Er is maar één Chef!

Ergens in 2010 was er een personeelsuitje van de school diep in Drenthe. Als ik het me goed herinner, was het op een boerderij-achtig complex, waar verschillende activiteiten georganiseerd werden. Eén van die activiteiten was ‘schilderen’, en zo kwam het dat ik het grootste deel van het uitje doorgebracht heb met mijn doekje en mijn verf, naast een waslijn met handdoeken en ander drogend goed.

Enfin. Het is niet die herinnering die me drijft tot het schrijven van dit stukje. Nee. Mijn eerste werkelijke ontmoeting met Chef vond plaats aan de bar van een van de duistere bijgebouwen, tijdens datzelfde uitje. Ik had net een sapje ontvangen en wilde een slok nemen, toen het glas uit mijn hand werd gediefd. Chef nam een slok, retourneerde grootmoedig het glas en sprak de historische woorden:’Die is ook lekker.’

Oh. Gaat dat zo. Dat was wat ik dacht, maar volgens mij heb ik niets hardop gezegd. Geen idee wie Chef werkelijk was. Ik vond haar altijd wel wat intimiderend, wat stug en terughoudend ook, maar Chef bleek dus ook iemand die zomaar glazen uit je hand greep wanneer zij dat wenselijk achtte. En nee, ik noemde haar toen nog geen Chef. Ik keek wel uit. Pas later, veel later, toen ik langzamerhand wat wijs werd uit die diepe gronden van dat stille water, kreeg Chef haar geuzennaam, en hoeveel cheffen ik nog krijg, er komt er niet snel weer eentje met een hoofdletter.

Waar dat precies aan ligt, vraagt u? Ik moet het antwoord schuldig blijven. Een beetje. In acht jaar hebben we aardig wat min- en pluspunten van elkaar verkend. Misschien is het wel zo dat plus en min nogal eens bij elkaar kwamen, en daardoor zorgden voor nieuwe energie. Ik weet dat zij soms moe van mij werd. Ik soms niet genoeg moe van haar. Feit is: ik ben mijn Chef uitbundig gaan waarderen. Een vorm van liefde die niet opgaat, haar sociale bankrekening kan in dit leven niet meer leeg.

Maar ja. U begrijpt het goed. Mijn Chef is volgend jaar mijn chef niet meer. Ik moet het gaan doen met een ander opperhoofd, terwijl zij zich meer gaat bezighouden met andere zaken dan chef-zijn. Uiteraard was ik eerst pisnijdig, maar intussen zie ik ook de voordelen wel. Waar eerder altijd de hiërarchie het laatste woord had en ik met alle respect weleens knarsetandend haar kantoor verliet, zijn er nu mogelijkheden tot een nog meer gelijkwaardig sparren, en aanscherpen van datgene wat er toch al zoetjesaan was.

En daarnaast is er nog altijd dat glaasje, waarvoor ik haar nog eens terugpakken moet. Het is denk ik maar goed dat ik tijdens het eerstkomende personeelsuitje niet aanwezig kan zijn.

IJskoud pedagogisch

Vorige week was het best warm. Leerling J. vroeg me hoe ik het in vredesnaam uit kon houden in mijn lange broek. Op mijn wedervraag of hij dan zoveel zin had in het aanschouwen van mijn blote benen, kwam er dan weer een schaterlachen als antwoord. Nee. Dan liever toch die lange broek.

Deze week, echter, stegen de temperaturen naar waarden waarbij ik toch overstag ging: het werd een lange jurk. Met sneakers. Het deed Chef fronsen en ik kreeg een blik toegeworpen waar ik uitleg bij vroeg, maar die kreeg ik niet. Nou moe. Ditmaal was de vraag van bezorgde leerlingen hoe ik het dan uithield met dat t-shirt onder mijn mouwloze jurk. Hm. De armsgaten eindigen ergens bij mijn middel. I rest my case.

En toen de lessen. In de eerste les stuurde ik drie lieden de gang op, wegens gebrekkige voorbereiding. Natuurlijk te lang in de zon gelegen, gisteren, dacht ik met mijn oververhitte brein. In les twee moest nóg een leerling het veld ruimen, iets wat bij hem dan weer de hersenpan deed overkoken. Gelukkig maakten we het diezelfde middag, bij het nablijven in een koele werkruimte, weer goed.

Ach. En dan dat zevende uur met die dynamische tweede klas. ‘Waarom hebben we geen tropenrooster?’ ‘Waarom hebben we geen vrij?’ ‘Waarom gaan we niet naar buiten?’ De vragen buitelden over elkaar heen en ik bezag de bozige, bezwete gezichtjes met groeiende irritatie. ‘Jullie zijn allemaal watjes!’ en ik pakte het boek en begon met de les.

Ergens halverwege kwam een belhamel uit de derde binnen. ‘IJsje, mevrouw?’ en natuurlijk zei ik geen ‘nee’. ‘Oh, dat is oneerlijk!’ klonk het als uit één mond in het lokaal. ‘Maar ook lekker.’ antwoordde ik pesterig en ik wierp het papiertje in de prullenbak, terwijl ik het ijsje genoeglijk zuchtend in mijn mond stak. Vanaf 22 hete hoofdjes staken dikke pruillipjes in een stil protest naar voren.

‘Wie kan er snel fietsen?’ vroeg ik een halve minuut later. Leerling L., in alles snel maar niet altijd in de goede richting, sprong op. ‘Wie neem je mee?’ en ze wees naar haar vriendin. Ik pakte mijn portemonnee. De dames haalden ijs. Bij terugkomst werden foto’s gemaakt voor Instagram, Snapchat en ongetwijfeld nog een paar andere ongeoorloofde media in de klas.

Ik vind dat ik mijn pedagogische competentie op de eerste tropische dag van 2018 wel bewezen heb. Of ik ‘m vanmiddag bij mijn afsluitend examen van het eerste jaar moet vermelden, daar twijfel ik nog even over.

Tussen de oren

Vorige week zaten leerling M. en leerling L. voor in de klas en ze luisterden naar een lied. We doen iets met poëzie in klas 3 en op de een of andere manier krijgen we de begrippen ‘rijm’, ‘beeldspraak’ en ‘stijlfiguren’ er gemakkelijker in met een lied van Blof (denk dat streepje er even bij) dan met de werken van Joost van den Vondel.

M. en L. zaten dicht tegen elkaar aan gekleefd, met gedeelde ‘oortjes’. Ik vond dat ik het lied er toch best nog doorheen hoorde blèren en vond het tijd voor een ‘anti-tinnitus-preek’, want er is veel wat ik mijn medemens gun, maar daar schaar ik tinnitus niet onder. Ik heb het zelf en ik vind het niet bijster aangenaam. ‘Maar u heeft dat toch niet door muziek gekregen?’ vroeg L. en ik antwoordde dat dat inderdaad niet zo was, al waren de concerten van Rammstein en Faithless ook weer niet bevorderlijk voor een goed gehoor, om het maar niet over het plaatselijke Sweelpop en Folk veur Volk te hebben, want daar kun je met een beetje pech ook wel een eeuwige piep in de oren oplopen. Maar goed. Nee. Mijn eigen ruis heb ik te danken aan het werk op de trein.

‘Is dat niet ontzettend irritant?’ vroeg M. en ik knikte. ‘U hoort dus ALTIJD iets.’ Ik knikte weer. ’24 uur per dag dolle pret, jongens, dus alsjeblieft, zet die muziek niet zo hard als je oortjes in hebt, en haal van die speciale pluggen als je naar een festival gaat.’ Twee paar glazige ogen keken me aan en er klonk iets van ‘uhuh’. Ik zuchtte en wilde al doorlopen naar het volgende stel dat driftig met de poëzie in de weer was.

‘Maar mevrouw,’ begon M. weer. Ik draaide me weer naar hem toe. ‘Niet om het een of ander, en ik bedoel er niets brutaals mee. En ik wil u ook niet beledigen…maar…’ Ik keek M. afwachtend aan. Een grote denkrimpel lag op zijn voorhoofd. ‘Bent u weleens naar een psychiater geweest?’ Ik hoestte. ‘Eh. Nee.’ M. keek nu naar zijn Chromebook, alsof daar de volgende, zorgvuldig opgebouwde zin lag die duidelijk moest maken wat hij dacht. ‘Nou, u zegt iets te horen, maar niemand anders hoort het, toch?’ Ik knikte, want het is echt mijn eigen geluid. ‘Nou, misschien zit het dan gewoon tussen uw oren.’ Ik zweeg. Hij zweeg met me mee. ‘Kan toch?’ zei hij lief.

Ik kneep mijn ogen tot spleetjes en vertelde hem dat ik het een goed idee vond, die psychiater. Misschien kan die me uitleggen waarom ik ooit les wilde geven. Dat zit denk ik ook ergens tussen mijn oren.

Een verlaat kerstfeest

Nee. Ik heb geen kerstversierselen meer hangen of staan. Alle kerstkoekjes zijn ook al op. Kerstvakantie voorbij. Alleen de kerstkaarten (een uitstervend fenomeen) hangen nog op de ruit naast de tussendeur en dat zal traditiegewijs nog wel tot Pasen duren.

Nee. Het gaat om een ander feestje; een leesfeestje. Vorige week dacht ik nog aan de boekjes die ik in mijn jeugd las. Het allereerste boekje kan ik me niet meer herinneren. Het allereerste nieuwe boek dat ik van mijn zakgeld kocht dan weer wel (‘Boris’ van Jaap ter Haar), maar toen had ik inmiddels al wel een bibliotheek aan werkjes ‘uit’.

Nee. Dat eerste werkje krijg ik dan ook nooit meer terug. Ik herinner me wel hele series als ‘De Olijke Tweeling’ en ‘Snuf de Hond’ en, iets later, probleemverhalen uit de koker van uitgeverij Lemniscaat, met titels als ‘Geef het een kans’ en ‘De vier vrijheden van Hanna B.’ En ergens daarvóór en daardoorheen, hele reeksen stichtelijke werkjes van W.G. van de Hulst en de Zijnen.

Ik verslond ze, want de moeders waren er altijd zacht en vaders rechtvaardig. Niemand pestte en als dat toch gebeurde, werd de boosaard steevast stevig berispt. Als niemand meer wist hoe het moest, dan had de dominee nog wel een idee en aan het eind kwam het altijd goed. Fantasy voor kids avant la lettre, zeg maar.

Eén van de werkjes die me altijd bijbleef, was ‘Kerstfeest voor oude Johannes’. Het is een verhaal waarin een gewonde, brommende weduwnaar met geit en al vanuit zijn berghut, door diepe lagen sneeuw, op de slee, naar het dorpje in het dal vervoerd wordt om daar -toch- samen met de dorpelingen de kerstnachtdienst mee te kunnen maken. Het boekje is niet door W.G. van de Hulst geschreven, maar toch ging het met een verzameling van die schrijver, ooit mee naar een vriendin die die boekjes verzamelde.

Een poosje terug sprak ik erover op school. Dat sommige titels je zo bijblijven. Dat je daarom soms iets voor altijd bewaart. En soms per ongeluk dus niet. De vriendin had de verzameling, inclusief ‘Johannes’ weer voortgedaan en ach, zo gaan die dingen. Tot afgelopen dinsdag. Tot die ene nieuwe collega mij aansprak. ‘Ik heb iets voor jou.’ En ze stak haar hand in een tas en er kwam een boekje naar boven.

Ik heb het net herlezen. Een verlaat kerstfeest, maar dan niet alleen voor oude Johannes.

Nog zeven weken…

Afgelopen vrijdag was ik al bezig met het versturen van e-mailtjes aan collega’s en ouders van leerlingen, maar morgen is het dan ècht voorbij. Geen gelummel in pyjamabroek en ‘onder een dekentje op de bank’, geen eindeloos graaien in bakjes met kerstkransjes en chocolaatjes. De koek is op.

Zoals gewoonlijk hebben we in de vakantie totaal niet gedaan wat we allemaal van plan waren. Virussen zaten in de weg, maar ook wekkers. Die gingen niet af, en zo verloren we meteen vier uur van iedere kostbare dag. Nee. Daar hebben we niet per se onder geleden. Zelfs de poezen waren na drie uitgeslapen dagen niet meer chagrijnig als we pas om een uur of 10 naar beneden kwamen. Het konijn had er meer moeite mee, maar zijn slechte humeur was met één rozijntje meestal wel weer genezen.

Ik ben benieuwd hoe de beesten er morgenochtend bij zitten. Of ze niet ineens heel verbijsterd en met lange tanden aan hun ochtendbakje zitten. Wie verzint het immers, om 6.00 uur weer uit bed! Ik weet dat ik dat zelf ook wel even zal bedenken, ook al heb ik best zin om iedereen weer te zien. Collega’s met sterke of minder sterke verhalen, leerlingen met meer of minder enthousiasme. Eindeloze praatjes en veel kopjes koffie, meteen in de eerste week al twee keer uit eten.

Na een week zijn de poezen en ik het allemaal wel weer gewend. Zes weken routine volgen, maar dan hebben we alweer vakantie. Het zou toch eigenlijk verboden moeten worden…

Ik ga op reis. Oh. Nee. Of toch.

Hoe het met me ging, vroeg coach M. me vanmiddag, tijdens het eerste begeleidingsgesprek van de master Educational Needs. Ik zei ‘goed’, waarna ik heel diep zuchtte en zij glimlachte, en lichtjes, maar onmiskenbaar achteroverleunde. Wat kan er in twee maanden een heleboel gebeuren. Ik startte met een studie en ik dacht, misschien naïef, dat dat toch gewoon een kwestie was van oppikken en doen.

Het bleek eerder een duik in het diepe, in dik en troebel water. Een reis door een schier ondoordringbaar woud vol interessante stof waar je wel even over door kon bomen. In het digitale struikgewas ruiste er om iedere hoek een nieuwe uitdaging, en die uitdaging vond ik niet alleen op die éne hoek terug, maar ook op een andere, en nog een andere, en dan steeds net iets anders omschreven. Mappen en mapjes vol kekke presentaties en zogenaamde silverpoints, links naar seminars, vakoverstijgende modules, en roosters, planningen, lesvoorbereidingen, en…euh…volgt u het nog?

Ik ook niet. Het feit dat in mijn elektronische leeromgeving ook nog allerlei vakken en mapjes van vorige studies op deze hogeschool lagen te fermenteren, maakte het er niet beter op. Maar. ‘Het hoort erbij’, sprak coach M. ‘Het maakt deel uit van de dirty business of learning.’ Inmiddels heb ik mijn weg wel gevonden, maar het was aanvankelijk een beetje alsof ik tussen al het losse zand zelf maar een emmertje en schepje moest vinden. En het water, om van dat losse zand mijn eigen kasteel te bouwen. Niet per se aan zee.

Toch geniet ik ervan, met volle teugen. Van iedere keer dat we met de studiegroep bij elkaar komen in Zwolle. Van de nieuwe boeken die ik bestel. Van al die interessante artikelen die ik lees. Ik geniet ook enorm van de gesprekken met Chef, die nog meer van betekenis worden nu ze ook nog eens mijn werkplekbegeleider voor de studie is.

Ze stond, en staat, vierkant achter mijn plan om op reis te gaan voor mijn studie. Naar Denemarken, Canada, New York, of waar ook heen. Die week konden ze mij wel missen. (Of zouden ze er op de school diep in Drenthe meteen een rustweek van maken, zo zonder mij?) Toch ging ook die procedure niet zonder slag of stoot. De eerste keer dat ik me in wilde schrijven, crashte het systeem. De tweede keer dat ik het probeerde, leek het te lukken en Chef maakte glunderend een foto van het bevestigingsbericht. Helaas bleek er een enorm datalek geweest te zijn en moest alles weer opnieuw.

Ik zou op reis. En toen weer niet. En toen weer wel. En toch weer niet. En nu, na een derde inschrijvingspoging, lijk ik echt te gaan. Niet naar Denemarken. Niet naar Zwolle. En nee, niet naar New York. IJs en weder dienende, Deo Volente en wat dies meer zij…ben ik eind mei 2018 een hele week in Canada. Ik heb gelukkig dus nog even tijd om er ook werkelijk in te gaan geloven.

Denemarken

(Naar Denemarken moeten we dan maar weer ‘gewoon’ op vakantie.)

Overmeesterd

De eerste week van het nieuwe schooljaar is weer voorbij. Een week waarin ik heb kunnen zien dat mijn mentorklas een gezellig zooitje is dat vast en zeker gedurende het schooljaar voor een verrassing of wat zal zorgen. Het was een week waarin ik de zorgvuldig voorbereide lessen in de prullenbak kon gooien en fijn mocht improviseren, want de uitgeverij van ons lesmateriaal had zijn zaken nog niet voor elkaar.

Het was ook een week waarin gevierd werd dat het personeel het hele jaar weer met elkaar mocht optrekken. In en rond de vesting Bourtange vond een personeelsfeestje plaats, waarbij teamleider M. en ik al snel hadden besloten dat het uitermate relaxed was om vanuit een kayak, op kabbelend water, te filosoferen over het leven in het algemeen en het schoolleven in het bijzonder. Wat ook bijzonder was, was dat men er blijkbaar dacht dat vegetariërs geen geroosterde etenswaren blieven. Waar de omnivoren genoten van bruinverbrande worsten en spiezen van de barbecue, kregen collega B. en ik een bord vol sla, patat en iets onbestendigs in bladerdeeg. Prima binnen te houden, begrijp me niet verkeerd, maar toch. Bijzonder.

Oh ja. En dan was het ook de week waarin dat ene, nieuwe avontuur begon: de Master Educational Needs. Woensdag voorbereiden, gisteren en vandaag lessen, praatrondes en een heuse masterclass. Heel eerlijk: het duizelde me woensdag wel toen ik me door alle documenten, artikelen, boeken en filmpjes heen probeerde te worstelen. Maar vrijdag zaten we dan bij elkaar op de hogeschool in Zwolle: twaalf vrouwen, twee mannen en één coach. En toen veranderde dat gevoel in een engige euforie die ik normaliter alleen bij Buitenkunst voel.

Fucking hell, ik doe een Master!, dacht ik op een gegeven moment, en ik begon een beetje te zweven, terwijl ik mijn zakdoek zocht. Ik vroeg me ook af hoeveel masters ik in mijn leven nog zou kunnen doen, want het was toch wel erg leuk en, nou, euh…misschien dat ik voor nu dan die twee modules die ik alletwee geweldig vond ook tegelijk kon volgen en… Ja. Oké. Daar schoot ik een beetje door.

Maar toch. Vanmiddag gingen we lunchen met onze ‘klas’, na een fantastische ochtend waarin ik oud-collega I. tegen het lijf liep en ook collega M. van de buurlocatie. Beide doen ze dezelfde master als ik, maar dan met een andere afstudeerrichting. Wie weet wat we elkaar later nog te vertellen hebben. We luisterden met alle studenten samen naar een masterclass over miscommunicatie, waarbij veel gelachen werd en we leerden ook nog eventjes driestemmig een Beatle-liedje zingen.

En toen dus die door de hogeschool prima verzorgde lunch. Papieren zakjes met diverse broodjes. We gooiden de inhoud, die netjes verpakt was, op tafel bij elkaar. ‘Wil jij mijn broodje gezond?’ vroeg medestudent E. Ik knikte. Gaf haar mijn bruine broodje cervelaat. Ik keek links. Ik keek rechts. En ik zag dat het om te beginnen in ieder geval ongelooflijk goed was.
Yes we can!