Een kano in de tuin

Het is al meer dan een jaar geleden dat de man ergens op Schokland tegen een kano opliep. Het bleek een prototype te zijn van een origami-boot, en hoewel de man niets heeft met origami, en eigenlijk ook niets met boten, bleek hij zijn zinnen binnen vijf minuten op het ding te hebben gezet.

Maanden later was het prototype vervangen door een iets minder prototypig type. In Zwolle gleden we ermee door de stadsgrachten tijdens een proefvaart, met felle zijwind en een groeiende twijfel bij de man over zijn nieuwe hobby. Nu had ik echter mijn zinnen op het ‘hebben’ gezet, want ik houd best van origami, heel erg van bootjes en nog meer van water waarin je kunt varen.

We mopperden nog heel even over onhandig geplaatste stabilisatiestangen, klemmetjes die ons minder goed bevielen en iets te strakke vouwen. Er werden aanpassingen beloofd en ergens in België begon een team van jonge jongetjes aan het vouwen en ontvouwen van onze ‘Geena’, en ergens eind december bezorgde DHL een grote kartonnen doos.

De doos. Bleef dicht. Slecht weer, een andere hobby van de man en een heftige studie van mijzelf zorgden ervoor dat we voorlopig niet aan peddelen durfden te denken. Pas na mijn ‘eindejaarsexamen’ van 30 mei mocht de doos open. Er kwam een grote plaat plastic uit, heel veel aluminium stangen en nog wat overig frivool knutselspul.

Het ging niet vanzelf, onze eerste keer vouwen. De handleiding leek van IKEA, de klemmetjes en banden zaten niet allemaal logisch, en de man en ik verschilden uiteindelijk onverenigbaar van mening over het plooien van de neus. Ik zuchtte diep. Hij zuchtte gevaarlijk. Ik zweeg. En dat is best lastig. We ontvouwden de boot en zetten het geheel weer veilig in de schuur.

Vandaag probeerde ik het opnieuw. Alleen. En lekker eigenwijs. En de neus plooide ik lekker op mijn manier. En ik vind het niet per se nodig dat ik gelijk heb, maar soms is het uitermate kicken. Dat huwelijk, dat redden we wel weer op een andere manier.

Het giet vanzelf wel over

‘Het giet vanzelf wel over.’ Ik geloof dat het zoiets was, wat ik afgelopen week tegen de huisarts en de fysio zei, toen men vroeg hoe ik gewoonlijk tegen de wereld aankeek. Of ja, de wereld, het kan ook over het gedonder in mijn gewrichten gegaan zijn.

Niet dat het gedonder in die gewrichten altijd vanzelf wel overgiet. Op het moment loopt de linker knieschijf niet helemaal in het spoor, door een mysterieuze verslapping van een spier met een ingewikkelde naam en een prachtige functie: dat spoor houden.

We verschilden wat van mening, huisarts en ik. Ik dacht dat ik iets te veel gedaan had. Hij dacht van juist te weinig, waarop ik heel moeilijk ging kijken. De fysio haalde de angel uit het conflict door te melden welke oefeningen er nu zouden helpen, en dan zou hardlopen zelfs ook weer kunnen.

Oké.

Maar daar wilde ik helemaal niet over schrijven. Ik wilde over een heel andere blessure schrijven, die ik in februari 2017 ergens in een machtig sneeuwgebied in Noorwegen opliep. Chef had gezegd dat ik, als ik de kans kreeg, moest gaan sleeën. Vriendin Mara wilde dat ook wel doen.

Ergo. Mara en ik gingen sleeën. En er gebeurde iets met mijn vinger waardoor ik die niet fatsoenlijk meer kon gebruiken. Iets waarover ik uiteraard behoorlijk gemopperd heb tegen Chef, want het was háár idee. Waarop zij me, tot op de dag van vandaag, wanneer het maar uitkomt, fijntjes inwrijft dat ik het gewoon niet goed deed, dat sleeën.

Enfin. Dik gekneusd was de vinger, en ik hing de gitaar en de lessen die ik volgde in de wilgen. Pardon. De gitaar ging aan de muur. Want wie weet. Overal kan men lezen, immers, dat zo’n vingerkneuzing over gaat. Al kan het erg lang duren. Op een dag merk je ineens dat je er alles weer mee kunt.

Die dag was vandaag. En de gitaar ging van de muur. De snaren werden gestemd. Het beginnersboek ging voor de zekerheid weer open.

En ik speelde.

En het ging.

Zie.

Heb ik soms toch gelijk.

Good times!

In het water vallen

Omdat de man en ik na ons tripje naar Denemarken nog immer niet genoeg hadden van ‘Het Hoge Noorden’, besloten we vorige week af te reizen naar Schokland. Ja. Op dit bijzondere eiland, dat nu geen eiland meer is, organiseert men blijkbaar jaarlijks de Scandinavië Markt, iets wat de man tijdens één van zijn vele meetklussen in de Noordoostpolder had ontdekt via een billboard langs de weg.

Wij moesten daar dus heen, naar deze markt. Ook al liepen er, compleet zinloos als je het mij vraagt, ook rendieren rond. En een soort van speciale Scandinavië-honden die volgens mij veel liever ergens in het bos hadden gerend in plaats van aan een lijntje hadden gezeten om bewonderd te worden door slenterende bezoekers. Maar. Dat terzijde. De man en ik bekeken Noorse messen, Zweedse dekens en Finse sieraden, we betastten servies van Marimekko en kopjes en mokken beschilderd met bessen en bloemen.

En toen was ik de man even kwijt. Ondanks zijn hekel aan sociale praatjes met mensen die hij niet kent, bleek hij in gesprek met een heerschap dat ik me nergens van herinnerde. Rechts van het heerschap stond een kraam met innovatief kampeergerei. Links van hem lag een boot. Kano. Oh. Vandaar. De man houdt dan wel niet overdadig van water, behalve onder de douche, toch heeft hij een droom: zwerven in Zweden. En omdat ik dat fijn vind, wordt dat zwerven over meren. En omdat hij dan langer droog blijft, mag dat best in een boot.

De kano was gemaakt van vernuftig materiaal. Iets met Pet-flessen en dan vermalen, gesmolten en hervormd tot multitechnische honingraten. Ze hielden de boot boven water en vrij van schade. De uitvinders hielden ook van origami, want op basis van dit Japans principe was de kano opvouwbaar, tot een pakketje dat zelfs in de Twingo paste, al kan ik me niet voorstellen dat de Volvo naar Zweden niet mee mag. Er zaten ook wielen onder de opgevouwen kano, en het gewicht hield snel vervoeren ook al niet tegen.

Het werd later. En later. En de man en het heerschap van de kano waren nog immer in gesprek. Ten langen leste mengde ik me ook maar in het gesprek en bekeek de prijs van het innovatieve wonder van de aanstaande fjordenvaart. ‘Maar dan krijg je er wel een waterdicht lampje op zonnecellen bij.’ Dat leek me superhandig. Als we dan wat minder de schemerlamp aanzetten, kunnen we straks ook nog twee peddels kopen. Handig voor de tochtjes over de Aalder Aa, want van een tochtje over een Zweeds meer, kunnen we na de aanschaf van de kano toch nog even langer blijven dromen.

Geen kanowater, maar ook fijn.

Geen kanowater, maar ook fijn.

Oude liefde roest niet

‘Jij raadt echt nooit waar ik vandaag geweest ben’, zei ik gisterenavond tegen de man. Hij had zijn tas nog niet neergezet en deed dat nu met een bedachtzaam gebaar. ‘Euh…’ begon hij. ‘Echt niet.’ Ik deed mijn armen over elkaar en keek hem uitdagend aan. Het was ergens waar ik al zeker drie jaar niet meer geweest was. Misschien iets langer. Zeker wist ik het niet meer.

De man fronste zijn wenkbrauwen en wreef met zijn wijsvinger over zijn bovenlip. Ik weet dat hij een vergelijking met Wicky de Viking niet op prijs stelt, dus ik was zo wijs dit niet uit te spreken, maar ik moest er wel aan denken. ‘Nee..’ zei de man toen. ‘Het zal niet bij S. zijn, toch?’ en ik liet van verbazing mijn kin op de keukenvloer zakken. Ohmy. Dat is inderdaad óók al weer zo lang geleden.

Maar nee. Ik was niet bij oud-collega S. geweest. Ik vrees dat die gebrouilleerdheid duurt tot de dag dat Pinksteren en Pasen op één dag vallen, en anders wel tot Sint Juttemis, en ik heb daar intussen vrede mee. Nee. Het was iets anders. Maar hoe ik ook hintte en prikte, de man kwam maar niet op het juiste idee. ‘Ik was’, sprak ik langzaam en onheilspellend, ‘op de…sportschool!’ ‘Oh!’ zei de man. En toen bleef het even stil.

En intussen heb ik mezelf een abonnement aangesmeerd en kan ik dus bijna wanneer ik maar wil aan de gewichten hangen. En ja, ik heb er de kriebels weer van in mijn buik. En nee, ik durf niet met zekerheid te zeggen dat ik er deze keer NIET 10 kilo van aankom. Maar sommige risico’s zijn het waard om genomen te worden. Binnen het kader van de oude liefde dan.

Ook sportief...

Ook sportief…

Sleeën in Sauda

Als er een mooi plaatje gemaakt kan worden, wordt er een mooi plaatje gemaakt.

Als er een mooi plaatje gemaakt kan worden, wordt er een mooi plaatje gemaakt.

Het is nooit erg als een plan omgegooid wordt. Nou ja. Dat is met de meeste plannen het geval. Een enkel plan is te leuk om van de kaart geveegd te worden. Zo’n plan had Mara. Voor vandaag.

Een heel aardige collega van Mara wees ons de weg.

Een heel aardige collega van Mara wees ons de weg.

Ze haalde me op, klokken 8.00, en we reden twee uur lang in noordoostelijke richting. ‘Oh!’ riep zij en ‘Ah!’ riep ik en tussendoor gooiden we maar wat chocolaatjes in onze monden, anders bleven we verzuchten hoe verschrikkelijk mooi het overal was. In Sauda, waar echt veel sneeuw lag (iets wat we een uurtje eerder nog niet konden geloven), gaf één collega van Mara ons sleetjes, een ander reed voor ons uit naar een dal waar ‘het’ dan echt zou gebeuren.

Eten in de sneeuw. Weer iets anders dan sneeuwhappen.

Eten in de sneeuw. Weer iets anders dan sneeuwhappen.

De eerste de beste bult vonden we goed genoeg om vanaf te sleeën, maar het grootste deel van de bult bestond uit metershoge lagen verse sneeuw. Oh. Nou. Dan het kleine bultje vooraan maar. En zelfs daar waren we in staat verkeerd uit te komen, volop sneeuw te happen, schouders en knieën blauw te beuken en sokken, sjaals en handschoenen doornat en koud te krijgen.

Gelukkig had Mara thee bij zich. En de zon was heerlijk warm, waardoor we beiden tussen de gewaagde ritjes door met de ogen dicht op temperatuur konden komen. We luisterden naar het bijna volkomen niks, naar kabbelend water van watervalletjes in de verte, naar het ontieglijk gekwetter van onszelf, en naar ons bulderend gelach.

Good times!

Good times!

Volgens Chef, die ik eerder appte over onze plannen, was sleeën goed voor de buikspieren. Ze had gelijk. Die spieren hebben er flink van langs gekregen als een van ons weer eens charmant in een sneeuwkuil belandde. Veel andere spieren kregen ook enorm op hun donder, maar ik vrees dat dat aan onze techniek lag. Iets wat de komende jaren waarschijnlijk ook niet verbeteren zal.

Nu moet ik dan wel

Het is niet dat ik het niet meer leuk vind om aan wedstrijdjes mee te doen. Ook al win ik nooit. Ook al vraag ik me tijdens het hele gebeuren steevast af ‘waarom ik dit ook alweer doe’. Ook al zijn de weersomstandigheden vaker wel dan niet om niet over naar huis te schrijven. Neuh. Daar ligt het allemaal niet aan. Ik kom er simpelweg niet zo vaak meer aan toe om me in te schrijven. En dan ook nog eens ter plekke te verschijnen.

Dus nee. Ik had me ook nog niet ingeschreven voor de Aalden Rondomme, het loopje waar ik vorig jaar collega M. voor gestrikt had, en het jaar ervóór collega W. ‘Leuke omgeving om in te lopen’, zoiets had ik vast tegen haar gezegd, omdat W. best van leuke omgevingen houdt. Helaas waren de weersomstandigheden dermate bar, dat collega W. slechts hagel zag en wind en regen tegen het lijf voelde striemen. Zelfs de man, als toeschouwer, maakte zich uit de voeten. Het water liep hem in de laarzen, zo aan de kant.

Maar toch. Fijn loopje. En natuurlijk zou ik er dit jaar weer zijn. Alleen al omdat het om de hoek is. En omdat het toch echt weer eens moet. Maar het hardlopen ging de laatste tijd wel váák, maar niet vèr. Dus ja. ‘Ga je tien kilometer doen?’ vroeg de man en ik dacht aan collega M., die de tien kilometer vorig jaar net zo snel liep als ik de 6,5. Ik dacht aan de opgave die het bij de Stonecityrun in juni was, om die tien een beetje charmant te vervolmaken. En ik schudde van nee.

En ik had me dus nog steeds niet ingeschreven en ik maakte ook geen haast. Zoveel dingen te regelen nog op school, een heerlijke niks-doen-vakantie voor de boeg, zo weinig kilometers in de benen. Tot ik redacteur J. tegen het lijf liep, tussen de boodschappen in de plaatselijke supermarkt. Of hij me even kon spreken. Want die stukjes in het plaatselijke krantje, zouden we daar al een afspraak over kunnen maken? Beginnen in januari, en dan zes maanden lang ‘kiek’n wat ‘t wordt’?

En ik knikte van ‘ja’ en ik mompelde nog wat over de buurvrouw, die mijn stukjes graag in het krantje zag verschijnen en J. wapperde met zijn handje en zei: ‘Dat snap ik, want dat wil ik ook.’ En of ik dan kon beginnen met een stukje over de Aalden Rondomme. De foto, daar zorgde hij wel voor. En ik dacht: ok. En ik dacht: nu dan wel even een beetje strak gaan trainen. En nee, het wordt geen tien kilometer. En ja. Die inschrijving, die is bij dezen dus eindelijk geregeld.

...nog genoeg energie om iets van een grijns te produceren...

…nog genoeg energie om iets van een grijns te produceren…twee jaar terug, dus…

Over halve lengtes en gemist gemis

Het was het argument waarmee de man mij uiteindelijk toch, en ineens gemakkelijk, óm kreeg. “Er is een zwembad op loopafstand!” Een buitenbad nog wel. Het was wat ik vreesde te gaan missen, als we weg zouden gaan uit Steenwijkerwold. Daar was het bad op fietsafstand. Evenveel minuten als ik nu lopen moet. Als ik langzaam sjok.

Dus ik ging om. We kochten, verhuisden en settelden. En nooit, nee nooit, keek ik verder dan het hek dat om het nieuwe zwembad heen stond. Ik zag een glijbaan. Ik zag een grasveldje en een fietsenrek. En een piepklein badje. In mijn opinie. Want oh my, wat was ik verwend, met mijn 50-meterbad met snelle baan, en dat voor net iets meer dan 40 euro per jaar.

Want dat was ook nog wat. Een abonnementje hier kost 60 euro in de voorverkoop, en 80 als je te laat bent, zoals ik. Dus ik hield het bij hardlopen en af en toe een duik in een meertje vlakbij. Het leven was goed, en Aalden leerde ik ook kennen zonder te zwemmen.

Zo leerde ik dat dit zwembad, met een grootte die ik als een verwende prinses beschimpte, slechts kon bestaan door de inzet van de bevolking. Dat er mensen waren die een abonnement kochten, puur voor de subsidiëring van dit kindervermaak. Bedrijven in de buurt (en van iets verder weg) leverden met de hulp van vele vrijwillig lassende handen, een prachtige pannakooi voor op het grasveldje erbij. Om het nog maar niet over de fair te hebben, eind april. Alles voor het zwembad.

Dus ik meldde me gisterenavond bij de kiosk, omdat ik ook best wilde helpen. En ach, als ik er toch ben, doe dan ook maar een abonnement. Ik schreef ‘m zelf en een andere nieuweling lamineerde ‘m en ik dacht: morgen misschien dan toch even zwemmen.

Vanmorgen viste ik mijn oude zwemtas tevoorschijn en wist ergens achter de hemdjes nog een badpak. Tien voor zeven verliet ik de Wendakker. Er hing nog wat nevel boven de velden en dauwdruppels versierden de planten langs de sloot. Ik zwaaide met mijn abonnementskaart, ging douchen en sprong in het bad. Laverend tussen de zwemmende dames en heren van Zweeloo en Aalden, bedacht ik wat voor rund ik was. Ik bedacht dat ik een jaar vol frisse baantjes had gemist en dat dat me niet meer moet gebeuren.

En ik bedacht dat ik het aantal baantjes in ieder geval wel in zou kunnen halen. In een bad dat twee keer zo klein is, is het aantal baantjes natuurlijk wel weer twee keer zo hoog.

7.00 uur. Da's fijn. Om nu van ze te verwachten dat ze het bad om half zes al opengooien, is misschien ook wel wat bizar.

7.00 uur. Da’s fijn. Om nu van ze te verwachten dat ze het bad om half zes al opengooien, is misschien ook wel wat bizar.