Ik ga op reis. Oh. Nee. Of toch.

Hoe het met me ging, vroeg coach M. me vanmiddag, tijdens het eerste begeleidingsgesprek van de master Educational Needs. Ik zei ‘goed’, waarna ik heel diep zuchtte en zij glimlachte, en lichtjes, maar onmiskenbaar achteroverleunde. Wat kan er in twee maanden een heleboel gebeuren. Ik startte met een studie en ik dacht, misschien naïef, dat dat toch gewoon een kwestie was van oppikken en doen.

Het bleek eerder een duik in het diepe, in dik en troebel water. Een reis door een schier ondoordringbaar woud vol interessante stof waar je wel even over door kon bomen. In het digitale struikgewas ruiste er om iedere hoek een nieuwe uitdaging, en die uitdaging vond ik niet alleen op die éne hoek terug, maar ook op een andere, en nog een andere, en dan steeds net iets anders omschreven. Mappen en mapjes vol kekke presentaties en zogenaamde silverpoints, links naar seminars, vakoverstijgende modules, en roosters, planningen, lesvoorbereidingen, en…euh…volgt u het nog?

Ik ook niet. Het feit dat in mijn elektronische leeromgeving ook nog allerlei vakken en mapjes van vorige studies op deze hogeschool lagen te fermenteren, maakte het er niet beter op. Maar. ‘Het hoort erbij’, sprak coach M. ‘Het maakt deel uit van de dirty business of learning.’ Inmiddels heb ik mijn weg wel gevonden, maar het was aanvankelijk een beetje alsof ik tussen al het losse zand zelf maar een emmertje en schepje moest vinden. En het water, om van dat losse zand mijn eigen kasteel te bouwen. Niet per se aan zee.

Toch geniet ik ervan, met volle teugen. Van iedere keer dat we met de studiegroep bij elkaar komen in Zwolle. Van de nieuwe boeken die ik bestel. Van al die interessante artikelen die ik lees. Ik geniet ook enorm van de gesprekken met Chef, die nog meer van betekenis worden nu ze ook nog eens mijn werkplekbegeleider voor de studie is.

Ze stond, en staat, vierkant achter mijn plan om op reis te gaan voor mijn studie. Naar Denemarken, Canada, New York, of waar ook heen. Die week konden ze mij wel missen. (Of zouden ze er op de school diep in Drenthe meteen een rustweek van maken, zo zonder mij?) Toch ging ook die procedure niet zonder slag of stoot. De eerste keer dat ik me in wilde schrijven, crashte het systeem. De tweede keer dat ik het probeerde, leek het te lukken en Chef maakte glunderend een foto van het bevestigingsbericht. Helaas bleek er een enorm datalek geweest te zijn en moest alles weer opnieuw.

Ik zou op reis. En toen weer niet. En toen weer wel. En toch weer niet. En nu, na een derde inschrijvingspoging, lijk ik echt te gaan. Niet naar Denemarken. Niet naar Zwolle. En nee, niet naar New York. IJs en weder dienende, Deo Volente en wat dies meer zij…ben ik eind mei 2018 een hele week in Canada. Ik heb gelukkig dus nog even tijd om er ook werkelijk in te gaan geloven.

Denemarken

(Naar Denemarken moeten we dan maar weer ‘gewoon’ op vakantie.)

Een Fries avontuur op de vrijdagavond

Een paar jaar geleden trapte ik er ook al eens in: een avontuurtje waarvan ik de gevolgen niet kon overzien. Ergens op Facebook stond een aankondiging voor een zangweekend op Terschelling. Omdat ik nèt verhuisd was en nèt was afgestudeerd aan de lerarenopleiding, dacht ik dat ik àlles wel kon en ik schreef me ervoor in.

Met bibberende knieën stapte ik de boot op naar Terschelling, waar mensen waren die ècht konden zingen en dat ook nét iets vaker deden dan ik. Gek genoeg ging het af en toe zelfs goed en de verbijstering, die eerst grondde in de zekerheid dat ik weer eens te ver was gegaan, sloeg halverwege het weekend om in de overtuiging dat het goed is om af en toe eens iets nieuws te proberen. Met een voldane grijns stapte ik op zondag weer op het vasteland.

En ja. Dat zingen moest door. Want ik had er wel enorme lol in. Iedere dinsdag zing ik nog steeds bij ‘God zegene de greep’. Zo noemt de man ons, al gebruiken wij zelf meestal onze echte naam: Gospelgroep Marturia. Naast de gezellige avondjes op de dinsdag verlustig ik me ook regelmatig aan zangworkshops op Buitenkunst. Van smartlappen tot barokpareltjes, van rock tot close harmony. Van overmoed via mislukking naar een tevreden stukje geneurie. En alles, zo’n beetje alles, daartussen.

En nu dus: Ameland Acappella. Net als bij ‘Terschelling’ ontdekt via Facebook en vooruit: laten we eens gek doen. Een weekend op een eiland, dat in ieder seizoen immers op zichzelf al een cadeautje is, en dan ook nog eens zingen, wat als activiteit op zich al een cadeautje….u begrijpt het. Er kwam een lijst met liedjes. Er kwamen papieren om te downloaden, en midi-files om te oefenen. Oh. Oefenen. En repeteren. Of ik dat dan ook wel wilde doen. Gisteren, in Friesland dus. En daar gingen toch weer wat bibberende knieën, vanwege de toch wel lastige nummers, al kon het ook aan de haperende navigatie liggen, want zie ergens in het donker maar ergens op het Friese platteland de plek te vinden waar je moet zijn. Ik ging uiteindelijk maar op de muziek af.

En daar zat ik dan. Middenin een groep zangers die elkaar al jaren leken te kennen. Er stonden kekke standaards met kekke iPads, maar gelukkig waren er ook partituren met markeerstift en pen beschreven. En met vouwen en kreukels, zoals die van mij. We zongen, en verrek, tussen een aantal ontieglijk overtuigend valse noten, ging het af en toe best goed. Het was bovenal meteen gezellig, omdat muziek volgens het cliché ook nu weer verbond.

Over vijf weken gaat de boot naar Ameland. Als de repetitieavond van gisteren een aanwijzing is voor hoe het dan zal gaan, kan het nu al niet meer stuk. Behalve mijn bladmuziek, wellicht. Die is tegen die tijd versleten van het omslaan. Gelukkig kan ik ze nog wel een keer printen.

Oefenen

Van Canada via Denemarken naar Zwolle

Het kiezen van een Master op het gebied van ‘Educational Needs’ is nog een best gedoe. Wil je gedragsspecialist worden, of vind je innoveren leuk? Ga je leerlingen met dyslexie helpen, of je toch liever verdiepen in het jonge kind? Misschien toch iets met computers…en dan die ene of die andere richting?Uiteindelijk was die keuze voor mij niet zo heel moeilijk, al heb ik er wel een paar dagen over gedubd. Mijn Master heet ‘gepersonaliseerd en toekomstgericht leren’, wat een hele dure mond vol is voor: ‘probeer die leerlingen maar eens aan het werk te krijgen, en dan graag wel met de modernste middelen’.

Enfin. Dan hèb je dat gekozen, en dan bèn je enthousiast begonnen, en dan moet je ineens wéér kiezen. Je moet namelijk ‘op reis’. Of niet. Maar in dat laatste geval moet je wel heel ‘internationaal thuisblijven’. Volgt u het nog? Nee, ik bijna ook niet meer. Gelukkig was er vanavond een voorlichtingsavond over de verplichte internationaliseringsactiviteit. Ja. Alweer een mond vol.

Eerst luisterden we met zijn allen naar de pitches van verschillende ‘reisleiders’ die ons zouden kunnen vergezellen naar verre oorden als Oostenrijk, Denemarken, Polen, de VS (New York!), Canada en een bijzonder oord als Zwolle. Daarna konden we drie oorden kiezen en daarover meer informatie vergaren in een aangrenzend lokaal. Medestudent E. en ik keken elkaar aan met opgetrokken wenkbrauwen. Oud-collega I., aan de andere kant van het gangpad, had eenzelfde uitdrukking.

Awel. E. en ik begonnen met ‘Zwolle’. In deze stad, op de hogeschool zelf, zouden we op een hyperfijne en moderne manier gaan communiceren met een stelletje Finnen. De technische termen vlogen me om de oren, net als het vele Engels dat uiteraard gebruikt moest worden. Medestudent E. tuurde intens naar haar blaadje, ik tuurde al even intens naar de juf. Dit leek me eerlijk gezegd al machtig lastig, maar wel erg mooi.

Daarna ‘naar Canada’. De Niagara Falls stroomden al van het scherm af, en de juf in dit lokaal begon op hoog tempo alle heerlijkheden van de reis op te sommen, die niet alleen bezoekjes aan het ministerie en verschillende scholen behelsden, maar er zou ook geshopt worden en als het even kon, werd het niet alleen Toronto, maar ook nog Ottowa. Een diepe zucht ontsnapte me. Als ik op tijd een paspoort wilde hebben, zou ik het deze week nog moeten bestellen.

En toen, omdat het onontkoombaar leek, nog even ‘naar Denemarken’. De reisleiders wisselden elkaar af in enthousiasme, en zo, met de kaart van mijn allerliefste vakantieland op de achtergrond, begon ik alvast wat weg te dromen. Er was iets met ‘outdoor education’, wat mij met mijn adhd-natuur wel aanstaat, en iets met onhandelbare jongens die een-op-een onderwezen werden. En dan ‘onze’ appartementjes op een reepje land aan een eindeloos fjord.

Van Zwolle via Denemarken, of toch andersom? Het duizelt me op vele fronten. Ik heb geen idee waar ik heen wil, en al helemaal niet waarom. Misschien moet ik maar gewoon gaan iene-miene-mutten, en liefst niet al te lang. In verband met dat paspoort enzo.

Reismenu

Laat het feest beginnen!

Zes weken heb ik niet geschreven. Niet hier. Uiteraard heb ik menige statusupdate op Facebook volgekletst. Ook schreef ik af en toe (maar zeker niet vaker) een e-mail en oké, ik schreef ‘een reisverhaal over een stad die niet bestaat’, omdat dat nu eenmaal gebeurde tijdens een van de workshops die ik volgde bij Buitenkunst, ergens in de tweede helft van augustus. En verder…terwijl er honderdduizenden verhalen waren…schreef ik niets. Achteraf geen idee hoezo.

Het algeheel vakantiegevoel in de zomer van 2017

Het algeheel vakantiegevoel in de zomer van 2017


De zomer van 2017 laat zich slecht in een paar woorden vangen. Vandaar wellicht deze wat ongewone blog, maar ik sta mezelf dat toe, alleen al omdat ik jarig ben vandaag. Maar daarover wellicht later meer. De woorden, dus. Ik zal er een paar proberen te vormen. Over die eerste week bijvoorbeeld, bij Anja en Jacqueline in de Auvergne. Daar waar ik een bijzonder mens hervond (Jacqueline) en een nieuw bijzonder mens erbij vond (Anja). Samen met hun dertienjarige zoon bezorgden ze ons een onvergetelijke vakantie vol verwennerij in een sprookjesachtige omgeving, waarin we al snel weinig anders dan ‘Oeh, wat mooi!’ en ‘Ach, wat fraai!’ riepen. Naast ‘Donders, wat is er weer heerlijk gekookt!’, vooruit.
Drie hele appels aan de Lidl-boom in de achtertuin

Drie hele appels aan de Lidl-boom in de achtertuin


In deze vakantie bezochten we oudste in een awesome space in Utrecht, die ook echt ‘the awesome space’ heet. Ik nodig u van harte uit deze plek eens te googelen. Vervolgens was ik tijdens een weekje Buitenkunst in het bos bij Elp niet alleen bijzonder veel bezig met kunstige zaken als zingen, schrijven en schilderen, maar ik ontmoette er ook een bijzonder geschikte schoondochter. Als ik die praktijken nog toe mocht passen…maar gelukkig, gok ik, mag dat niet en kan ik alleen hopen dat de een de ander op mysterieuze wijze ontmoet en dat er dan…enfin, u heeft het beeld.
Daar waar je je afwasmiddel gerust mocht vergeten

Daar waar je je afwasmiddel gerust mocht vergeten


We ontmoetten ook familie, en genoten daarvan. We raceten over een professioneel kartcircuit in de buurt en gedurende een enkel moment geloofde ik zelfs dat ik misschien dan ooit, met een beetje geluk, over all, niet als laatste zou eindigen. Zoals mijn moeder zou zeggen: ‘Dromen moet je hebben.’
Vergane glorie in La Douce France

Vergane glorie in La Douce France


Er was veel zon, ik droeg vaak korte broeken. De laatste twee weken zwom ik iedere ochtend mijn gelukzalige baantjes, voor ik aan de rest van alweer een gelukzalige vakantiedag toekwam. Ik hoorde ontzettend veel gemopper over de slechte zomer van 2017, maar ik heb hem persoonlijk niet gezien. Het kàn aan Drenthe liggen. Ik zag wél vrienden, een goede Netflix-serie (Atypical) en ik las een ontiegelijke stapel boeken.
Relaaaaax...

Relaaaaax…


Niet zonder slag of stoot bestelde ik aan het eind van de vakantie de eerste boeken voor de komende studie. Eén boek moest volgens lijst 1 uit 2013 zijn. Een andere lijst noemde het jaar 2014. De officiële lijst noemde een beknopte versie. Dat was ‘m ook al niet. Een vertrouwd gevoel van ‘bezig zijn met studeren aan een hogeschool’ overviel me.

En vandaag was er dan de eerste werkdag en met bonzend hart ontving ik naast de vele felicitaties ook een lijstje met namen van mijn mentorklas. We bespraken het verloop van de eerste weken. Verdeelden taken. Maakten en nuttigden samen een lunch. Riepen rond één uur om het hardst:’Tot maandag!’

Omdat dán het feest echt weer zal beginnen. Van mij mag het. De slingers en ballonnen zitten sinds vanmorgen onder in mijn tas.

In het water vallen

Omdat de man en ik na ons tripje naar Denemarken nog immer niet genoeg hadden van ‘Het Hoge Noorden’, besloten we vorige week af te reizen naar Schokland. Ja. Op dit bijzondere eiland, dat nu geen eiland meer is, organiseert men blijkbaar jaarlijks de Scandinavië Markt, iets wat de man tijdens één van zijn vele meetklussen in de Noordoostpolder had ontdekt via een billboard langs de weg.

Wij moesten daar dus heen, naar deze markt. Ook al liepen er, compleet zinloos als je het mij vraagt, ook rendieren rond. En een soort van speciale Scandinavië-honden die volgens mij veel liever ergens in het bos hadden gerend in plaats van aan een lijntje hadden gezeten om bewonderd te worden door slenterende bezoekers. Maar. Dat terzijde. De man en ik bekeken Noorse messen, Zweedse dekens en Finse sieraden, we betastten servies van Marimekko en kopjes en mokken beschilderd met bessen en bloemen.

En toen was ik de man even kwijt. Ondanks zijn hekel aan sociale praatjes met mensen die hij niet kent, bleek hij in gesprek met een heerschap dat ik me nergens van herinnerde. Rechts van het heerschap stond een kraam met innovatief kampeergerei. Links van hem lag een boot. Kano. Oh. Vandaar. De man houdt dan wel niet overdadig van water, behalve onder de douche, toch heeft hij een droom: zwerven in Zweden. En omdat ik dat fijn vind, wordt dat zwerven over meren. En omdat hij dan langer droog blijft, mag dat best in een boot.

De kano was gemaakt van vernuftig materiaal. Iets met Pet-flessen en dan vermalen, gesmolten en hervormd tot multitechnische honingraten. Ze hielden de boot boven water en vrij van schade. De uitvinders hielden ook van origami, want op basis van dit Japans principe was de kano opvouwbaar, tot een pakketje dat zelfs in de Twingo paste, al kan ik me niet voorstellen dat de Volvo naar Zweden niet mee mag. Er zaten ook wielen onder de opgevouwen kano, en het gewicht hield snel vervoeren ook al niet tegen.

Het werd later. En later. En de man en het heerschap van de kano waren nog immer in gesprek. Ten langen leste mengde ik me ook maar in het gesprek en bekeek de prijs van het innovatieve wonder van de aanstaande fjordenvaart. ‘Maar dan krijg je er wel een waterdicht lampje op zonnecellen bij.’ Dat leek me superhandig. Als we dan wat minder de schemerlamp aanzetten, kunnen we straks ook nog twee peddels kopen. Handig voor de tochtjes over de Aalder Aa, want van een tochtje over een Zweeds meer, kunnen we na de aanschaf van de kano toch nog even langer blijven dromen.

Geen kanowater, maar ook fijn.

Geen kanowater, maar ook fijn.

Brood en lezen

We waren er al behoorlijk vaak geweest. In precies deze omgeving. Ook al vaak in precies hetzelfde dorp. Het maakte de voorpret niet minder. Integendeel. Wat er toen leuk was, ook al was de laatste keer Søndervig voor mij in 2012 en voor de man in 2008, was nu vast even leuk. Of leuker. Als progressief mens geloof je toch immer in vooruitgang, nietwaar?

We verkneukelden ons daarom al over de vele strandgangen. De mooie stenen die we er zouden vinden. De weidse vergezichten. We bedachten dat er in de grote supermarkt in het dorp intussen best wat vegetarisch spul te vinden zou zijn (in tegenstelling tot de totale afwezigheid ervan in 2012) en als dat niet het geval was, dan verlustigden we ons wel aan die andere obsessie: boeken. Bij Kröning aan de Nordsøvej.

We pakten de Volvo in met vooral veel warme truien, mutsen, sokken en wandelschoenen. Er ging wat leesvoer mee, een puzzelboek, de smartphones en een bosje laders voor diverse apparaten. Een lading nostalgie in plaats van emmertjes, schepjes, kleine rubberlaarsjes en een bak vol K’nex. De ene volwassen zoon past op onze kinderboerderij thuis, de andere vroeg of we nog even wilden kijken voor een koelkastmagneet.

Het waait hard in Søndervig, maar het strand ligt er, met de diverse resten van de Atlantik Wall, nog even indrukwekkend bij als vijf jaar geleden. We rapen nú nog maar weinig stenen, anders is het einde al zoek. De winkel in het dorp heeft inderdaad wat vegetarische opties. Twee keer boterhamworst, één keer hamburgers. Wilmsburger veganistische kaas.

Maar dan Kröning. Met zijn grote parkeerplaats. Zijn geldwisselservice. Zijn indrukwekkende collectie tweedehands boeken in zo veel talen. Zijn rekjes en rekken, zijn stilte, zijn norsige eigenaar. De belofte van uren zoeken en pareltjes vinden. De boeken die je nooit uit krijgt, maar desondanks wilt hebben.

Hij wordt een dagje ouder, gok ik, heer Kröning. Of de ontlezing slaat ook hier, vooral in het laagseizoen, toe. Hij is nog wel open, maar pas vanaf juni. ‘Jeetje, als het nou in mei was!’ mopperde de man. Tsja. Dan hadden we er nóg niks aan gehad.

Genoeg lekker brood, dat wel!

Genoeg lekker brood, dat wel!

Terwijl je andere plannen maakt

1 april, kikker in je bil. Euh. Heel eerlijk, ik dacht daar pas aan op het moment dat een oud-collega op Facebook vertelde dat ze misschien op Bonaire iets met Duitse les zou gaan doen. Oh nee. Ik dacht pas aan 1 april toen anderen oud-collega R. ervan beschuldigden grapjes te maken. Tsja. Mij kun je alles wijsmaken. Ook op 1 april.

Zo geloofde ik dan ook dat we vandaag met gospelgroep Marturia gezwind door de straten van Aalden en omstreken zouden spoeden met paaseitjes en walnoten. Ieder jaar verkopen we zakken en bakken vol, maar niet eerder op 1 april. Afijn. Koorleden J. en B. en ik zouden samen naar Zweeloo. De onverwoestbare Volvo van J. mocht mee. We parkeerden het bakbeest aan de rand van het dorp en begonnen aan de noeste klus.

Bij het eerste huis was het meteen raak: een zelfbedachte constructie van ‘zus en zo’ voor een tientje vond direct aftrek. Goed voor stevige motivatie en ik belde aan bij het volgende huis. Niemand thuis. En ook niet bij de buren. En daar de buren weer van hadden ook iets anders gepland. De paaseitjes en walnoten in de stevige tas van de Action werden bij iedere stap een kilo zwaarder.

‘Stukje verder dan maar?’ vroeg J. Daarop stapten B. en ik zuchtend in. Om vervolgens toe te zien hoe de Zweedse degelijkheid niet zo degelijk was als we tot dan toe dachten. De Volvo maakte vreemde geluidjes die niet op starten leken. Uit de cd-speler kwamen tikjes en raspjes. Uit onze monden kwam vooral verbazing. Zelfs voor een 1 aprilgrap was dit echt te bizar. J. belde haar man. Ik de mijne. De laatste kwam even later aanrijden in mijn Zweedse vrachtwagen. Waarvan een lampje dan weer stuk was. Ik zweeg.

Nee. Daar zat geen accu.

Nee. Daar zat geen accu.

De man en B. bogen hun hoofden onder de motorkap. ‘Even aanduwen’ zou bij deze automaat niet gaan werken. Op zoek naar de accu dan maar. Helaas was die 1 aprilgrap al aangeleverd bij vertrek uit de fabriek: de accu bleek onvindbaar, ook na grondige inspectie van de voor- en achterbak. Om de treurigheid van de situatie te onderstrepen, werden de sluizen in de hemel opengetrokken. Zelfs schuilen onder de hemelsbrede motorkap bood geen soelaas. We raadpleegden Buienradar. Nog tien minuten.

Tussen de laatste druppels door vonden de heren toch nog iets waar een accuklemmetje op paste. Er werd wat gas gegeven hier, er werd een paar keer gestart daar. Na een paar pogingen kwam de Volvo van J. weer tot leven en de verkoop werd herstart. De eerste de beste zak walnoten die ik uit mijn Action-tas viste, barstte open. Evenzo barstte mijn humeur. ‘We pakken in,’ sprak J. even later en we gingen theedrinken in de kerk, waar intussen ook de rest van de groep was neergestreken.

In de avond togen koorlid W., koorlid I. en ik gedrieën richting de musical ‘Op zoek naar Judas’. Een verhaal over de gedoodverfde verrader, dat ineens ook een heel andere wending kreeg. Iemand die durft te beweren dat dat heel verrassend was, heeft van deze dag duidelijk geen sikkepit begrepen.