Met coach J. door het Vledderse Veen

Diegenen die al een poosje meelezen, weten dat er maar twee stagebegeleiders ècht belangrijk voor mij waren tijdens de lerarenopleiding: coach S. (Siebe) en coach J. (Jan). Beide heren werkten op dezelfde school, op verschillende locaties, en ik kan tot op de dag van vandaag geen persoonlijkheden bedenken die verder uit elkaar liggen dan deze twee. Toch. Ik heb het met beide heren ontzettend naar mijn zin gehad, om verschillende redenen.

Bij coach S. kwam ik terecht toen ik nog niks van lesgeven wist. Ik knutselde iets van een les in elkaar en ik probeerde als een leeuwentemmer een klas vol pubers niet te laten bijten. Het ging niet altijd goed, maar het was wel ontzettend relaxed, niet in de laatste plaats door S., die me vooral mijn gang liet gaan. De enige echte kritiek betrof mijn kleding (“Meer jurken!”) en mijn houding (“Loop toch eens als een dame!”)

Na S. kwam J. en dat was andere koek. Ik moest ineens ‘aan de bak’. Ik deed dat af en toe te weinig, dat ‘aan de bak’, en dat kon ik dáár, op die locatie met een wat lastigere populatie, goed merken. J. moest er vanmiddag weer om lachen. “Je ging ontzèttend op je snuit!” Want dat ging ik. De propjes vlogen me in één bepaalde les om de oren, er klonk overal gezoem en coach J. pende achter in de klas driftig op zijn coachingsformulier.

Hij durfde me bij mijn kladden te grijpen en wist ook mijn lurven te vinden. Hij wist me ervan te overtuigen dat ik het kon, maar dat het niet overal vanzelf ging. Hij kreeg me zover dat ik in discussie ging. Met mezelf, maar ook met hem. Ik herinner me een moment dat we als twee koppige ezels tegenover elkaar stonden, ieder overtuigd van de eigen richting. En toch kwamen we eruit. Het is iets wat me niet goed lag, dat discussiëren, dus dat er een oplossing kwam, lag vast meer aan hem.

En toen kreeg ik een baan. En ik zag hem niet meer. Tot ruim een jaar geleden, op een dyslexieconferentie in Ede. We raakten in gesprek en dat gesprek was niet af. Dus we zouden elkaar zien. Maar je weet hoe dat gaat. Het was ineens een jaar verder. En ik e-mailde. En we belden. En we aten vanmiddag gebak, waarna we in hoog tempo met de hond door het Drentse landschap togen.

Tien zinnen per seconde. Dat werk. En we kwamen terug en er stonden hapjes. En er was een drankje. En er waren nóg meer verhalen. En dringend advies inzake werk. Want dáár is coach J. goed in en het zal niet de eerste keer zijn dat hij me met een welgemikte schop onder het achterste vooruit krijgt. Het werd half zes. Ik moest nu echt gaan, hoewel er nog zoveel te bespreken viel. Misschien voldoende voor een dikke trilogie.

Het wordt vervolgd.

Nero vond het prima, al dat geklets. Hij dook gewoon nóg een keer het water in....

Nero vond het prima, al dat geklets. Hij dook gewoon nóg een keer het water in….

Out of space

Volgens oud-medestudent M. leef ik tegenwoordig een leven ‘out of space’. Al die creatieve workshopjes die er voorbijkomen op Facebook, en ze bedoelde vast ook al die andere dingen die ik zomaar voor mijn plezier doe. Terwijl zij en al die anderen nog keihard  studeren…

Ik snap zó goed wat ze bedoelt. Oh my. Ik werd, zeker in het vorige schooljaar, bijkans lichtgevend groen, als ik verhalen las van medezwoegers die ‘ineens’ hun diploma hadden gehaald. Die de deur van de school achter zich dichttrokken en dan ècht en werkelijk op en met vakantie gingen. Zónder studieboek in de koffer. Zónder zwaard van Damocles boven hun hoofd. Zónder schuldgevoel ook.

Want ja, dat laatste kende ik maar al te goed. Ik dééd wel leuke dingen. Ik moest wel. Te veel met die neus in de boeken en die kortsluiting in mijn hoofd stond alweer klaar om opnieuw toe te slaan. Dat konden we niet hebben. Dus: eropuit zouden we! En genieten, potdorie! Maar ja. Daar thuis wist ik die onaffe bestanden en die stapels half gelezen boeken. Die te verrichten onderzoeken en de dreigbrieven van P&O.

Na 4 juli 2014 werd het leven anders. Ik trok mijn hoofd niet langer tussen mijn schouders om dat vermaledijde zwaard te ontwijken. Ik aaide liefdevol over de bestudeerde boeken en zond een enkel exemplaar naar een nieuwe student. Ik trok de deur van school achter me dicht en ging werkelijk en ècht met vakantie. De e-reader vol heerlijke romans die ik verslond als literbakken kersen-yoghurtijs. Pardon, mèt literbakken kersen-yoghurtijs.

Ik klus nu in mijn nieuwe huis, zonder de gedachte dat er nog iets anders moet, of het moeten de s.o.’s van havo-2 zijn die ik nog na moet kijken. Bakken met muziek heb ik teruggevonden, ik wandel, fiets, teken, schilder, schrijf. Met elke kilometer, elke pennenstreek een psychologische karrenvracht lichter. Waardoor het niet anders dan heel zot klinken moet, dat ik me bijna alweer inschrijven kan voor een nieuwe studie. Een nieuw begin.

Ik hoop dat M. tegen die tijd net zo ‘out of space’ gaat als ik nu en dat ik dan opnieuw een beetje groen zal kijken. En ja, stiekem hoop ik ook wel dat die nieuwe studie iets minder stroperig gaat, iets minder als een tripje door de hel, bij tijd en wijle. Gek genoeg heb ik er eigenlijk wel vertrouwen in. Of zou dat net zo zijn als een tweede (of derde) keer willen baren?

Dit was ook 'out of space': een schoolfeest! Eens moest de eerste keer zijn. Het is zeker niet de laatste...

Dit was ook ‘out of space’: een schoolfeest! Eens moest de eerste keer zijn. Het is zeker niet de laatste…

Van dat sociale

Er wordt soms verschrikkelijk gemopperd op Facebook. 512 vrienden, maar niemand kent je echt. Verborgen achter profielfoto’s van tien jaar geleden, of een plaatje van de poes of het kind. Je kunt een heel ander iemand zijn, met allemaal verzonnen feestjes en contacten. Niks echts aan. Laat staan sociaal.

Ik moest er al om lachen, een poosje geleden. Ik zag bij een oud-collega een verwijzing naar haar echtgenoot. Echtgenoot bleek bevriend met iemand met wie ik werk. Familie van mij vindt dezelfde pagina’s leuk als de buren. Is er echt nog een verzonnen bestaan te bouwen, waarin je niet meer bent wie je werkelijk bent?

Vorige week besloot een enorme groep Facebookers te gaan barbecuën. Oh wacht, ook koffie te drinken. Kennis te maken. Misschien een spelletje te doen. Te gaan zwemmen. Wandelen. Voor als ze het niet meer wisten, hè, want het is nogal een gok, een stuk of twintig min of meer onbekenden op een kluitje, ook al hebben ze één ding gemeen: hun studie.

Ik was wat later, want ik reed zo’n vijftig kilometer om. Ik parkeerde de auto en liep met mijn meegebrachte hapjes en drankjes in de richting van daar waar gelach en geklets was, want een nummer van een huisje had ik niet. In een cirkel was een hele groep al geanimeerd in gesprek. En dat blééf die groep. Voor het eventuele zwemmen, wandelen, spelletjes doen was geen ruimte. Geen tijd.

Je kúnt Facebook zien als een deur die het werkelijke leven buiten houdt. Je kunt ‘m ook zien als de deur juist naar buiten, naar al die mensen die je nú nog niet kent, maar die je juist door al die nullen en eentjes leerde kennen. In het echt nog veel leuker dan op hun profielfoto’s. Dát moet dan wel weer gezegd…

Ook een leuke profielfoto, natuurlijk...

Ook een leuke profielfoto, natuurlijk…

Tussentijd

Bijna een week heb ik niets geschreven. Niet op mijn blog, maar ook nergens anders. Het is niet dat er niets gebeurt. Misschien gebeurt er juist wel te veel. Niks aan dramatische dingen, of je moet stressen rond het ‘geschikt-maken-van-toetsen-voor-dyslectici-in-de-proefwerkweek’ dramatisch vinden. Dan was het best dramatisch allemaal. Verschillende keren bevond ik me de afgelopen week tot vijf uur in de school diep in Drenthe, waar de laatste schoonmaakster me al hoofdschuddend de deur uit bonjourde, nadat ik met het zweet op de rug de laatste laptop met aangepaste toets klaarzette voor de volgende dag.

Maar da’s drama uit de categorie ‘maak-je-niet-zo-druk-mensch’, dus ik genoot uiteindelijk van mijn uitgeroosterde vrijdag, om ‘s middags tot de ontdekking te komen dat ik maandag dan weer wel heul vroeg op school zou moeten zijn om weer iets anders af te maken, maar toen was er al een film gekeken, een boek gelezen, had ik urenlang poezen geaaid en vertederd naar huppelende konijnen in de achtertuin gekeken. Ik zuchtte er eens diep van en zette nog een kopje thee.

Het werd zaterdag en ik zat vol met wilde plannen. Het is nu zondag en ik weet niet eens meer wat ik gisteren deed; het kan nooit veel zijn geweest. Ohja. Dat beetje onkruid in de moestuin en dat ouwehoeren met de buurman. Het sateetje met jongste op de boterham. Dat nieuwe boek en die eerste paar bladzijden ervan. Twee takken ijzerhard in het blauwe vaasje. Vier e-mails en die allemaal naar dezelfde vriendin.

Ik lummel op mijn vrije dagen. Ik niks. Ik kijk naar de slingers van 12 juni en de kerstkaarten van 2013. In de hoek het op te ruimen archief van Windesheim. Ná 4 juli…dan zal ik me misschien weer eens ergens toe zetten…

...

Wolk

Of ik nog op mijn roze wolk zat, werd me vanmiddag gevraagd. Ik moest er even van schakelen. Wie, wat, waar, welke wolk? Jongste werd gisteren 18 en toen moest ik wel even denken aan die roze wolk van destijds. Maar dat bedoelde ze niet. Ze bedoelde die andere wolk, die van dinsdagavond, toen ik bericht kreeg over het einde van mijn studie.

Ik opende toen mijn Windesheim-mail, gedachteloos en lusteloos. Ik had ‘m immers al zo vaak geopend die dag en niet een keer stond er een nieuw berichtje in, laat staan een berichtje over mijn laatste onderzoek. En ergens was ik daar toch wel weer blij om, want zo’n berichtje kan ook minder positief uitpakken, natuurlijk.

Maar. Zo tegen achten had ik toch post. Iets met ‘meesterstuk beoordeeld’ en ‘6,8’ en ‘tweede beoordelaar’. Die ook al? Die ook al. ‘Het lijk erop dat ik klaar ben’, zei ik met ingehouden adem tegen de man. Hij schoof meteen mijn richting op. ‘Huh?’ deed hij verwonderd. Dus herhaalde ik mijn statement minstens negen keer. Ik sloot de mail. Opende ‘m weer. Sloot ‘m. Opende ‘m. Vond mezelf een beetje gek.

Ik stuurde berichten. Via What’s App, via sms, via Facebook en Gmail. Ik herhaalde in schrift wat ik eerder zo dommig voor me uit had gesproken. Er ging geen kurk los. Geen orkest ging spelen. Ik werd alleen heel stil en dat bleef ik tot diep in de nacht. De uurtjes die overbleven heb ik lekkerder dan ooit in de afgelopen acht jaar geslapen.

Maar. Die roze wolk dan nog. Of ik erop zit. En ik moet zeggen van niet. Ik ben vooral een beetje murw. Wel blij, maar met dat blije van iemand die een hele marathon liep, terwijl ze een halve had moeten doen, maar desondanks de finish gehaald heeft. Ik heb mijn ‘medaille’ ook nog niet binnen. IJs en weder dienende, onderteken ik mijn diploma op 4 juli aanstaande.

Ik denk dat ik die avond op het gemakje op die wolk kruip. En er dan een week of zes lekker languit op ga luieren…

Vanmiddag zat ik vooral in een leeg lokaal. Aan het achterstallig werk.

Vanmiddag zat ik vooral in een leeg lokaal. Aan het achterstallig werk.

Intussen op project Ten Dale

Neen. Het verlossende woord over mijn diplomering is nog niet gesproken. Sterker nog, gisteren wilde ‘zij van Windesheim’ mij inenen spreken over de staat van mijn laatste werkstuk. De meest onmogelijke minuten van mijn leven volgden, toen zij meldde ‘dat we dit toch zo niet afgesproken hadden’. Het bleek een kronkel in mijn onderzoek te zijn die met een kleine ingreep was hersteld. Nog een of twee keer ‘heen-en-weer’ en dan zijn de laatste studiepunten binnen. Als het goed is.

Neen. Het huis dat we willen hebben, is nog niet ‘binnen’. We gingen van ‘grote camping’ via ‘kleine camping’ ineens naar een luxe hotel, als we de huizen willen vergelijken met zaken in de recreatiebranche. Midden-Drenthe leek een snoepwinkel, waar we ons in één dag misselijk vraten. Het hotel bleef hangen in onze gedachten en met dit huis willen we heel graag verder. Als er aan een paar voorwaarden onzerzijds wordt voldaan. Het blijft ook hier wachten op een verlossend woord.

Intussen gaat het leven verder op project Ten Dale. Janosh pikt Mickeys brokjes in of omgekeerd. De vlaggetjes voor het dorpsfeest hangen aan de gevel. De decibellen zullen net als vorig jaar als donder rollen door de avond en de vroege nacht. Mini-appeltjes aan de boom. Jonge vogels op het dak. En ergens in de border bij de partytent kleurde de eerste aardbei van het seizoen van bitterwit naar zomerkoninkjesrood.

(Zo. En nu eerst een paar dagen op mijn gat liggen. Afwachten. En aardbei eten. Dat ook.)

...geen cherry, maar strawberry...nu die cake nog...

…geen cherry, maar strawberry…nu die cake nog…

Fret op speed

Het allerlaatste dossier van deze studie ligt nu alweer een aantal dagen in de mailbox van de begeleidende docent. Vijfenvijftig pagina’s vol met ‘leesvaardigheid’ versus ‘authentiek leren’. Iedere hoofdstuktitel is nèt iets groter dan de kopjes van de paragrafen. De pagina’s zijn genummerd, evenals de bijlages. Het lettertype, de regelafstand, inhoudsopgave, voorwoord en reflectie… You name it. Nu alleen nog hopen dat de inhoud spoort.

Collega M. (niet die ene, maar weer een andere) sprak me vandaag heel even aan. Of het goed ging. Ik schudde overtuigd van ‘nee’. Ik moet er vast heel sukkelig bij hebben gekeken. Maar ze dacht het al, dat het wat minder was. Gisteren al, toen ze me voorbij zag lopen. En ik lachte, schaapachtig, omdat dit hogelijk hilarisch is. Was ik niet immers altijd übercool?

‘Ik functioneer wel’, zei ik vandaag tegen M. (die ene, niet die andere), ‘het lóópt allemaal goed.’ Maar. Van binnen is het kermis. Terwijl ik in mijn hoofd de laatste loodjes van mijn leerlingen probeer te managen en hier en daar een puberbrandje blus, rent in mijn pens een fret op speed rond. In een hamsterwiel, waar hij regelmatig uitgedenderd komt, om dan met panisch gekrabbel er weer in te klimmen. Dat dáár dan nog een boterham bij past…

Aan de andere kant van de werkkamer had het woord ‘pens’ ineens een wonderbaarlijke uitwerking op collega M. (die ene, nog steeds). Iets met koeien, wellicht, en daardoor onbedaarlijk lachen. Ik lachte hysterisch maar een beetje mee, mentaal ‘Koest!’ roepend tegen de fret van binnen, en ‘Haast je!’ tegen de beoordelende docent van Windesheim. Omdat zij op dit moment toch de enige lijkt te zijn die mijn interne hamsterwiel kan laten stoppen…

...en hij...hij maakt zich nergens druk over, zolang zijn pensje maar gevuld is...

…en hij…hij maakt zich nergens druk over, zolang zijn pensje maar gevuld is…