Overkokende chili en het blauw van de zee en de liefde

Afgelopen vrijdag liep het al tegen enen in de middag voor ik dan eindelijk mijn rugzak inpakte, mijn sjaal vergat maar de partituren gelukkig niet, en racete richting boot naar Ameland. Voor de tweede keer mocht ik mee met Ameland Acappela, en waar ik vorig jaar vooral in spanning zat, was het nu vooral een prettig vooruitkijken naar wat er nu dan komen zou.

Een groot deel van de mensen kende ik nu, en het begroeten met veel armen en zoenen en enthousiaste uitroepen van plezier was nu geen activiteit waar ik van opkeek, maar vooral een happening waar ik zelf actief aan meewerkte. Ook het kleine deel van de groep dat ik drie weken eerder nog gezien had, benaderde dit startritueel alsof we elkaar minstens een jaar niet hadden gezien.

De toon werd, zogezegd, direct gezet, de verhoudingen waren duidelijk en het stapelbed was zelfs al half en half gereserveerd. Ik lag naast N., die daardoor totaal onterecht van hevig snurken werd verdacht, maar ja, toegeven dat ik het ben, kan natuurlijk zorgen voor minpunten op de selectielijst voor een volgende keer. Sorry, N.

Maar dan het zingen nog. De ‘ripe and fresh tomatoes’ uit het lied ‘Chili Con Carne’ leken op vrijdag nog een beetje op cherrytomaatjes die net iets te lang gelegen hadden. De noten in ‘Blue’ sprongen regelmatig onder mijn vingers weg en ‘Don’t stand so close to me’ leek een metafoor voor een liedje dat mij liever uit de buurt hield. Gelukkig was er ‘To make you feel my love’ en daar hebben we altijd alles voor over, en over liefde zeg je sowieso geen nare dingen.

Dirigent Juliëtte was echter flabbergasted en sprong enthousiast voor ons langs. Zo fijn dat wij zo hard hadden gestudeerd in de maanden voorafgaand aan dit muzikale avontuur. Evengoed kregen we er op magistraal energieke wijze van langs tijdens de repetities, al hadden we zelf totaal niet in de gaten dat we steeds resoluut op de juiste plek van de notenbalk werden gezet. Wat deed ze dat lieflijk, wat lachte ze er vriendelijk bij en wat deed ze bijzondere dansjes. Stiekem werden we allemaal een beetje verliefd op Juliëtte, en deden alles ‘to make her feel our love’.

Hard werken en liederlijk ontspannen was het, dit weekend, waarin de liedjes steeds fijner gingen lopen, met steeds een stukje meer beheerste ingrediënten van dat ene wel heel speciale lied. Het kloppen, mixen, roeren, de ritmes, de refreinen, het werd duidelijk dat we werkten aan een tweede Michelinster voor de muziek. En vanmiddag was er dan publiek dat naar ons miniconcert kwam luisteren. Stoelen moesten bijgesleept, de spanning liep op als de temperatuur in een pan chili op inductie.

Juliëtte sleepte ons via een voorafje gebaseerd op Bach, via de ene liefde naar de andere liefde van Joni Mitchel, Sting en Bob Dylan naar die vermaledijde snelkookpan vol chili. Het slotakkoord was een vreugdekreet, en onverwacht de opmaat voor een toetje. Omdat we ons zo knap door het diner hadden gewerkt, kwam nog een keer het Bach-dingetje. En toen was het echt voorbij.

Tijd voor drank. Tijd voor mooie woorden. Tijd voor een dikke knuffel voor E., die dit jaar niet meedeed, maar wel even kwam kijken en de emotionele kraan bij me flink open zette. Bij het drankenkarretje raadde M. me daarom met een uitgestreken gezicht aan ‘iets droogs’ te nemen, al kon dat in mijn geval de stroom niet meer stelpen.

Muziek doet rare dingen met je hart en je brein, dat weet ik intussen, maar toch word ik er steeds weer door verrast. Het totale vergeten van die volle agenda en ander ‘gedoe’, dat je graag eens opzij wilt zetten, maar dat alleen door muziek ook ineens echt even verdwijnt. Het uiten van een ‘ba-bap-ba-ba-da’, waardoor je in een milliseconde in een lied zit. Elkaar met een groepje aankijken op de veerboot, op weg naar huis, en dan toch nog, nog één keer door de liedjes heen. De chili kookt nog één keer over. Bij ‘Blue’ zijn we niet zeker. Juliëtte zegt: ‘We zien wel hoe ver we komen.’

En we gaan. Verder. En verder.

Veel verder. Dan in enig leven zonder muziek.

De chili (sin carne, maar met zoete aardappel) van de Blendettes was een feestje op een bord.

Spicy nootjes in Friesland

‘Alweer een jaar voorbij!’ Zoiets klonk er gisteren in het dorpshuis in het lieflijke Beetsterzwaag. Het is alweer een jaar geleden dat er pre-repetities plaatsvonden voor Ameland Acappella. Een jaar geleden dat ik dat voor het eerst meemaakte.

Ook nu was het weer een tocht door donker Friesland, maar nu met betere TomTom en ik arriveerde dus op tijd. Iets wat me vorig jaar met geen mogelijkheid lukte. Het was fijn om diverse bekenden te zien, iets wat vorig jaar toch ook heel anders was.

Vorig jaar was ik aanvankelijk lichtelijk geïntimideerd, enerzijds door het feit dat ik niemand kende, anderzijds om het niveau van de deelnemers aan dit fijne zangfestival. Bessen en Assen vlogen me om de oren, en ik had het idee dat ik nog niet veel meer deed dan het zoeken van de juiste maat bij het te zingen woord.

Ronduit onder de indruk was ik van een deelneemster, die als mezzo in haar eentje zat. Het leek me doodeng, want het gáát al niet vlekkeloos bij pre-repetities (ook niet bij repetities, trouwens), maar dan ook nog in je eentje die regels en noten moeten uitproberen? Brrr. Respect!

Gisteren waren W. en ik de enige dames in het pand. ‘Wat zing jij?’ vroeg ik, en W. was een alt. ‘Oh.’ deed ik zachtjes. Want dit jaar was ik geen alt, maar mezzo. En dus waren we allebei ‘alleen’. En ik voelde heel even mijn bloeddruk stijgen, maar dat is met mijn gewoonlijke ‘105 over 55’ misschien niet eens zo gek. ‘God zegene de greep’, bedacht ik. En ik zong.

En een uurtje of anderhalf later zong ik nog steeds niet alle noten zuiver, maar het swingende ‘Chili con carne’ galmde toch lekker door het pand en het kon me niet schelen wie me met de pannen, oh sorry, de noten hoorde gooien.

Dat zegt misschien iets over de groep waarmee ik zingen mocht. Het zegt misschien ook wel iets over wat zingen met je doet, zeker in de loop van jaren. Het zei mij in ieder geval, dat ik me enorm heb vermaakt en gruwelijk veel zin heb in het uiteindelijke festijn op Ameland.

Nog drie weken…

Genoeg om de tanden in te zetten

Een goede generale

In september waren we al begonnen met repeteren. Een beetje kerstliedje heeft tenslotte tijd nodig. Bovendien is kerst nooit vervelend, dus genoten we er ook in september al van. Ok, er zàt één liedje bij waar we met zijn allen een beetje een punthoofd van kregen, zo lastig was het ritme. Maar toch. Ook ‘Kerstmis met joe’ van Daniël Lohues kreeg een plaatsje in ons hart. Sort of.

Het werd december. Het grote kerstconcert lag voor de deur. En we grapten al dat de generale best slecht mocht gaan, want dan… Maar toen. We zetten het eerste gezamenlijke lied in met het mannenkoor waarmee we samen zouden zingen. Het was als een tsunami van zware stemmen, waar we ineens een beetje tegenop leken te boksen.

We gingen verder met de repetitie van ons eigen repertoire. Het eerste nummer ging wat voorzichtig. Het tweede nummer liep wat raar, net als drie en vier en bij het vijfde ging koorlid B. verschrikkelijk lelijk kijken. Waar bleven de bassen bij nummer zes, en vergaten de alten niet iets bij nummer zeven? Bij acht kreeg ik geen normale noot meer uit de strot. De dirigent ging steeds dieper zuchten, en in de pauze staarde G. verstild in de verte, de blik op hopeloos en reddeloos verloren.

‘s Nachts plakte ik alle bladmuziek in een zwart mapje dat ik tijdens de uitvoering als een talisman tegen mijn lijf zou houden. Alsof die regels op papier mijn vege lijf konden redden. Ik trok de volgende avond mijn nette jurkje aan en mompelde iets van ‘God zegene de greep’ en toen moest het maar.

De dirigente haalde diep adem. Of we even onszelf wilden herpakken. We wàren geen mannenkoor en hoefden daar ook niet tegenin. We zongen gewoonlijk zo mooi, er was geen reden er zo’n rommeltje van te maken als we op de generale deden. Als we nou gewoon eens deden wat we altijd deden. Onszelf bleven, met onze eigen kracht.

En ik dacht: vooruit, en na het inzingen kwamen de eerste serieuze melodieën. Ik keek links, waar J. de stem had hervonden die ze gisteren wat kwijt was. Bij dat ene nummer, waar ik tijdens de generale in mijn eentje wat ielig had geklonken, waren we nu ‘gewoon’ met zijn drieën. B. keek lang niet lelijk meer. En de bassen en tenoren pakten de lijntjes precies waar ze moesten zijn.

De avond liep fantastisch. De man mopperde nog wel iets van dat het bij ons toch altijd hetzelfde liedje was, maar potverdorie, wat kunnen we mooi zingen. En ik liep weer op wolkjes na afloop en ik bedacht dat onze dirigente wel erg gelijk had.

We moeten ons nooit vergelijken met een ander. Als koor hoeft dat dus ook niet met een ander koor. En voor mij geldt dat onze kracht toch echt ligt in het gezamenlijke. In mijn eentje, merk ik, breng ik geen donder klaar. Samen, dan wordt het ineens een heel ander verhaal. Een heel ander liedje. Wat dan ineens best méér dan te pruimen valt.

Cheek to cheek op Ameland

De weersvooruitzichten waren niet best, voor dit weekend. In de rugzak ging dus naast een stapeltje bladmuziek een regenjas mee. En een extra dikke trui. En een boek. Voor als er een moment zou zijn waarop er even niets zou zijn. Of niemand.

Op de boot zag ik S. al, die ik eerder tijdens een repetitie diep in Friesland trof. Zijn witte kuif stak herkenbaar overal bovenuit. Ik zwaaide, maar bleef nog even op mijn eigen stek om de werkweek te laten verwaaien. Vlak voor de boot bij Nes aanmeerde, schudde ik S. de hand en probeerde de namen te onthouden van alle dames die bij hem zaten. Het lukte toen nog niet.

We stapten in een taxi-busje en reden naar kampeerboerderij Blierherne, waar het hele weekend gezongen zou worden, onder begeleiding van dirigent Hans Kaldeway. Ik kende de beste man totaal niet, maar aan het eind van het weekend overlaadde ik hem met zoveel lovende woorden dat ik zelf ineens bedacht dat het wel leek of ik iets speciaals van hem wilde. Gelukkig bleken meer zangers erg enthousiast over hem en verbleekte mijn adoratie daardoor weer naar een sociaal acceptabel niveau.

Maar dat wist ik dus allemaal nog niet bij aankomst. Ik wist alleen dat ik zou zingen. Ik wist dat ‘Cheek to cheek’ een retemoelijk liedje was. En verder zou ik alles wel zien. Bij de ingang van het pand ontwikkelde zich een grote kluwen van zangers en zangeressen, die elkaar al zoenend en gillend om de hals vlogen. Organisator D. bezag mijn ietwat verbouwereerde gezicht en sprak de bezwerende woorden: ‘Dat doe jij ook aan het eind van dit weekend.’ En ik denk dat ik iets geantwoord heb van ‘hmhm’, want meer kon ik er toen niet over zeggen.

Ik gooide mijn rugzak op een stapelbed en zocht een eerste groepje op. Ik kwam in mijn eentje en ik had bedacht dat ik simpelweg iedereen een keer wilde spreken. Een interessante stoelen- en tafeldans zorgde ervoor dat ik dat doel ruimschoots behaalde. Meer dan eens hoorde ik: ‘Wat moedig dat je toch alleen bent gekomen.’, en steeds dacht ik dat dat misschien zo was, maar ik heb geen moment bedacht dat ik het niet had moeten doen. ‘Je moet het wel heel bont maken, wil je het in deze groep niet redden’, zei iemand tegen me. Het bleek dat er ooit wel iemand zijn uiterste best had gedaan, maar dat leek me best een heel werk.

Het was een warm bad dat 48 uren duurde. Met iedere ontmoeting groeide het aantal mooie verhalen. Met iedere workshop steeg de temperatuur een aantal graden, al kon dat misschien toch ook aan dat vermaledijde nummer van Irving Berlin liggen. Ik bedacht hoe heerlijk ik het toch vond dat er iedere seconde, op iedere meter, wel iets klonk van een lied. Hoe fijn het is als pauzes tussen repetities voorzien zijn van koek en thee, en tegelijkertijd niet al te lang duren.

Ik heb genoten van halve liedjes en hele refreinen, van spontane, vocale jamsessies en wandelingen door bos en langs zee. Steeds ergens anders aan tafel tijdens de heerlijke maaltijden, verzorgd door The Blendets (of Blendettes?), een viertal dames dat de scepter zwaaide over de keuken en ons schandelijk verwende.

Het was niet anders dan een feestje om te leren van dirigent Hans, die ik niet zómaar bewierookte. Met kleine, haast achteloos lijkende oefeningetjes en energieke gebaren bracht hij ons tot resultaten die ikzelf in ieder geval nooit had bedacht. Na het optreden van zondagmiddag zei een toeschouwer dat hij niet wist wat hij mooier vond: luisteren naar het koor of kijken naar de dirigent. En ik snapte dat.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er is gemakkelijk een boekwerkje te vullen met verhalen en emoties, ontstaan tijdens een weekend samen zingen in een fijne kampeerboerderij op het mooie Ameland. Het doet blijkbaar ook gekke dingen met je, merkte ik toen ik na afloop met de rugzak op naar de veerdam liep. Al dromend, over dat rondje zoenen en cheek to cheek beloven dat we elkaar ooit weer zouden zien, stond ik blijkbaar iets te lang stil op een kruispunt. Een politiewagen stopte naast me en een agent vroeg me of het echt wel ging. Tegelijkertijd reed zangeres W. op het fietspad naast oom agent, wat volgens mij ook niet helemaal de bedoeling was.

De boot die ik zou nemen had een technisch defect. Het verblijf moest nog een half uur langer duren. Het weer werd met de minuut slechter. De hemel huilde tranen met dikke tuiten ten afscheid. Het had geen passender weer kunnen zijn.

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd...

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd…

Een Fries avontuur op de vrijdagavond

Een paar jaar geleden trapte ik er ook al eens in: een avontuurtje waarvan ik de gevolgen niet kon overzien. Ergens op Facebook stond een aankondiging voor een zangweekend op Terschelling. Omdat ik nèt verhuisd was en nèt was afgestudeerd aan de lerarenopleiding, dacht ik dat ik àlles wel kon en ik schreef me ervoor in.

Met bibberende knieën stapte ik de boot op naar Terschelling, waar mensen waren die ècht konden zingen en dat ook nét iets vaker deden dan ik. Gek genoeg ging het af en toe zelfs goed en de verbijstering, die eerst grondde in de zekerheid dat ik weer eens te ver was gegaan, sloeg halverwege het weekend om in de overtuiging dat het goed is om af en toe eens iets nieuws te proberen. Met een voldane grijns stapte ik op zondag weer op het vasteland.

En ja. Dat zingen moest door. Want ik had er wel enorme lol in. Iedere dinsdag zing ik nog steeds bij ‘God zegene de greep’. Zo noemt de man ons, al gebruiken wij zelf meestal onze echte naam: Gospelgroep Marturia. Naast de gezellige avondjes op de dinsdag verlustig ik me ook regelmatig aan zangworkshops op Buitenkunst. Van smartlappen tot barokpareltjes, van rock tot close harmony. Van overmoed via mislukking naar een tevreden stukje geneurie. En alles, zo’n beetje alles, daartussen.

En nu dus: Ameland Acappella. Net als bij ‘Terschelling’ ontdekt via Facebook en vooruit: laten we eens gek doen. Een weekend op een eiland, dat in ieder seizoen immers op zichzelf al een cadeautje is, en dan ook nog eens zingen, wat als activiteit op zich al een cadeautje….u begrijpt het. Er kwam een lijst met liedjes. Er kwamen papieren om te downloaden, en midi-files om te oefenen. Oh. Oefenen. En repeteren. Of ik dat dan ook wel wilde doen. Gisteren, in Friesland dus. En daar gingen toch weer wat bibberende knieën, vanwege de toch wel lastige nummers, al kon het ook aan de haperende navigatie liggen, want zie ergens in het donker maar ergens op het Friese platteland de plek te vinden waar je moet zijn. Ik ging uiteindelijk maar op de muziek af.

En daar zat ik dan. Middenin een groep zangers die elkaar al jaren leken te kennen. Er stonden kekke standaards met kekke iPads, maar gelukkig waren er ook partituren met markeerstift en pen beschreven. En met vouwen en kreukels, zoals die van mij. We zongen, en verrek, tussen een aantal ontieglijk overtuigend valse noten, ging het af en toe best goed. Het was bovenal meteen gezellig, omdat muziek volgens het cliché ook nu weer verbond.

Over vijf weken gaat de boot naar Ameland. Als de repetitieavond van gisteren een aanwijzing is voor hoe het dan zal gaan, kan het nu al niet meer stuk. Behalve mijn bladmuziek, wellicht. Die is tegen die tijd versleten van het omslaan. Gelukkig kan ik ze nog wel een keer printen.

Oefenen

Feestje op de zondagmiddag

We hadden een plan. Geen idee meer wat de precieze aanleiding was, of wanneer het was, maar: er moest iets van een concert komen. Een bedankje voor trouwe donateurs van ons enthousiast, maar piepklein koor. En als we dan toch bezig waren, dan konden er ook anderen komen. Hoe meer zielen, hoe meer…enfin.

Maanden later herinnerden we elkaar aan ons idee. Oh ja, het donateursconcert. Iets met liedjes, en dan moest er een poster en een advertentie. En een actie met pepernoten. Of banketstaven. Of allebei. Presenteren we nog hapjes in de pauze? Geen koffie of thee?

Ik begin er langzamerhand aan te wennen, aan de manier waarop Gospelgroep Marturia haar activiteiten organiseert. Heel veel ideeën zijn er, er is minstens net zo veel enthousiasme, maar de precieze uitwerking volgt nog net niet ná de activiteit zelf. Soms spiek ik voorzichtig richting dirigent: krijgt ze nu nog steeds geen punthoofd van ons?

Maar. We stonden er vanmiddag. Met zijn allen, of bijna toch. Alle posters opgehangen, de advertentie in het dorpskrantje, alle hapjes gemaakt en de liedjes…hoe zat het met de liedjes? Er moest ergens nog een liedje bij, en uit de lijst met keuzeliedjes mochten er nog twee verdwijnen. Hoeveel kostten de drankjes ook weer? Ergens was nog een koorlid intekenlijsten voor de banketstaven aan het printen.

De zenuwen hingen achter de stembanden. Het uur van de waarheid wel erg dichtbij. Hoeveel mensen zouden er komen? Tien? Twintig? Geen? De deur ging open. De eerste bezoekers zochten hun plek. Er kwamen meer luisteraars, en nog meer, en hoewel de kerk niet vol zat, werd het toch een fijne, gezellige boel.

We hielden onze praatjes. We declameerden stukken van een prachtig gedicht. We zongen, als koor, maar ook samen met het enthousiaste publiek. We lieten horen aan welk lied we op dit moment werkten en ja, dát was dan ook duidelijk te horen, hoe mooi het ook over een paar weken hopelijk zal zijn.

Het werd een fijn en informeel kijkje in de keuken van ons kleine koor. ‘Een vriendengroep’, zei de dirigent, nadat ze zelf, als slot, het verzoeknummer ‘You’ve got a friend’ aanvroeg. Af en toe, zoals dat bij vrienden gaat, dan is er wel eens wat, zo vertelde ze het publiek, maar dan wordt dat stevig uitgesproken, en zoals dat bij goede vrienden gaat, gaan we daarna weer verder.

En ik keek naar die vrienden, en ik bedacht dat ik het inmiddels blijkbaar vanzelfsprekend vond, terwijl het dat toch absoluut niet is. Dit zooitje ongeregeld, dat er simpelweg IS als er iets moet gebeuren. Dat het toch elke keer weer flikt. Dat elkaar waardeert, en op hun eigen, unieke manier van elkaar houdt.

En dat je als aangetrouwd lid van die vriendschap ook mag genieten, mocht ook de man ervaren, die op zijn Marturia’s, terecht, stevig toegesproken werd toen hij ook nog even kwam kijken. Precies op het moment dat de afwas gedaan werd en het gros van de mensen weer huiswaarts ging.

...en we gingen toch nog in een rechte lijn naar huis...

…en we gingen toch nog in een rechte lijn naar huis…