Nog zeven weken…

Afgelopen vrijdag was ik al bezig met het versturen van e-mailtjes aan collega’s en ouders van leerlingen, maar morgen is het dan ècht voorbij. Geen gelummel in pyjamabroek en ‘onder een dekentje op de bank’, geen eindeloos graaien in bakjes met kerstkransjes en chocolaatjes. De koek is op.

Zoals gewoonlijk hebben we in de vakantie totaal niet gedaan wat we allemaal van plan waren. Virussen zaten in de weg, maar ook wekkers. Die gingen niet af, en zo verloren we meteen vier uur van iedere kostbare dag. Nee. Daar hebben we niet per se onder geleden. Zelfs de poezen waren na drie uitgeslapen dagen niet meer chagrijnig als we pas om een uur of 10 naar beneden kwamen. Het konijn had er meer moeite mee, maar zijn slechte humeur was met één rozijntje meestal wel weer genezen.

Ik ben benieuwd hoe de beesten er morgenochtend bij zitten. Of ze niet ineens heel verbijsterd en met lange tanden aan hun ochtendbakje zitten. Wie verzint het immers, om 6.00 uur weer uit bed! Ik weet dat ik dat zelf ook wel even zal bedenken, ook al heb ik best zin om iedereen weer te zien. Collega’s met sterke of minder sterke verhalen, leerlingen met meer of minder enthousiasme. Eindeloze praatjes en veel kopjes koffie, meteen in de eerste week al twee keer uit eten.

Na een week zijn de poezen en ik het allemaal wel weer gewend. Zes weken routine volgen, maar dan hebben we alweer vakantie. Het zou toch eigenlijk verboden moeten worden…

Een grotemensenbed

De man, hij is intussen de 50 voorbij. Ikzelf raas er in rap tempo henen. Toch brengt de uitspraak ‘act your age’ ons nog steeds in verwarring. Zou het komen doordat de jaren zo verschrikkelijk snel omgevlogen zijn, dat we nooit in de gaten hadden dat we bij een bepaalde leeftijd waren aangeland? Of hebben de opmerkingen van een vorige buurvrouw, ‘dat bij zo’n leeftijd toch ècht vitrage/haarkleuring/nette kleding hoorde’, toch meer invloed gehad dan we dachten?

Feit is, dat we er nog steeds niet achter zijn. Achter wat nou precies hoort. En feit is ook, dat we er inmiddels wel achter zijn dat we nou niet bepaald meegaand zijn, waar het om opinies, mode, of andere zaken over ‘hoe het heurt’ gaat. Dus dat we tot afgelopen woensdag nog steeds in ons studentenbedje sliepen, verbaast ons ook weer niet.

We kochten het ergens begin jaren negentig. Een heuse ‘boxspring’, zo stond op de website van Wehkamp, en inclusief matrassen en pootjes nog geen 500 gulden. Gulden. Ja. De matrasjes sliepen best, voor een jaar of tien, dus ergens in het begin van de euro-tijd kochten we er nieuwe matrassen bij. Het een, iets zachter, kostte 98 euro. Het andere, iets harder, 109. Of 110. Daar wil ik vanaf zijn.

Het bedje ging mee naar de Wendakker, ons eerste grotemensenhuis, met garage, vijver en een badkamer met bad. Niet dat het afgebouwd is in grotemensenstijl, maar je kunt ook te veel verwachten in te korte tijd. Het bedje paste precies onder het schuine dak, we timmerden ernaast een nep-Gorm tegen de muur, erboven een zelfgefabriekt hoofdbord van een restje van diezelfde kast. De gammele kledingkast van de vorige bewoner bleef er gezellig amechtig tegenover staan.

En toen liepen we dus die ene zaak in, weet u nog wel? Voor die sport-bh en dat bloesje. En we kwamen er buiten met de aankoopbon voor een echt grotemensenbed. 1000 euro korting, vooruit, het hoeft niet meteen om grotemensengeld te gaan, al bleef er ons inziens voldoende te betalen over. Het bed past ternauwernood onder het schuine dak. Als ik erop zit, komen mijn voeten net niet op de vloer. De nep-Gorm moet echt van de wand, willen we nog ademruimte hebben. De kledingkast met de nog half zwiepende klapdeuren wordt wijselijk vervangen door ‘iets van een Pax’.

We stappen er behoedzaam in ‘s avonds, of moeten we zeggen: we klimmen erop? Dan liggen we opgewonden te wachten tot de slaap ons vat. We aaien verliefd over de doorgestikte, zachte vierkantjes van het 25 cm dikke topmatras. Zuchtend staren we naar het plafond met de lamp ‘met een knoop in het snoer omdat je er anders je hoofd tegen stoot’. Ver onder ons reiken we naar de wekker op het geverfde IKEA-kastje. Het knijpspotje van de HEMA ligt onhandig op het statig grijze hoofbord.

Daar liggen we dan. In ons grotemensenbed. Als eiland in de rest van ons studentenspul. Ik denk dat we ons voorlopig dus nog geen zorgen hoeven maken.

Vrachtwaggel

Euh…zoon…ik denk dat de volgende upgrade van jouw bed dan weer niet in de Volvo past….

Het roer om

Het stond al een poos in dikke letters op ons planbord: ’11 februari – toneel!’ Ik wil het simpelweg niet missen. Heel vroeger ging ik weleens met mijn familie naar de Reilanders, een toneelgroep die nog steeds bestaat, zag ik onlangs, en ook nog steeds stukken opvoert. Lachen was dat, niet in de laatste plaats om de dorpelingen die je dagelijks toch in een ietwat andere rol ziet dan de rol die ze aangenomen hebben op het toneel.

Een aantal jaren geleden ging ik regelmatig naar het toneel in Drijber, een dorp een klein stukje hiervandaan. Ik heb geen idee of die toneelvereniging een naam had. Volgens mij niet. Ik zag daar een collega spelen, en dorpsbewoners die ik gewoonlijk nooit zag, maar in de loop van de jaren een beetje leerde kennen. Van gezicht dan wel. En die decors! Ik heb ze nooit zo mooi gezien als daar. En genieten deed ik ook van de traditionele verloting. De gekke prijzen. De spanning. De onversneden lol.

En nu alweer voor de derde keer op rij naar de toneeluitvoering van ‘De Echo’. Medekoorlid G. zei van tevoren dat ze naast ons wilde zitten. ‘Dan win ik misschien ook eens wat tijdens de verloting.’ Tsja. Op de een of andere manier kan ik steevast beter alvast een tas meenemen. Of minder lootjes kopen. Dat kan ook. Maar dat doe ik niet. Voor G. was de gevolgde strategie in ieder geval succesvol: net als de man en ik, ging ze met drie prijzen naar huis.

Nee. Het dorpstoneel is nooit een literair hoogstandje. En nee, dat moet ook niet. Van mij, tenminste. Van mij mag het precies zo blijven als het is. Zeker bij ‘De Echo’. Het is een bijzonder clubje, waarvan de samenstelling ieder jaar een beetje lijkt te wijzigen. Wat vaste namen, dan eens die, dan eens een ander. Maar net hoe het uitkomt, al zitten er toch verdacht veel leden van Gospelgroep Marturia bij. Zingen, spelen, dat talent kruipt overduidelijk waar het niet gaan kan. Zo ook gisteravond, tijdens een stuk over een internetondernemer die ‘het roer omgooit’ en dan natuurlijk in zeven en meer sloten terechtkomt, voor de goede afloop zich kenbaar maakt.

De man en ik, we liepen na afloop genietend naar huis. Zo blij dat we hier terecht zijn gekomen. Zo’n fijn dorp. Fijn ook, dat het intermezzo tijdens de toneelavond relatief goed is afgelopen. De brandweer zoefde op enig moment langs het gebouwtje waar gespeeld werd. Niet veel later sms’te jongste vanuit huis: ‘Er is brand in de straat. De politie staat op onze oprit.’ ‘Huh?’ deed de man en hij spoedde huiswaarts, twee straten verder, waar bleek dat in ons kleine hofje een carport aan de andere kant van het rijtje twee-onder-eenkappers in de hens stond. Gelukkig sloeg de brand niet over naar het huis, en de man was weer terug voor het tweede bedrijf begon.

Hij praatte er nog even over na, toen hij even buiten stond met wat mannen uit de buurt. ‘Oh, jullie wonen in het huis van de Heidemans?’ We moesten er hartelijk om lachen. Het zal nog wel even duren voor het werkelijk óns huis is, op de hoek van het hofje waar we nu bijna drie jaar wonen. Al hebben we er dertig jaar voor nodig. Voorlopig hoeven wij toch nergens anders meer heen.

Wat je allemaal wel niet kunt doen met (in) een bedstee...

Wat je allemaal wel niet kunt doen met (in) een bedstee…

Ontaarde ouders

Het was vrijdag. De week had weer vol gezeten met bruisende activiteit. Het was tijd voor bank, buis en patat van Daan. Ik draaide de Volvo het erf op en zag dat jongste, die vrij had, de konijntjes al buiten had gelaten. Fijn voor ze, want doordeweeks komen we altijd laat thuis en hoewel de beestjes een zeer riante binnenruimte hebben, inclusief twee nachthokken, vinden we het toch zielig als ze overdag maar een uurtje of twee uitgebreid in de modder kunnen rondhupsen. Ik zag overigens dat de waterflessen bijna leeg waren, maar dat regelde ik later wel.

Vlak nadat ik thuis kwam, reed de man zijn blubbertruck de oprit op. We zeiden hallo, we deden wat slijmerige echtgenoten doen als ze elkaar tien uur niet gezien hebben, en besloten patat te halen. We liepen richting de hoofdstraat en vroegen ons af of het druk zou worden, vandaag. We hadden nog geen lampionnetjes gezien en de bak met mini-reepjes was erg vol. Bij Daan zongen dan wel weer groepjes dik ingepakte kleuters over koeien met staarten en meisjes met rokjes. Dat kwam vast wel goed. Oh ja, en we moesten de konijntjes niet vergeten, straks.

En ik deed mijn bestelling en zag hem en haar van de schaapskudde in een dorpje verderop. Net toen we goed op gang waren met een analyse over de zaak Trump versus Clinton en Wilders, was hun bestelling klaar en niet veel later de onze. Huiswaarts. De kachel aan. Mayonaise. Curry. Het heerlijke genot van de vrijdagavond. Na een paar minuten kauwen dachten we niet eens meer aan de Verenigde Staten. En ook niet meer aan koeien met staarten. Want niemand kwam zingen over Sint Maarten. En niemand deed de deur die avond meer open.

Het was koud, vanmorgen. De rijp lag over de uitgebloeide hortensia’s en de oranje lampionnetjes naast de taxus. Ik zette koffie. Ik roosterde brood in oma Todors broodmachien (nog steeds niet kapot). Ik las Ons Eig’n Kraantien. En na twaalven vonden we het tijd om een boodschap te doen. ‘Doen we meteen de konijntjes buiten.’ Euh…dacht ik. ‘Ze zitten al buiten!’ riep ik tegen de man. Ik zocht naar een kapot slot, een paneel uit de binnenren dat stuk was gegaan. Een ander defect. Maar er was niks kapot. Het deurtje dat we zelf altijd keurig voor ze openzetten, stond keurig open. Willem zat stilletjes midden op een restje gras.

‘Euh…’ deed de man. Want nee. We hadden dat deurtje niet dichtgegaan, gisteren. Nee. We hadden ook geen brokjes gebracht. En ja, het hooi was inmiddels ook al op. En het restje water was bevroren. Daar stonden we dan, lichtelijk gebogen, de handen voor de mond. Dan rennend met brokjes. Vers hooi. En nog wat. En water. En veel lieve woordjes. Heel veel lieve woordjes. En het is maar goed dat konijntjes niet haatdragend zijn. Ik had mij toch eens goed in de vingers gebeten.

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Het is al snel weer vergeven en vergeten bij Stof en Willem

Magnifiek mooie muurbloem

Hij had een film gezien, kwam hij enthousiast vertellen. De film was dermate goed, dat hij ‘m wel op dvd wilde hebben. Maar ja. Bol.com leverde alleen een peperduur, tweedehands resultaat op. Dus. Wat nu te doen?

Ik ging naar Maastricht. In de boekhandel Dominicanen dwaalde ik een paar stieve kwartiertjes vertwijfeld rond. Ik zag ‘The Nix’ en die leek me ontzettend leuk, maar het boek woog minstens twee kilo en aangezien ik immer lichtgewicht reis… Ik zag ook ‘The Girls’ van Emma Cline en die paste nog net wel in mijn tas. En toen zag ik ‘The Perks.. ‘ En ik dacht: het is dan wel geen dvd, maar…

Ik kwam weer terug van mijn monstercultuurtrip en overhandigde jongste het gevonden cadeau. ‘Nu slaap ik dus niet,’ zei hij en ik wist dat dit uit de mond van een doorsnee jongere een grapje zou zijn. Het werd tijd om de film dus ook eens te zien. En ik zag ‘m, op de vrijdagochtend, via Netflix, en halverwege het verhaal was de Kleenex-box bijna leeg.

Tegen het eind van de middag kwam de Perks-fan zijn bed uit. De nacht was doorwaakt geweest, maar het boek was uit. Hij wilde de film nóg een keer zien, na het lezen van het verhaal. De man en ik keken mee. Gelukkig stonden de restjes Kleenex nog steeds in de buurt. Alweer die jongen van 16 die zijn eerste jaar high school moet zien te overleven. Die zich afvraagt waarom mensen doen wat ze doen. Waarom hij voelt wat hij voelt. Waarom de wereld zo is als ze is. Waarom mensen de mindere liefde kiezen die ze menen te verdienen.

Op momenten waarop de hoofdpersoon zich verslikte in zijn sociale onhandigheid, bijna verzoop in zijn verdriet, gefrustreerd raakte door de onmacht iets te maken van zijn getroubleerde verleden, wilde ik wel door het scherm kruipen om mijn armen om hem heen te slaan. Gewoon, even stilstaan. Heel zachtjes, maar dwingend fluisteren dat het echt, écht, ècht wel goed komt. Ook met hem.

Maar dat kon ik niet. Ik kan dat niet. En dat geeft ook niet, want aan het eind komt alles, ook zonder mijn bemoeienis wel goed. En intussen las ik op aanraden van jongste óók het boek. En kijk ik binnenkort vast nóg een keer de film. En mocht-ie van Netflix verdwijnen, dan surf ik snel naar Amazon, waar-ie, zo blijkt, voor 3 dollar al te halen is. Koopje, voor zo veel geweldigs. Dan kan er best nog een extra doosje Kleenex vanaf.

Must read!

Must read!

Zesling in de achtertuin

Een poosje geleden waren we de vissen kwijt. In de vijvers achter het huis zwommen vijf goudvissen. Niet allemaal ‘goud’, trouwens. Er waren drie oranje vissen, één gele en één zwarte. Het duurde een paar weken voordat vier van de vijf vissen weer aan de oppervlakte kwamen.

Het vijfde dier is nooit meer opgedoken en niemand weet waarom. Heeft Janosh ‘m door het gaas opgevisd en met smaak opgegeten? Heeft een reiger het aangedurfd om in de wirwar van gaas en planten toch een visje te stelen? Had een toevallige voorbijganger radarogen en behoefte aan een leuk cadeautje voor een jarig neefje?

We weten niet waarom er nog maar vier vissen waren en dat zullen we, vermoed ik, nooit weten ook. We genoten afgelopen zomer van de overgebleven exemplaren, zagen de zwarte vis een beetje van kleur verschieten, de gele steeds wat dikker worden, het oranje duo glansde onder het spiegelend wateroppervlak.

Ik wierp dagelijks een handje korrels in het water en genoot van het enthousiasme waarmee ons viertal zich op de maaltijd wierp. Als er vier vissen aten, leek het soms of er wel tien waren, zo golfde en rimpelde het water. De groene kikker keek minzaam vanaf het nieuwe zuurstofplantje toe.

Maar hé, wat bewoog daar onder dat plantje? Een worm? Een takje? Twee takjes? Nee! Het waren kleine visjes! Twee! Nee, drie! Nee! Zes! De visjes groeiden en groeiden. Als ik de groten nu voer, nemen zij een paar bescheiden hapjes en dan trekken ze zich een beetje terug om de kleintjes een kans te geven. Als trotse ouders hangen ze tegenwoordig aan de rand en lijken te roepen: “Kijk eens hoe mooi, dat kroost!”

De man echter, had een glimlach op het gelaat die allengs minder werd. Een vis minder, dat was droevig, maar zes vissen méér, dat is ineens toch ook wel veel! Is daar wel plaats voor en als dat niet zo is, wat dan? Ik keek naar de twee kleine vijvers, die vernuftig met een stukje buis aan elkaar verbonden zijn. “Het zal wel gaan,” zei ik. En ik zag iets bewegen in mijn ooghoek. Tussen de lisdodden en de irissen. We hebben niet één kikker.

We hebben er twéé!

Hoeveel baby's zouden er nog in passen?

Hoeveel baby’s zouden er nog in passen?

Als de vissen missen

Ons eeuwige vakantiehuis aan de Wendakker had alles wat wij maar konden wensen aan een huis. Ja, ik weet het, daar heb ik al bijzonder vaak van verhaald. Edoch. Alles, dus. En meer. Naast het huis stond (en staat) bijvoorbeeld niet alleen een fietsenschuurtje, maar ook een kippenhok. Erin: een kartonnen doos met stro, die de slaapplaats van een zwervende egel vormde. Kippen: geen. En dat was best. Misschien later.

Achter het huis lag een onmisbaar element van het hedendaags tuinreservaat: een vijver! Omgaasd met dikke, groene, plastic draden en stokjes, schier overwoekerd door gele lissen en uit de kluiten gewassen varens. Erin: vijf vissen. De man en ik zuchtten. Een beetje. Die vijver zou moeten wijken. Er is maar zoveel méér dat een mens kan hebben, ten slotte.

‘Je kunt ze best ergens in een andere vijver in de buurt gooien,’ sprak de dochter van de vorige bewoner van ons pand, terwijl ze op onze verse verzameling vinnen en schubben wees. De man en ik knikten. Dat zouden we misschien dan wel doen. ‘Merkt niemand wat van’, besloot de dochter tevreden met haar kwiek advies, en we maakten nog een rondje langs ramen, deuren, ‘misschien-wel-lekke’ vaatwasmachine en de kat die we toch echt zouden houden.

En toen zaten we dus in dat huis. In de vijver pruttelde de bejaarde vijverpomp en, warempel, zat daar geen kikker? We keken, op onze knieën, naar het zonnende, felgroene dier, naar die ene feloranje met zwarte goudvis, die grote gele, en die drie kleine, zwarte exemplaren. Het werd stil. Het werd later. Het werd oktober. November. Weer voorjaar. Twee van de drie zwarte vissen werden oranje, de gele steeds witter, had de man wel gezien dat die andere grote steeds minder zwarte vlekken had? We zuchtten. Alweer. Maar toch anders.

Twee weken geleden waren de vissen verdwenen. Het voer dreef in cirkels op het wateroppervlak. De rand, waarin vooral de zwarte vis graag lag te zonnen, bleef leeg. ‘Is er een reiger geweest?’ vroeg de man. ‘Zou iemand met een netje naar achter zijn gelopen?’ vroeg ik zelf, maar de antwoorden op onze vragen bleven uit. De katten kunnen er niet bij. Vossen IN het dorp? Die vissen eten? Zij aan zij volgden we iedere rimpeling (‘Alweer een schaatsenrijder!’) en staarden minutenlang diep in de groene soep die onze vijver in dit jaargetijde blijkbaar altijd is.

We lachten wat en fantaseerden over een nieuw soort zitkuil. Een rotstuin, misschien. En toen werden we weer stil. Heel stil. In gedachten verzonken over drie oranje vissen, één zwart en één witgeel exemplaar. Die vandaag ineens weer, alsof ze terug van vakantie waren, relaxed in de zuurstofplanten hingen. De Benidorm Bastards. Misschien moesten ze voor straf maar alsnog naar een andere vijver. Een kleintje. Een heel eind verderop.

Ja, daar zijn ze weer!

Ja, daar zijn ze weer!