Een tuttencompetitie

Zoals in elke vakantie weleens gebeurt, ook al kom ik om in studiewerk, was ik ook nu even aan ‘opruimen’ toe. Dit keer moesten de stoffige boekenkasten boven en beneden eraan geloven. Elk boek werd afgestoft en verplaatst, en zo hier en daar viel er tijdens het onvermijdelijke bladeren een kassabon, een bladwijzer of een kaartje uit.

‘Die is van A.!’ riep ik verheugd bij het zien van de zwetende, corpulente heer met bloemenhoed. En nee, ik had de afzender nog niet gezien, maar het onderwerp was helder. En ooit, in de tijd dat vakantie vieren ook betekende dat je kaartjes stuurde, probeerden vriend A. en ik voor elkaar de meest tuttige kaartjes uit te zoeken.

Ooit vond ik in Barcelona al eens een flamencodanseres met écht stoffen jurkje op de kaart geplakt en in Haugesund scoorde ik een knullige Viking met hangsnor in een overigens alleraardigst christelijk boekwinkeltje. Van A. ontving ik dus in ieder geval het kaartje met het bloemetjeshoedje uit Italië, en volgens mij zijn er ook al eens zoete, jonge poesjes door de brievenbus gegleden.

Ik heb geen idee of er meer kaarten gestuurd zijn. Het zal me niets verbazen als ik er over een poosje weer ergens eentje uit een oude stapel boeken trek. Ik weet in ieder geval wel dat we al een hele poos geen kaarten meer sturen aan elkaar. De noodzaak ontbreekt, want met Facebook heb je altijd alle prachtige beelden van elkaar, en van vakanties in de bus.

Maar toch. Ik herinner me het zoeken. Het voelen van de triomf, als ik er eentje vond die werkelijk niet tuttiger kon. En ik herinner me het ontvangen. De verrassing. En het genieten van de voorstelling op de gestuurde kaart, want natuurlijk deed ik dat wel.

Ik denk aan de reisbestemmingen dit jaar. Aan Canada, Denemarken, Zweden en Ameland. Zou het me toch nog een keertje lukken om de absolute tuttenkoningin te zijn?

Het stille belletje van de ijscoman

Vandaag vond de uitvaart plaats van mijn peetoom. Nu ik het zo opschrijf, vraag ik me af hoeveel officiële petekinderen er eigenlijk nog bestaan; ik hoor er bijna nooit meer iemand over en ook mijn zonen hebben geen peetouders.

Awel. Zo vaak zag ik hem niet, deze peetoom. De meeste herinneringen dateren van vóór 1988. Daarna kwam de klad er een beetje in, om duizend-en-redenen, waarvan er geen eentje echt geldig is. Maar die herinneringen uit mijn jeugd, die zijn goed. Eindeloze zomervakanties in Oost-Brabant, kermis in het dorp en Sinterklaasfeesten waarbij ieder nieuw feestje in de schaduw stond. Allemaal dáár.

Het was daarom opnieuw bijzonder om vandaag dat kleine dorp binnen te rijden, waar ik veel herkende, en veel ook niet. Ik deed het volgens de TomTom niet goed, want ik wilde geen boerenpaadje in rijden. Al sputterend leidde het apparaat me via andere wegen naar het café waar we met zijn allen nog wat zouden eten en drinken, ná de indrukwekkende dienst in weer een ander dorp van vroeger.

Er was precies één plekje nog vrij aan een tafel met neven en nichten die ik ook al niet wekelijks zie, en we raakten uitgebreid aan de praat. We hebben volwassen en iets minder volwassen kinderen, we hebben banen en andere werkzaamheden, we maken allemaal onderdeel uit van diezelfde familie, die vol verhalen zit. Verhalen waar we er steeds minder van kennen, omdat we elkaar steeds minder zien. Omdat het leven doorgaat. En het is zoals het is, en het gaat zoals het gaat.

Zoals het ging zoals het ging. Ik dacht vanmiddag na over mijn herinneringen, staand achter in die massa mensen die in mijn oom een bijzonder mens zagen, van wie ze nog lang geen afscheid hadden willen nemen. Er kwamen recentere foto’s voorbij op een scherm, maar in mijn hoofd schoof de avondvierdaagse voorbij, die ik, ‘dat is waar ook’, ook altijd liep in dat dorp. Snoepzakjes achteraf, ochja, en snoepzakjes haalde ik ook weleens bij de cafetaria in de Dorpsstraat. Spekkies en dropjes in een zakje, bedoeld voor patat.

En de ijscoman! Iets wat mijn oom ook jarenlang was. Een kar met fiets, en in het vooronder lagen massa’s rode curryflessen, gevuld met bevroren water. Daarop vanille, aardbei en pistache. Aan het Wilhelminakanaal stond het karretje lang stil en werd menig ijsje geschept. Van pistache heb ik lang niet kunnen eten, omdat ik er dáár zo misselijk van was geworden.

Het belletje van de ijscoman rinkelt niet meer. Er worden geen nieuwe herinneringen meer gemaakt. De TomTom stuurde me op de weg naar huis keer op keer het dorp weer in, over het boerenpaadje dat ik eerder niet nam. Alsof ik nu echt geen afscheid mocht nemen. De derde keer besloot ik toch echt de ringweg richting grote stad te nemen. De TomTom bleef nog kilometers zeuren dat ik om moest keren. Ik zette uiteindelijk de radio maar aan.

Een verlaat kerstfeest

Nee. Ik heb geen kerstversierselen meer hangen of staan. Alle kerstkoekjes zijn ook al op. Kerstvakantie voorbij. Alleen de kerstkaarten (een uitstervend fenomeen) hangen nog op de ruit naast de tussendeur en dat zal traditiegewijs nog wel tot Pasen duren.

Nee. Het gaat om een ander feestje; een leesfeestje. Vorige week dacht ik nog aan de boekjes die ik in mijn jeugd las. Het allereerste boekje kan ik me niet meer herinneren. Het allereerste nieuwe boek dat ik van mijn zakgeld kocht dan weer wel (‘Boris’ van Jaap ter Haar), maar toen had ik inmiddels al wel een bibliotheek aan werkjes ‘uit’.

Nee. Dat eerste werkje krijg ik dan ook nooit meer terug. Ik herinner me wel hele series als ‘De Olijke Tweeling’ en ‘Snuf de Hond’ en, iets later, probleemverhalen uit de koker van uitgeverij Lemniscaat, met titels als ‘Geef het een kans’ en ‘De vier vrijheden van Hanna B.’ En ergens daarvóór en daardoorheen, hele reeksen stichtelijke werkjes van W.G. van de Hulst en de Zijnen.

Ik verslond ze, want de moeders waren er altijd zacht en vaders rechtvaardig. Niemand pestte en als dat toch gebeurde, werd de boosaard steevast stevig berispt. Als niemand meer wist hoe het moest, dan had de dominee nog wel een idee en aan het eind kwam het altijd goed. Fantasy voor kids avant la lettre, zeg maar.

Eén van de werkjes die me altijd bijbleef, was ‘Kerstfeest voor oude Johannes’. Het is een verhaal waarin een gewonde, brommende weduwnaar met geit en al vanuit zijn berghut, door diepe lagen sneeuw, op de slee, naar het dorpje in het dal vervoerd wordt om daar -toch- samen met de dorpelingen de kerstnachtdienst mee te kunnen maken. Het boekje is niet door W.G. van de Hulst geschreven, maar toch ging het met een verzameling van die schrijver, ooit mee naar een vriendin die die boekjes verzamelde.

Een poosje terug sprak ik erover op school. Dat sommige titels je zo bijblijven. Dat je daarom soms iets voor altijd bewaart. En soms per ongeluk dus niet. De vriendin had de verzameling, inclusief ‘Johannes’ weer voortgedaan en ach, zo gaan die dingen. Tot afgelopen dinsdag. Tot die ene nieuwe collega mij aansprak. ‘Ik heb iets voor jou.’ En ze stak haar hand in een tas en er kwam een boekje naar boven.

Ik heb het net herlezen. Een verlaat kerstfeest, maar dan niet alleen voor oude Johannes.

Het slijten van dagen

Ze doen het goed, voor vrienden die geen vrienden meer zijn; ze zien elkaar tot nu toe gemiddeld een keer per jaar van dichtbij. Gek genoeg is dat vrijwel altijd op de parkeerplaats van een supermarkt in een dorpje verderop.

De eerste keer daar reed ze hem bijna omver. Hij stak zijn hand op als reactie op haar getoeter. Ze maakte een gebaar van: ‘niet handig, hè’ en zo snel als zijn hand de lucht in was gegaan, zo snel ging hij omlaag, benadrukt door zijn mondhoeken die dezelfde richting kozen.

De tweede keer was op een ochtend in mei. Het was nog fris. Zij verliet de supermarkt. Hij liep net naar binnen. Ze bedacht dat ze elkaar de vorige keer net omgekeerd kruisten en dat de kleur van zijn vest (een nieuw?) hem goed stond. Zijn haren hoefden van haar niet geverfd. Ze weet niet wat hij dacht; daar vroeg ze ook niet om. Ze bromde: ‘Goedemorgen’, en hij bromde hetzelfde terug, terwijl de afstand tussen hen alweer groter werd.

De derde keer was op een winterdag tussen kerst en nieuwjaar. Geen kruisen van wegen nu; ze kwamen tegelijkertijd aan. Zij met haar karretje. Hij met zijn zus. Ze keken elkaar aan en groetten met een glimlach. Zij liep naar binnen. Hij volgde. Ze pakte een pompoen. Een zoete aardappel. Wat gember. Ze moest twee keer terug, voor koek en zure appels. Wat hij in zijn kar had? Ze heeft geen flauw idee.

Oude liefde roest niet

‘Jij raadt echt nooit waar ik vandaag geweest ben’, zei ik gisterenavond tegen de man. Hij had zijn tas nog niet neergezet en deed dat nu met een bedachtzaam gebaar. ‘Euh…’ begon hij. ‘Echt niet.’ Ik deed mijn armen over elkaar en keek hem uitdagend aan. Het was ergens waar ik al zeker drie jaar niet meer geweest was. Misschien iets langer. Zeker wist ik het niet meer.

De man fronste zijn wenkbrauwen en wreef met zijn wijsvinger over zijn bovenlip. Ik weet dat hij een vergelijking met Wicky de Viking niet op prijs stelt, dus ik was zo wijs dit niet uit te spreken, maar ik moest er wel aan denken. ‘Nee..’ zei de man toen. ‘Het zal niet bij S. zijn, toch?’ en ik liet van verbazing mijn kin op de keukenvloer zakken. Ohmy. Dat is inderdaad óók al weer zo lang geleden.

Maar nee. Ik was niet bij oud-collega S. geweest. Ik vrees dat die gebrouilleerdheid duurt tot de dag dat Pinksteren en Pasen op één dag vallen, en anders wel tot Sint Juttemis, en ik heb daar intussen vrede mee. Nee. Het was iets anders. Maar hoe ik ook hintte en prikte, de man kwam maar niet op het juiste idee. ‘Ik was’, sprak ik langzaam en onheilspellend, ‘op de…sportschool!’ ‘Oh!’ zei de man. En toen bleef het even stil.

En intussen heb ik mezelf een abonnement aangesmeerd en kan ik dus bijna wanneer ik maar wil aan de gewichten hangen. En ja, ik heb er de kriebels weer van in mijn buik. En nee, ik durf niet met zekerheid te zeggen dat ik er deze keer NIET 10 kilo van aankom. Maar sommige risico’s zijn het waard om genomen te worden. Binnen het kader van de oude liefde dan.

Ook sportief...

Ook sportief…

La Douce France

Il était une fois…oh wacht. Er was eens. Er was eens een meisje dat gèk was op de Franse taal. Ze was gèk op Franse chansons, en gèk, tja, ook op haar docent Frans. Wat het misschien een soort van ‘kip-ei-verhaal’ maakt. Soit. Ooit zou ze ook docent Frans worden. In Frankrijk wonen. Een Fransoos trouwen. N’importe quoi. Als het maar ‘français’ was.

Het meisje ontmoette een Amsterdamse jongeman, met een Franse auto en warme gevoelens voor Michel Fugain. Het werd une belle histoire. Ze reisden ooit spontaan af naar Mers – le Tréport, aten een visje in Boulogne sur Mer, en schuimden weer iets later de Parijse straten af, op zoek naar des aventures. Het begin van vele andere avonturen.

Geen een van die andere avonturen echter, was nog Frans en na die eerste tripjes gingen ze eigenlijk nooit meer naar het buitenland. Hun oudste zoon werd bijna 13 toen er eindelijk weer eens gesproken werd over verre vakanties. Gek genoeg werd het geen Frankrijk, maar een land in een heel andere richting: Denemarken. Het werd een onverwacht en groot succes, dat vele malen herhaald werd. Zelfs de oudste zoon, die een blauwe maandag op weg was om docent Frans te worden, koos op meerdere momenten voor een melancholisch verblijf niet La Douce France, maar toch: West-Jutland.

En toen kwam de vriendin, die ook al naar het noorden ging, en dan voor eeuwig, en dan nog verder: ze emigreerde naar Noorwegen. Daar moesten we dan natuurlijk ook regelmatig heen. Frankrijk, dat werd een verbleekte, warme herinnering. Een stapeltje oude foto’s in een schoenendoos. Ohja. Iets van toen, dat af en toe nog maar jeukte. Ik ging er nog één keertje heen met jongste. Zijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog leidde ons naar Le Nord. De Pas de Calais. De Côte d’Opale. We hadden er in 2013 met zijn tweeën een bon tour. Daar bleef het bij.

Maar toen vond de tweelingzus van mijn eerste vriendje mij via Facebook, en ik bekeek haar profiel. Ze woonde met haar vrouw en kind in Frankrijk, in de Auvergne, en ontving gasten in een auberge. ‘Laat eens zien!’ zei de man en er borrelde iets in zijn stem. Ik zei: ‘Leuk, hè?’ en hij knikte en swipete en hij wilde niet vólgend jaar, maar nú. En ik sprak van de geplande vakanties al, en zijn weekje met scouting, maar de Franse bacillen hadden hem volledig te pakken. Hij toonde plaatsjes waar hij ooit was geweest met zijn ouders. Tuurde opnieuw verlangend naar de plaatjes van de auberge van J. en A. En ik appte J. En er was nog een kamer vrij. En ergens was er vast nog een routekaart. En diep in mij ontwaakte die ene grote liefde, die niets méér had gedaan dan geduldig liggen wachten.

Onmiskenbaar Frans...onmiskenbaar lang, lang geleden...

Onmiskenbaar Frans…onmiskenbaar lang, lang geleden…

Allemaal familie

Het afgelopen weekend stond in het teken van familie. Zaterdag togen we in de Volvo naar Noordoost-Brabant, om daar het 50-jarig huwelijksfeest van mijn peettante en -oom te vieren. Het was bijna 30 jaar geleden dat ik in het kleine dorp was waar zij wonen, dus het was vreemd en tegelijkertijd vreemd vertrouwd om ineens weer langs die molen te rijden, en door die Dorpsstraat, waar veel hetzelfde was en veel ook enorm veranderd.

Hetzelfde gevoel overviel me in het kleine café, waar het feest gehouden werd en waar ondanks de geringe afmetingen toch behoorlijk wat mensen pasten. Iets met ‘makke schapen’ misschien? Ik herkende nichtje B. van Facebook, en nog meer mensen ‘gewoon van vroeger’ en van nog langer geleden. Ik ben dan wel een van de weinige mensen die erg ver ‘van de rest’ is gaan wonen, maar sommige dingen veranderen daardoor niet.

Ik praatte met broze, oud geworden tantes en ooms, van wie de stemmen zachter waren geworden, maar de toon bleek onveranderd. Er werd gezoend, gepraat, er werd gelachen, gezongen, gedanst. (Al was dat laatste nog wel even een dingetje, want mijn benen waren de foxtrot een beetje vergeten, maar ome C. zette door en kreeg de vaart er uiteindelijk bij mij wel weer in.) Er werd lekker, en veel, gegeten, en door de rimpels en alle kinderen en kleinkinderen heen waren we nog steeds datzelfde ploegje neefjes en nichtjes, ooms en tantes. Familie.

We moesten helaas wel een beetje tijdig afhaken, want de volgende dag reden we alweer naar een familiefeestje. Maar dan totaal anders. Op een festivalterrein in ‘s Graveland relaxten de man en ik een dag tussen mensen die allemaal voor hetzelfde kwamen: genieten van muziek. Geen onvertogen woord, er werd geluisterd, gepraat, gezongen, gedanst. Er werd lekker, en veel gegeten. En langs en door de verschillende muzikale periodes en stijlen heen was er alleen maar herkenning. Van het weten dat je uiteindelijk allemaal hetzelfde wil, ook al lijkt dat soms niet zo te zijn.

(Jaja…)

Da’s ook familie.

De familie moet immer eten. De Frietfiets hielp ons hierbij.

De familie moet immer eten. De Frietfiets hielp ons hierbij.