnen verdragen.

(Zeker niet in de wetenschap dat we volgende week wéér die richting op gaan.)

In het gewone leven maakt men 'The Jim' de pis niet zo gauw lauw...

In het gewone leven maakt men ‘The Jim’ de pis niet zo gauw lauw…

Zesling in de achtertuin

Een poosje geleden waren we de vissen kwijt. In de vijvers achter het huis zwommen vijf goudvissen. Niet allemaal ‘goud’, trouwens. Er waren drie oranje vissen, één gele en één zwarte. Het duurde een paar weken voordat vier van de vijf vissen weer aan de oppervlakte kwamen.

Het vijfde dier is nooit meer opgedoken en niemand weet waarom. Heeft Janosh ‘m door het gaas opgevisd en met smaak opgegeten? Heeft een reiger het aangedurfd om in de wirwar van gaas en planten toch een visje te stelen? Had een toevallige voorbijganger radarogen en behoefte aan een leuk cadeautje voor een jarig neefje?

We weten niet waarom er nog maar vier vissen waren en dat zullen we, vermoed ik, nooit weten ook. We genoten afgelopen zomer van de overgebleven exemplaren, zagen de zwarte vis een beetje van kleur verschieten, de gele steeds wat dikker worden, het oranje duo glansde onder het spiegelend wateroppervlak.

Ik wierp dagelijks een handje korrels in het water en genoot van het enthousiasme waarmee ons viertal zich op de maaltijd wierp. Als er vier vissen aten, leek het soms of er wel tien waren, zo golfde en rimpelde het water. De groene kikker keek minzaam vanaf het nieuwe zuurstofplantje toe.

Maar hé, wat bewoog daar onder dat plantje? Een worm? Een takje? Twee takjes? Nee! Het waren kleine visjes! Twee! Nee, drie! Nee! Zes! De visjes groeiden en groeiden. Als ik de groten nu voer, nemen zij een paar bescheiden hapjes en dan trekken ze zich een beetje terug om de kleintjes een kans te geven. Als trotse ouders hangen ze tegenwoordig aan de rand en lijken te roepen: “Kijk eens hoe mooi, dat kroost!”

De man echter, had een glimlach op het gelaat die allengs minder werd. Een vis minder, dat was droevig, maar zes vissen méér, dat is ineens toch ook wel veel! Is daar wel plaats voor en als dat niet zo is, wat dan? Ik keek naar de twee kleine vijvers, die vernuftig met een stukje buis aan elkaar verbonden zijn. “Het zal wel gaan,” zei ik. En ik zag iets bewegen in mijn ooghoek. Tussen de lisdodden en de irissen. We hebben niet één kikker.

We hebben er twéé!

Hoeveel baby's zouden er nog in passen?

Hoeveel baby’s zouden er nog in passen?

Als de vissen missen

Ons eeuwige vakantiehuis aan de Wendakker had alles wat wij maar konden wensen aan een huis. Ja, ik weet het, daar heb ik al bijzonder vaak van verhaald. Edoch. Alles, dus. En meer. Naast het huis stond (en staat) bijvoorbeeld niet alleen een fietsenschuurtje, maar ook een kippenhok. Erin: een kartonnen doos met stro, die de slaapplaats van een zwervende egel vormde. Kippen: geen. En dat was best. Misschien later.

Achter het huis lag een onmisbaar element van het hedendaags tuinreservaat: een vijver! Omgaasd met dikke, groene, plastic draden en stokjes, schier overwoekerd door gele lissen en uit de kluiten gewassen varens. Erin: vijf vissen. De man en ik zuchtten. Een beetje. Die vijver zou moeten wijken. Er is maar zoveel méér dat een mens kan hebben, ten slotte.

‘Je kunt ze best ergens in een andere vijver in de buurt gooien,’ sprak de dochter van de vorige bewoner van ons pand, terwijl ze op onze verse verzameling vinnen en schubben wees. De man en ik knikten. Dat zouden we misschien dan wel doen. ‘Merkt niemand wat van’, besloot de dochter tevreden met haar kwiek advies, en we maakten nog een rondje langs ramen, deuren, ‘misschien-wel-lekke’ vaatwasmachine en de kat die we toch echt zouden houden.

En toen zaten we dus in dat huis. In de vijver pruttelde de bejaarde vijverpomp en, warempel, zat daar geen kikker? We keken, op onze knieën, naar het zonnende, felgroene dier, naar die ene feloranje met zwarte goudvis, die grote gele, en die drie kleine, zwarte exemplaren. Het werd stil. Het werd later. Het werd oktober. November. Weer voorjaar. Twee van de drie zwarte vissen werden oranje, de gele steeds witter, had de man wel gezien dat die andere grote steeds minder zwarte vlekken had? We zuchtten. Alweer. Maar toch anders.

Twee weken geleden waren de vissen verdwenen. Het voer dreef in cirkels op het wateroppervlak. De rand, waarin vooral de zwarte vis graag lag te zonnen, bleef leeg. ‘Is er een reiger geweest?’ vroeg de man. ‘Zou iemand met een netje naar achter zijn gelopen?’ vroeg ik zelf, maar de antwoorden op onze vragen bleven uit. De katten kunnen er niet bij. Vossen IN het dorp? Die vissen eten? Zij aan zij volgden we iedere rimpeling (‘Alweer een schaatsenrijder!’) en staarden minutenlang diep in de groene soep die onze vijver in dit jaargetijde blijkbaar altijd is.

We lachten wat en fantaseerden over een nieuw soort zitkuil. Een rotstuin, misschien. En toen werden we weer stil. Heel stil. In gedachten verzonken over drie oranje vissen, één zwart en één witgeel exemplaar. Die vandaag ineens weer, alsof ze terug van vakantie waren, relaxed in de zuurstofplanten hingen. De Benidorm Bastards. Misschien moesten ze voor straf maar alsnog naar een andere vijver. Een kleintje. Een heel eind verderop.

Ja, daar zijn ze weer!

Ja, daar zijn ze weer!

Dag Ed

‘En daarom heb ik dus geen huisdieren!’ De zin kwam uit de mond van collega E., toen we het hadden over mijn konijn dat ziek leek en het konijn van oudste dat stierf. Ik moest de afgelopen week een aantal keer aan de opmerking van E. denken. Ik dacht er bijvoorbeeld aan, toen ik in Edjes ogen een witte waas zag. Teken van ouderdom, maar…ook een teken van een ziekte die ik begon te vermoeden.

Ed met leeuwenmanen.

Ed met leeuwenmanen.

Ik dacht aan die opmerking, toen Edjes kopje scheef begon te hangen, en ik in de plasbakken een ontzettende puinhoop zag. Niks van gladde laag bodembedekker. Nee. Een groot rommeltje van omgewoelde snippers en plasjes op plaatsen waar plasjes niet hoorden te liggen.

Ed in haar kistje.

Ed in haar kistje.

Ik dacht er gek genoeg niet aan, toen ik afgelopen vrijdag bij de dierenarts was, die mijn vermoeden bevestigde en me medicijnen en goede raad meegaf. Het zou weer goedkomen, met goede zorgen, een beetje geluk, en veel, heel veel liefde, die gek genoeg niet alleen van ons leek te komen, maar ook van hokgenoten Willem en Stof.

Ed in winterjas, in de sneeuw.

Ed in winterjas, in de sneeuw.

Ik dacht er weer wel aan, gisterenavond, toen de goede zorgen niet genoeg leken te zijn. Vanmorgen wist ik dat zeker. Ed keek me met haar scheve kopje aan, kneep één oogje een beetje dicht. Als ik projecteren ga, vroeg ze me toen al om het tonen van wat stevigere moed dan ik tot dan toe getoond had.

In het zonnetje...

In het zonnetje…

Ik dacht er niet aan, toen ze vanmiddag op de tafel bij de dierenarts lag. Toen ik haar aaide, totdat haar ademhaling en haar hartje stopten. Gek genoeg dacht ik toen toch aan al die mooie momenten die we met haar hadden. Vanaf het moment dat ze, samen met haar broers en zus, als duveltjes uit een doosje uit ons gevonden moederkonijn verscheen. Tot nu, ruim zes jaar later.

Ed met Stof, haar grote liefde.

Ed met Stof, haar grote liefde.

Zoveel plezier om dat trotse, en een beetje stoute, karakter. Zoveel genietmomentjes als we háár zagen genieten. Zoveel moois. Inclusief de beslissing, die uiteraard nooit vanzelf komt, maar een beslissing is die wíj voor onze dieren kunnen nemen, en daardoor alleen al een zegen is.

Ed met Hippie, in 2010. Hippie is al een aantal jaar geleden overleden.

Ed met Hippie, in 2010. Hippie is al een aantal jaar geleden overleden.

Ik dacht er opnieuw aan, aan die opmerking van collega E. En ik dacht: ik snap het. Maar ook: het verdriet van het verliezen komt pas na de vreugde van het (be-)leven. Ik zou het niet willen missen. Zoals ik Ed niet had willen missen. En ieder raar beest dat ongetwijfeld nog ná haar komt.

Nieuwsgierige Ed, in de bak met hempa.

Nieuwsgierige Ed, in de bak met hempa.