Die dame die naar Zweden ging…

Alles was gepland en uitgestippeld: Odense, Götheborg, Stockholm, Malmö en dan weer naar huis. Hotels besproken, de reglementen van een Global Interrailpas nog eens goed doorgelezen, en toen…toen begon het twijfelen. Alles lag nu al vast. Was dat nu wel leuk? En ik kon natuurlijk óók naar Frankrijk, of naar Engeland, of verder nog en zien hoe vriendin Mara woont…

Ik verzon allerlei verhalen in mijn hoofd, maar er was maar één verhaal echt waar: ik wilde eigenlijk alleen maar naar Denemarken. Op de allereerste dag van onze gezamenlijke vakantie reden de man en ik de grens na Flensburg over en zoals alle keren daarvóór, begon er iets te zwellen in mij. Een totale overweldiging. Iets wat vanaf het allereerste bezoek in 2003, precies op die plek gebeurt en blijkbaar niet overgaat.

Toen we weer terug waren in Drenthe, twee weken voor het Interrail-avontuur dat ik in mijn eentje zou beleven, klikte ik langs al mijn reserveringen in Zweden. Alles was te annuleren, en dat was precies wat ik deed. Over Odense twijfelde ik nog even. Het was immers wèl Denemarken. Toch, om een heel nieuwe start te genereren, wiste ik ook die reservering in mijn account.

Op 13 augustus vetrok ik. Geen idee waar ik uit zou komen. Na een nachtje in Hamburg, zou het in ieder geval Denemarken worden. En Denemarken. En Denemarken. En nogmaals…. En dat werd het. Ik zag Aarhus, Frederikshavn, Skagen, Bangsbo, Esbjerg…en zoveel stationnetjes daartussen die me ook nog wel wat leken.

Ik bezocht negen musea, vier kerken, twee botanische tuinen en wat losse bezienswaardigheden die eerder aan mij leken voorbij te trekken dan omgekeerd. Medekoorlid J. meldde op Facebook, waar ik mijn foto’s plaatste, dat ik nu in ieder geval niet kon beweren dat ik niets gezien had en daar heeft hij gelijk in. Ik heb Denemarken, voor zover ik het in tien dagen bestrijken kon, opgezogen, ingeademd, tot me genomen. Ik heb geluisterd, gekeken, gesproken, genoten.

En ik vrees, met niet zo’n grote vreze, dat de volgende bestemming weer niet zo’n grote verrassing zal zijn.

Een tuttencompetitie

Zoals in elke vakantie weleens gebeurt, ook al kom ik om in studiewerk, was ik ook nu even aan ‘opruimen’ toe. Dit keer moesten de stoffige boekenkasten boven en beneden eraan geloven. Elk boek werd afgestoft en verplaatst, en zo hier en daar viel er tijdens het onvermijdelijke bladeren een kassabon, een bladwijzer of een kaartje uit.

‘Die is van A.!’ riep ik verheugd bij het zien van de zwetende, corpulente heer met bloemenhoed. En nee, ik had de afzender nog niet gezien, maar het onderwerp was helder. En ooit, in de tijd dat vakantie vieren ook betekende dat je kaartjes stuurde, probeerden vriend A. en ik voor elkaar de meest tuttige kaartjes uit te zoeken.

Ooit vond ik in Barcelona al eens een flamencodanseres met écht stoffen jurkje op de kaart geplakt en in Haugesund scoorde ik een knullige Viking met hangsnor in een overigens alleraardigst christelijk boekwinkeltje. Van A. ontving ik dus in ieder geval het kaartje met het bloemetjeshoedje uit Italië, en volgens mij zijn er ook al eens zoete, jonge poesjes door de brievenbus gegleden.

Ik heb geen idee of er meer kaarten gestuurd zijn. Het zal me niets verbazen als ik er over een poosje weer ergens eentje uit een oude stapel boeken trek. Ik weet in ieder geval wel dat we al een hele poos geen kaarten meer sturen aan elkaar. De noodzaak ontbreekt, want met Facebook heb je altijd alle prachtige beelden van elkaar, en van vakanties in de bus.

Maar toch. Ik herinner me het zoeken. Het voelen van de triomf, als ik er eentje vond die werkelijk niet tuttiger kon. En ik herinner me het ontvangen. De verrassing. En het genieten van de voorstelling op de gestuurde kaart, want natuurlijk deed ik dat wel.

Ik denk aan de reisbestemmingen dit jaar. Aan Canada, Denemarken, Zweden en Ameland. Zou het me toch nog een keertje lukken om de absolute tuttenkoningin te zijn?

Het giet vanzelf wel over

‘Het giet vanzelf wel over.’ Ik geloof dat het zoiets was, wat ik afgelopen week tegen de huisarts en de fysio zei, toen men vroeg hoe ik gewoonlijk tegen de wereld aankeek. Of ja, de wereld, het kan ook over het gedonder in mijn gewrichten gegaan zijn.

Niet dat het gedonder in die gewrichten altijd vanzelf wel overgiet. Op het moment loopt de linker knieschijf niet helemaal in het spoor, door een mysterieuze verslapping van een spier met een ingewikkelde naam en een prachtige functie: dat spoor houden.

We verschilden wat van mening, huisarts en ik. Ik dacht dat ik iets te veel gedaan had. Hij dacht van juist te weinig, waarop ik heel moeilijk ging kijken. De fysio haalde de angel uit het conflict door te melden welke oefeningen er nu zouden helpen, en dan zou hardlopen zelfs ook weer kunnen.

Oké.

Maar daar wilde ik helemaal niet over schrijven. Ik wilde over een heel andere blessure schrijven, die ik in februari 2017 ergens in een machtig sneeuwgebied in Noorwegen opliep. Chef had gezegd dat ik, als ik de kans kreeg, moest gaan sleeën. Vriendin Mara wilde dat ook wel doen.

Ergo. Mara en ik gingen sleeën. En er gebeurde iets met mijn vinger waardoor ik die niet fatsoenlijk meer kon gebruiken. Iets waarover ik uiteraard behoorlijk gemopperd heb tegen Chef, want het was háár idee. Waarop zij me, tot op de dag van vandaag, wanneer het maar uitkomt, fijntjes inwrijft dat ik het gewoon niet goed deed, dat sleeën.

Enfin. Dik gekneusd was de vinger, en ik hing de gitaar en de lessen die ik volgde in de wilgen. Pardon. De gitaar ging aan de muur. Want wie weet. Overal kan men lezen, immers, dat zo’n vingerkneuzing over gaat. Al kan het erg lang duren. Op een dag merk je ineens dat je er alles weer mee kunt.

Die dag was vandaag. En de gitaar ging van de muur. De snaren werden gestemd. Het beginnersboek ging voor de zekerheid weer open.

En ik speelde.

En het ging.

Zie.

Heb ik soms toch gelijk.

Good times!

Een koud kunstje Kopenhagen

Een aantal maanden geleden bedacht ik dat het een goed plan zou zijn om de studiestress en overige beslommeringen een paar dagen achter me te laten en een tripje te plannen naar een aardige stad in een land hier dichtbij. Het werd Kopenhagen. En de man wilde mee.

De week voor we vertrokken, was de Russische Beer volop in het nieuws. ‘Aanstellerij’, dachten de man en ik. Bij de KNMI is het al code paars als de krokussen zachtjes wiegen in de voorjaarswind. Edoch. Van meerdere kanten kwamen berichten over gevoelstemperaturen die onder de -20 zouden duiken. Chef sprak tegen de laatste werkdag slechts nog zachtjes over ‘fijn sleeën’ in Oostenrijk en adjunct R. sprak op steeds hogere toon over -30 op de plek waar hij met de camper zou gaan kamperen.

‘Ik wil de lange onderbroek mee.’ sprak uiteindelijk de man. ‘En een extra flanellen hemd.’ Ik pakte hemdjes en hemden, mutsen en dassen, handschoenen (alleen voor mijzelf, want de man dacht het met zijn lange onderbroek wel te redden) en in de tas voor onderweg ging extra proviand mee. Voor als we onverhoopt nog ergens zouden stranden.

In de hotelkamer bij aankomst in hartje Kopenhagen was het 25 graden bóven nul. Het raam ging open, de verwarming omlaag en wij deden nog een rondje om wat bij elkaar te scharrelen voor het avondmaal. Verder dan een obscuur winkeltje met het een en ander aan vage waarschuwingen op de deur kwamen we niet. Bevroren wimpers en tenen. We kochten het laatste witbrood, een potje jam van de Gammle Fabrik en een bakje humus. Intussen was het in onze hotelkamer ‘gewoon’ lekker warm geworden. Tijd voor diner.

De volgende ochtend liepen we eerst alle trappen in het hotel op, om te genieten van het uitzicht vanaf de 12e verdieping. De ruiten bewogen wat. De stoep onder ons was akelig ver weg en leek knetterhard. De lucht daarentegen, was betoverend blauw. Met buienradar uit leek het heftig lente.

We ontbeten met rugbrød, Nutella en grote bekers koffie. Zakenmannen om ons heen maakten zich gereed voor het eerstvolgend congres of de eerstvolgende date. De man en ik droomden over frisse, lange wandelingen langs kades en door steegjes, langs bezienswaardigheden en dan ergens aan het eind van de dag een restaurantje.

We zetten twee stappen buiten. Zetten de capuchons omhoog. Trokken mutsen omlaag. Handschoenen gingen aan. Bij het eerste museum doken we naar binnen. We trokken vervolgens van expositie naar tentoonstelling, in een aardige variant op van kroegie naar kroegie. Volgende keer maar eens kiek’n hoe Kopenhagen van buiten is.

Cheek to cheek op Ameland

De weersvooruitzichten waren niet best, voor dit weekend. In de rugzak ging dus naast een stapeltje bladmuziek een regenjas mee. En een extra dikke trui. En een boek. Voor als er een moment zou zijn waarop er even niets zou zijn. Of niemand.

Op de boot zag ik S. al, die ik eerder tijdens een repetitie diep in Friesland trof. Zijn witte kuif stak herkenbaar overal bovenuit. Ik zwaaide, maar bleef nog even op mijn eigen stek om de werkweek te laten verwaaien. Vlak voor de boot bij Nes aanmeerde, schudde ik S. de hand en probeerde de namen te onthouden van alle dames die bij hem zaten. Het lukte toen nog niet.

We stapten in een taxi-busje en reden naar kampeerboerderij Blierherne, waar het hele weekend gezongen zou worden, onder begeleiding van dirigent Hans Kaldeway. Ik kende de beste man totaal niet, maar aan het eind van het weekend overlaadde ik hem met zoveel lovende woorden dat ik zelf ineens bedacht dat het wel leek of ik iets speciaals van hem wilde. Gelukkig bleken meer zangers erg enthousiast over hem en verbleekte mijn adoratie daardoor weer naar een sociaal acceptabel niveau.

Maar dat wist ik dus allemaal nog niet bij aankomst. Ik wist alleen dat ik zou zingen. Ik wist dat ‘Cheek to cheek’ een retemoelijk liedje was. En verder zou ik alles wel zien. Bij de ingang van het pand ontwikkelde zich een grote kluwen van zangers en zangeressen, die elkaar al zoenend en gillend om de hals vlogen. Organisator D. bezag mijn ietwat verbouwereerde gezicht en sprak de bezwerende woorden: ‘Dat doe jij ook aan het eind van dit weekend.’ En ik denk dat ik iets geantwoord heb van ‘hmhm’, want meer kon ik er toen niet over zeggen.

Ik gooide mijn rugzak op een stapelbed en zocht een eerste groepje op. Ik kwam in mijn eentje en ik had bedacht dat ik simpelweg iedereen een keer wilde spreken. Een interessante stoelen- en tafeldans zorgde ervoor dat ik dat doel ruimschoots behaalde. Meer dan eens hoorde ik: ‘Wat moedig dat je toch alleen bent gekomen.’, en steeds dacht ik dat dat misschien zo was, maar ik heb geen moment bedacht dat ik het niet had moeten doen. ‘Je moet het wel heel bont maken, wil je het in deze groep niet redden’, zei iemand tegen me. Het bleek dat er ooit wel iemand zijn uiterste best had gedaan, maar dat leek me best een heel werk.

Het was een warm bad dat 48 uren duurde. Met iedere ontmoeting groeide het aantal mooie verhalen. Met iedere workshop steeg de temperatuur een aantal graden, al kon dat misschien toch ook aan dat vermaledijde nummer van Irving Berlin liggen. Ik bedacht hoe heerlijk ik het toch vond dat er iedere seconde, op iedere meter, wel iets klonk van een lied. Hoe fijn het is als pauzes tussen repetities voorzien zijn van koek en thee, en tegelijkertijd niet al te lang duren.

Ik heb genoten van halve liedjes en hele refreinen, van spontane, vocale jamsessies en wandelingen door bos en langs zee. Steeds ergens anders aan tafel tijdens de heerlijke maaltijden, verzorgd door The Blendets (of Blendettes?), een viertal dames dat de scepter zwaaide over de keuken en ons schandelijk verwende.

Het was niet anders dan een feestje om te leren van dirigent Hans, die ik niet zómaar bewierookte. Met kleine, haast achteloos lijkende oefeningetjes en energieke gebaren bracht hij ons tot resultaten die ikzelf in ieder geval nooit had bedacht. Na het optreden van zondagmiddag zei een toeschouwer dat hij niet wist wat hij mooier vond: luisteren naar het koor of kijken naar de dirigent. En ik snapte dat.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er is gemakkelijk een boekwerkje te vullen met verhalen en emoties, ontstaan tijdens een weekend samen zingen in een fijne kampeerboerderij op het mooie Ameland. Het doet blijkbaar ook gekke dingen met je, merkte ik toen ik na afloop met de rugzak op naar de veerdam liep. Al dromend, over dat rondje zoenen en cheek to cheek beloven dat we elkaar ooit weer zouden zien, stond ik blijkbaar iets te lang stil op een kruispunt. Een politiewagen stopte naast me en een agent vroeg me of het echt wel ging. Tegelijkertijd reed zangeres W. op het fietspad naast oom agent, wat volgens mij ook niet helemaal de bedoeling was.

De boot die ik zou nemen had een technisch defect. Het verblijf moest nog een half uur langer duren. Het weer werd met de minuut slechter. De hemel huilde tranen met dikke tuiten ten afscheid. Het had geen passender weer kunnen zijn.

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd...

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd…

Ik ga op reis. Oh. Nee. Of toch.

Hoe het met me ging, vroeg coach M. me vanmiddag, tijdens het eerste begeleidingsgesprek van de master Educational Needs. Ik zei ‘goed’, waarna ik heel diep zuchtte en zij glimlachte, en lichtjes, maar onmiskenbaar achteroverleunde. Wat kan er in twee maanden een heleboel gebeuren. Ik startte met een studie en ik dacht, misschien naïef, dat dat toch gewoon een kwestie was van oppikken en doen.

Het bleek eerder een duik in het diepe, in dik en troebel water. Een reis door een schier ondoordringbaar woud vol interessante stof waar je wel even over door kon bomen. In het digitale struikgewas ruiste er om iedere hoek een nieuwe uitdaging, en die uitdaging vond ik niet alleen op die éne hoek terug, maar ook op een andere, en nog een andere, en dan steeds net iets anders omschreven. Mappen en mapjes vol kekke presentaties en zogenaamde silverpoints, links naar seminars, vakoverstijgende modules, en roosters, planningen, lesvoorbereidingen, en…euh…volgt u het nog?

Ik ook niet. Het feit dat in mijn elektronische leeromgeving ook nog allerlei vakken en mapjes van vorige studies op deze hogeschool lagen te fermenteren, maakte het er niet beter op. Maar. ‘Het hoort erbij’, sprak coach M. ‘Het maakt deel uit van de dirty business of learning.’ Inmiddels heb ik mijn weg wel gevonden, maar het was aanvankelijk een beetje alsof ik tussen al het losse zand zelf maar een emmertje en schepje moest vinden. En het water, om van dat losse zand mijn eigen kasteel te bouwen. Niet per se aan zee.

Toch geniet ik ervan, met volle teugen. Van iedere keer dat we met de studiegroep bij elkaar komen in Zwolle. Van de nieuwe boeken die ik bestel. Van al die interessante artikelen die ik lees. Ik geniet ook enorm van de gesprekken met Chef, die nog meer van betekenis worden nu ze ook nog eens mijn werkplekbegeleider voor de studie is.

Ze stond, en staat, vierkant achter mijn plan om op reis te gaan voor mijn studie. Naar Denemarken, Canada, New York, of waar ook heen. Die week konden ze mij wel missen. (Of zouden ze er op de school diep in Drenthe meteen een rustweek van maken, zo zonder mij?) Toch ging ook die procedure niet zonder slag of stoot. De eerste keer dat ik me in wilde schrijven, crashte het systeem. De tweede keer dat ik het probeerde, leek het te lukken en Chef maakte glunderend een foto van het bevestigingsbericht. Helaas bleek er een enorm datalek geweest te zijn en moest alles weer opnieuw.

Ik zou op reis. En toen weer niet. En toen weer wel. En toch weer niet. En nu, na een derde inschrijvingspoging, lijk ik echt te gaan. Niet naar Denemarken. Niet naar Zwolle. En nee, niet naar New York. IJs en weder dienende, Deo Volente en wat dies meer zij…ben ik eind mei 2018 een hele week in Canada. Ik heb gelukkig dus nog even tijd om er ook werkelijk in te gaan geloven.

Denemarken

(Naar Denemarken moeten we dan maar weer ‘gewoon’ op vakantie.)

Een Fries avontuur op de vrijdagavond

Een paar jaar geleden trapte ik er ook al eens in: een avontuurtje waarvan ik de gevolgen niet kon overzien. Ergens op Facebook stond een aankondiging voor een zangweekend op Terschelling. Omdat ik nèt verhuisd was en nèt was afgestudeerd aan de lerarenopleiding, dacht ik dat ik àlles wel kon en ik schreef me ervoor in.

Met bibberende knieën stapte ik de boot op naar Terschelling, waar mensen waren die ècht konden zingen en dat ook nét iets vaker deden dan ik. Gek genoeg ging het af en toe zelfs goed en de verbijstering, die eerst grondde in de zekerheid dat ik weer eens te ver was gegaan, sloeg halverwege het weekend om in de overtuiging dat het goed is om af en toe eens iets nieuws te proberen. Met een voldane grijns stapte ik op zondag weer op het vasteland.

En ja. Dat zingen moest door. Want ik had er wel enorme lol in. Iedere dinsdag zing ik nog steeds bij ‘God zegene de greep’. Zo noemt de man ons, al gebruiken wij zelf meestal onze echte naam: Gospelgroep Marturia. Naast de gezellige avondjes op de dinsdag verlustig ik me ook regelmatig aan zangworkshops op Buitenkunst. Van smartlappen tot barokpareltjes, van rock tot close harmony. Van overmoed via mislukking naar een tevreden stukje geneurie. En alles, zo’n beetje alles, daartussen.

En nu dus: Ameland Acappella. Net als bij ‘Terschelling’ ontdekt via Facebook en vooruit: laten we eens gek doen. Een weekend op een eiland, dat in ieder seizoen immers op zichzelf al een cadeautje is, en dan ook nog eens zingen, wat als activiteit op zich al een cadeautje….u begrijpt het. Er kwam een lijst met liedjes. Er kwamen papieren om te downloaden, en midi-files om te oefenen. Oh. Oefenen. En repeteren. Of ik dat dan ook wel wilde doen. Gisteren, in Friesland dus. En daar gingen toch weer wat bibberende knieën, vanwege de toch wel lastige nummers, al kon het ook aan de haperende navigatie liggen, want zie ergens in het donker maar ergens op het Friese platteland de plek te vinden waar je moet zijn. Ik ging uiteindelijk maar op de muziek af.

En daar zat ik dan. Middenin een groep zangers die elkaar al jaren leken te kennen. Er stonden kekke standaards met kekke iPads, maar gelukkig waren er ook partituren met markeerstift en pen beschreven. En met vouwen en kreukels, zoals die van mij. We zongen, en verrek, tussen een aantal ontieglijk overtuigend valse noten, ging het af en toe best goed. Het was bovenal meteen gezellig, omdat muziek volgens het cliché ook nu weer verbond.

Over vijf weken gaat de boot naar Ameland. Als de repetitieavond van gisteren een aanwijzing is voor hoe het dan zal gaan, kan het nu al niet meer stuk. Behalve mijn bladmuziek, wellicht. Die is tegen die tijd versleten van het omslaan. Gelukkig kan ik ze nog wel een keer printen.

Oefenen