Een goede generale

In september waren we al begonnen met repeteren. Een beetje kerstliedje heeft tenslotte tijd nodig. Bovendien is kerst nooit vervelend, dus genoten we er ook in september al van. Ok, er zàt één liedje bij waar we met zijn allen een beetje een punthoofd van kregen, zo lastig was het ritme. Maar toch. Ook ‘Kerstmis met joe’ van Daniël Lohues kreeg een plaatsje in ons hart. Sort of.

Het werd december. Het grote kerstconcert lag voor de deur. En we grapten al dat de generale best slecht mocht gaan, want dan… Maar toen. We zetten het eerste gezamenlijke lied in met het mannenkoor waarmee we samen zouden zingen. Het was als een tsunami van zware stemmen, waar we ineens een beetje tegenop leken te boksen.

We gingen verder met de repetitie van ons eigen repertoire. Het eerste nummer ging wat voorzichtig. Het tweede nummer liep wat raar, net als drie en vier en bij het vijfde ging koorlid B. verschrikkelijk lelijk kijken. Waar bleven de bassen bij nummer zes, en vergaten de alten niet iets bij nummer zeven? Bij acht kreeg ik geen normale noot meer uit de strot. De dirigent ging steeds dieper zuchten, en in de pauze staarde G. verstild in de verte, de blik op hopeloos en reddeloos verloren.

‘s Nachts plakte ik alle bladmuziek in een zwart mapje dat ik tijdens de uitvoering als een talisman tegen mijn lijf zou houden. Alsof die regels op papier mijn vege lijf konden redden. Ik trok de volgende avond mijn nette jurkje aan en mompelde iets van ‘God zegene de greep’ en toen moest het maar.

De dirigente haalde diep adem. Of we even onszelf wilden herpakken. We wàren geen mannenkoor en hoefden daar ook niet tegenin. We zongen gewoonlijk zo mooi, er was geen reden er zo’n rommeltje van te maken als we op de generale deden. Als we nou gewoon eens deden wat we altijd deden. Onszelf bleven, met onze eigen kracht.

En ik dacht: vooruit, en na het inzingen kwamen de eerste serieuze melodieën. Ik keek links, waar J. de stem had hervonden die ze gisteren wat kwijt was. Bij dat ene nummer, waar ik tijdens de generale in mijn eentje wat ielig had geklonken, waren we nu ‘gewoon’ met zijn drieën. B. keek lang niet lelijk meer. En de bassen en tenoren pakten de lijntjes precies waar ze moesten zijn.

De avond liep fantastisch. De man mopperde nog wel iets van dat het bij ons toch altijd hetzelfde liedje was, maar potverdorie, wat kunnen we mooi zingen. En ik liep weer op wolkjes na afloop en ik bedacht dat onze dirigente wel erg gelijk had.

We moeten ons nooit vergelijken met een ander. Als koor hoeft dat dus ook niet met een ander koor. En voor mij geldt dat onze kracht toch echt ligt in het gezamenlijke. In mijn eentje, merk ik, breng ik geen donder klaar. Samen, dan wordt het ineens een heel ander verhaal. Een heel ander liedje. Wat dan ineens best méér dan te pruimen valt.

Cheek to cheek op Ameland

De weersvooruitzichten waren niet best, voor dit weekend. In de rugzak ging dus naast een stapeltje bladmuziek een regenjas mee. En een extra dikke trui. En een boek. Voor als er een moment zou zijn waarop er even niets zou zijn. Of niemand.

Op de boot zag ik S. al, die ik eerder tijdens een repetitie diep in Friesland trof. Zijn witte kuif stak herkenbaar overal bovenuit. Ik zwaaide, maar bleef nog even op mijn eigen stek om de werkweek te laten verwaaien. Vlak voor de boot bij Nes aanmeerde, schudde ik S. de hand en probeerde de namen te onthouden van alle dames die bij hem zaten. Het lukte toen nog niet.

We stapten in een taxi-busje en reden naar kampeerboerderij Blierherne, waar het hele weekend gezongen zou worden, onder begeleiding van dirigent Hans Kaldeway. Ik kende de beste man totaal niet, maar aan het eind van het weekend overlaadde ik hem met zoveel lovende woorden dat ik zelf ineens bedacht dat het wel leek of ik iets speciaals van hem wilde. Gelukkig bleken meer zangers erg enthousiast over hem en verbleekte mijn adoratie daardoor weer naar een sociaal acceptabel niveau.

Maar dat wist ik dus allemaal nog niet bij aankomst. Ik wist alleen dat ik zou zingen. Ik wist dat ‘Cheek to cheek’ een retemoelijk liedje was. En verder zou ik alles wel zien. Bij de ingang van het pand ontwikkelde zich een grote kluwen van zangers en zangeressen, die elkaar al zoenend en gillend om de hals vlogen. Organisator D. bezag mijn ietwat verbouwereerde gezicht en sprak de bezwerende woorden: ‘Dat doe jij ook aan het eind van dit weekend.’ En ik denk dat ik iets geantwoord heb van ‘hmhm’, want meer kon ik er toen niet over zeggen.

Ik gooide mijn rugzak op een stapelbed en zocht een eerste groepje op. Ik kwam in mijn eentje en ik had bedacht dat ik simpelweg iedereen een keer wilde spreken. Een interessante stoelen- en tafeldans zorgde ervoor dat ik dat doel ruimschoots behaalde. Meer dan eens hoorde ik: ‘Wat moedig dat je toch alleen bent gekomen.’, en steeds dacht ik dat dat misschien zo was, maar ik heb geen moment bedacht dat ik het niet had moeten doen. ‘Je moet het wel heel bont maken, wil je het in deze groep niet redden’, zei iemand tegen me. Het bleek dat er ooit wel iemand zijn uiterste best had gedaan, maar dat leek me best een heel werk.

Het was een warm bad dat 48 uren duurde. Met iedere ontmoeting groeide het aantal mooie verhalen. Met iedere workshop steeg de temperatuur een aantal graden, al kon dat misschien toch ook aan dat vermaledijde nummer van Irving Berlin liggen. Ik bedacht hoe heerlijk ik het toch vond dat er iedere seconde, op iedere meter, wel iets klonk van een lied. Hoe fijn het is als pauzes tussen repetities voorzien zijn van koek en thee, en tegelijkertijd niet al te lang duren.

Ik heb genoten van halve liedjes en hele refreinen, van spontane, vocale jamsessies en wandelingen door bos en langs zee. Steeds ergens anders aan tafel tijdens de heerlijke maaltijden, verzorgd door The Blendets (of Blendettes?), een viertal dames dat de scepter zwaaide over de keuken en ons schandelijk verwende.

Het was niet anders dan een feestje om te leren van dirigent Hans, die ik niet zómaar bewierookte. Met kleine, haast achteloos lijkende oefeningetjes en energieke gebaren bracht hij ons tot resultaten die ikzelf in ieder geval nooit had bedacht. Na het optreden van zondagmiddag zei een toeschouwer dat hij niet wist wat hij mooier vond: luisteren naar het koor of kijken naar de dirigent. En ik snapte dat.

En zo kan ik nog wel even doorgaan. Er is gemakkelijk een boekwerkje te vullen met verhalen en emoties, ontstaan tijdens een weekend samen zingen in een fijne kampeerboerderij op het mooie Ameland. Het doet blijkbaar ook gekke dingen met je, merkte ik toen ik na afloop met de rugzak op naar de veerdam liep. Al dromend, over dat rondje zoenen en cheek to cheek beloven dat we elkaar ooit weer zouden zien, stond ik blijkbaar iets te lang stil op een kruispunt. Een politiewagen stopte naast me en een agent vroeg me of het echt wel ging. Tegelijkertijd reed zangeres W. op het fietspad naast oom agent, wat volgens mij ook niet helemaal de bedoeling was.

De boot die ik zou nemen had een technisch defect. Het verblijf moest nog een half uur langer duren. Het weer werd met de minuut slechter. De hemel huilde tranen met dikke tuiten ten afscheid. Het had geen passender weer kunnen zijn.

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd...

Thuis wordt mijn gezang wat minder gewaardeerd…

Een Fries avontuur op de vrijdagavond

Een paar jaar geleden trapte ik er ook al eens in: een avontuurtje waarvan ik de gevolgen niet kon overzien. Ergens op Facebook stond een aankondiging voor een zangweekend op Terschelling. Omdat ik nèt verhuisd was en nèt was afgestudeerd aan de lerarenopleiding, dacht ik dat ik àlles wel kon en ik schreef me ervoor in.

Met bibberende knieën stapte ik de boot op naar Terschelling, waar mensen waren die ècht konden zingen en dat ook nét iets vaker deden dan ik. Gek genoeg ging het af en toe zelfs goed en de verbijstering, die eerst grondde in de zekerheid dat ik weer eens te ver was gegaan, sloeg halverwege het weekend om in de overtuiging dat het goed is om af en toe eens iets nieuws te proberen. Met een voldane grijns stapte ik op zondag weer op het vasteland.

En ja. Dat zingen moest door. Want ik had er wel enorme lol in. Iedere dinsdag zing ik nog steeds bij ‘God zegene de greep’. Zo noemt de man ons, al gebruiken wij zelf meestal onze echte naam: Gospelgroep Marturia. Naast de gezellige avondjes op de dinsdag verlustig ik me ook regelmatig aan zangworkshops op Buitenkunst. Van smartlappen tot barokpareltjes, van rock tot close harmony. Van overmoed via mislukking naar een tevreden stukje geneurie. En alles, zo’n beetje alles, daartussen.

En nu dus: Ameland Acappella. Net als bij ‘Terschelling’ ontdekt via Facebook en vooruit: laten we eens gek doen. Een weekend op een eiland, dat in ieder seizoen immers op zichzelf al een cadeautje is, en dan ook nog eens zingen, wat als activiteit op zich al een cadeautje….u begrijpt het. Er kwam een lijst met liedjes. Er kwamen papieren om te downloaden, en midi-files om te oefenen. Oh. Oefenen. En repeteren. Of ik dat dan ook wel wilde doen. Gisteren, in Friesland dus. En daar gingen toch weer wat bibberende knieën, vanwege de toch wel lastige nummers, al kon het ook aan de haperende navigatie liggen, want zie ergens in het donker maar ergens op het Friese platteland de plek te vinden waar je moet zijn. Ik ging uiteindelijk maar op de muziek af.

En daar zat ik dan. Middenin een groep zangers die elkaar al jaren leken te kennen. Er stonden kekke standaards met kekke iPads, maar gelukkig waren er ook partituren met markeerstift en pen beschreven. En met vouwen en kreukels, zoals die van mij. We zongen, en verrek, tussen een aantal ontieglijk overtuigend valse noten, ging het af en toe best goed. Het was bovenal meteen gezellig, omdat muziek volgens het cliché ook nu weer verbond.

Over vijf weken gaat de boot naar Ameland. Als de repetitieavond van gisteren een aanwijzing is voor hoe het dan zal gaan, kan het nu al niet meer stuk. Behalve mijn bladmuziek, wellicht. Die is tegen die tijd versleten van het omslaan. Gelukkig kan ik ze nog wel een keer printen.

Oefenen

Feestje op de zondagmiddag

We hadden een plan. Geen idee meer wat de precieze aanleiding was, of wanneer het was, maar: er moest iets van een concert komen. Een bedankje voor trouwe donateurs van ons enthousiast, maar piepklein koor. En als we dan toch bezig waren, dan konden er ook anderen komen. Hoe meer zielen, hoe meer…enfin.

Maanden later herinnerden we elkaar aan ons idee. Oh ja, het donateursconcert. Iets met liedjes, en dan moest er een poster en een advertentie. En een actie met pepernoten. Of banketstaven. Of allebei. Presenteren we nog hapjes in de pauze? Geen koffie of thee?

Ik begin er langzamerhand aan te wennen, aan de manier waarop Gospelgroep Marturia haar activiteiten organiseert. Heel veel ideeën zijn er, er is minstens net zo veel enthousiasme, maar de precieze uitwerking volgt nog net niet ná de activiteit zelf. Soms spiek ik voorzichtig richting dirigent: krijgt ze nu nog steeds geen punthoofd van ons?

Maar. We stonden er vanmiddag. Met zijn allen, of bijna toch. Alle posters opgehangen, de advertentie in het dorpskrantje, alle hapjes gemaakt en de liedjes…hoe zat het met de liedjes? Er moest ergens nog een liedje bij, en uit de lijst met keuzeliedjes mochten er nog twee verdwijnen. Hoeveel kostten de drankjes ook weer? Ergens was nog een koorlid intekenlijsten voor de banketstaven aan het printen.

De zenuwen hingen achter de stembanden. Het uur van de waarheid wel erg dichtbij. Hoeveel mensen zouden er komen? Tien? Twintig? Geen? De deur ging open. De eerste bezoekers zochten hun plek. Er kwamen meer luisteraars, en nog meer, en hoewel de kerk niet vol zat, werd het toch een fijne, gezellige boel.

We hielden onze praatjes. We declameerden stukken van een prachtig gedicht. We zongen, als koor, maar ook samen met het enthousiaste publiek. We lieten horen aan welk lied we op dit moment werkten en ja, dát was dan ook duidelijk te horen, hoe mooi het ook over een paar weken hopelijk zal zijn.

Het werd een fijn en informeel kijkje in de keuken van ons kleine koor. ‘Een vriendengroep’, zei de dirigent, nadat ze zelf, als slot, het verzoeknummer ‘You’ve got a friend’ aanvroeg. Af en toe, zoals dat bij vrienden gaat, dan is er wel eens wat, zo vertelde ze het publiek, maar dan wordt dat stevig uitgesproken, en zoals dat bij goede vrienden gaat, gaan we daarna weer verder.

En ik keek naar die vrienden, en ik bedacht dat ik het inmiddels blijkbaar vanzelfsprekend vond, terwijl het dat toch absoluut niet is. Dit zooitje ongeregeld, dat er simpelweg IS als er iets moet gebeuren. Dat het toch elke keer weer flikt. Dat elkaar waardeert, en op hun eigen, unieke manier van elkaar houdt.

En dat je als aangetrouwd lid van die vriendschap ook mag genieten, mocht ook de man ervaren, die op zijn Marturia’s, terecht, stevig toegesproken werd toen hij ook nog even kwam kijken. Precies op het moment dat de afwas gedaan werd en het gros van de mensen weer huiswaarts ging.

...en we gingen toch nog in een rechte lijn naar huis...

…en we gingen toch nog in een rechte lijn naar huis…

Buitengewoon Buitenkunst

Het is alweer een week geleden. Kampeerbuurvrouw A. en ik stonden naast elkaar aan een enorme ezel en hadden van workshopleider Bouchaīb de opdracht gekregen iets te doen met portretten die op het verkeerde moment gemaakt waren.
Buurvrouw A. en ik, we gaapten eindeloos, luid en schaamteloos tussen het verfmengen door. We hadden ons haar met geen mogelijkheid geprobeerd in model te brengen, laat staan dat er iets van make-up op onze gezichten zwierf. We hadden het eerste het beste comfortabele kledingstuk over ons hoofd getrokken en op boerenklompen (ik) en rubberlaarzen (zij) hielden we ons op deze laatste ochtend van een week lang slaapgebrek staande.

Het was een week geweest waarin ik, zoals dat tijdens iedere Buitenkunst-experience gebeurt, volop in verwondering over het terrein zwierf. Soms in trance, schier lijdend aan het Florence-syndroom (google die maar even), maar dan niet vanwege de bouwwerken, maar meer vanwege de niet-te-vangen sfeer. Ik hoorde een andere buurvrouw aan de telefoon met een vriend. Ze was hier voor het eerst en verhaalde over hoe het hier ging. Hoe ze ‘s morgens haar workshop koos, hoeveel mensen er waren, en dat je daar toch niks van merkte. Hoe fijn het was en hoe moeilijk dat was uit te leggen.

We hadden het er later over. Dat je dit ook lastig uitleggen kunt. Dat je het simpelweg moet ervaren en dan gegrepen wordt door het virus, of niet. Dat ik het zo fijn vind dat onze jongens ook hebben ‘gebuitenkunst’ als kind, omdat ik geloof dat het ze iets extra’s bood. Hoe jammer zij het vond dat ze het daarvoor te laat ontdekte. En hoe je iedere dag opnieuw geraakt wordt. Dat het samen zingen, toneelspelen, schrijven, schilderen, dansen iets met je doet. Zonder dat het therapeutisch wordt, want daarvoor ben je hier ook weer niet.

Aan het eind van de week telde ik mijn zegeningen (en vergat prompt het zompige grasveld, de vele regen, de lekkende tent) en ik had geen idee waar ik moest beginnen met schrijven. Zoals vaker, schreef ik dan dus niet. Ik ratelde tegen de man. Het werd een kip-zonder-kop-verhaal, dat bijna een hele week duurde. Waarin ik bleef zemelen over het hele verliezen van mezelf in het knutselen aan een ‘interactieve kijkdoos’ en het schilderen van die bevreemdende portretten op de laatste dag. Ik bejubelde de ene buurvrouw na de andere, en nog een keer. En terwijl hij het door mij mede uitgevoerde ‘Ubi Caritas’ nog eens een keer beluisterde, sprak ik hem nogmaals verbijsterd toe over het feit dat hij het songfestivalwinnende ‘Net als toen’ van Corry Brokken niet kende. Vierstemmig ook leuk uitgevoerd.

Misschien dat hij daarom volgend jaar maar gewoon weer meegaat: om er toch nog een touw aan vast te kunnen knopen. Want om nu steeds na afloop een week raadselachtig hysterische jubelverhalen aan te horen…ik geloof dat ik ook eieren voor mijn geld zou kiezen. Dan liever een weekje kunstig modderen op een terrein zonder stroom. Graag wel zonder lekkende tent.

Uit de kluiten gewassen spiekbriefjes voor tijdens de uitvoeringen. Dat is ook Buitenkunst.

Uit de kluiten gewassen spiekbriefjes voor tijdens de uitvoeringen. Dat is ook Buitenkunst.

De klok wel horen luiden

Tijdens de eerste week van mijn vakantie probeer ik meestal in vegetatieve staat te verkeren: slapen, hangen, een laatste klusje, maar dan wel klein, een kwart rondje wandelen en een paar baantjes zwemmen, maar verder: NIETS. Awel. Of weinig dan toch. Nou ja.

Daar had ik dus weer even niet aan gedacht, toen voorzitter I. een poosje terug opperde dat we met het koor best aan de playbackshow van de Zweeler Markt mee konden doen. ‘Leuk, toch?’ Ja. Voor een lolletje zijn we meestal wel in en ‘impulsief’ is ook al zo’n beetje onze gedeelde ‘middle name’, net als ‘improvisatie’, maar dat uit veiligheidsoverwegingen terzijde. Dus.

We bedachten dat ‘Bimbam’ van André van Duin (ik ben de precieze titel even kwijt) wel een aardig liedje was. En van die vier monniken die er nodig waren, maakten we er simpelweg acht. En de klok die moest vallen, werd een klepel. En de tekst, nou ja. En die monnik die de hoogte in gaat, dat kan natuurlijk ook een monnik zijn die door het nuttigen van net iets te veel drank boven op de andere monniken zou denderen.

Van alles was mogelijk. En van alles werd bedacht. Het was pas gisterenavond op het podium, dat alle losse draadjes uit de grote, gezellige kluwen die Marturia heet, samenkwamen. En ik bedacht dat er vanaf het begin van het repetitietraject maar een paar dingen zeker waren: koorlid B. zou de monnik zijn die aan de drank ging. Koorlid H. degene met de aanwijzingen en de meeste tekst.

En A. oftewel Aart zou na afloop een ranja voor me halen, die toch rosé bleek te zijn. Een zekerheid die zo vaststaat, ook los van ons optreden, maar die me door mijn eindeloze goedgelovigheid toch weer wist te verrassen. Er gaat nog een tijd komen dat ik ga geloven dat je van ranja werkelijk dronken wordt. Tot dan toe laat ik me voor de veiligheid toch maar niet trakteren op meer dan één siroopje per keer…

(Oh ja. We wonnen niet, maar ligt natuurlijk gewoon aan een doorgestoken kaart…of net iets te veel ranja bij het stemmend publiek. Of moet dat net weer ‘te weinig ranja’ zijn?)

Of we nou moed proberen te verkrijgen 'uit de Hoge'....?

Of we nou moed proberen te verkrijgen ‘uit de Hoge’….?