Buitengewoon Buitenkunst

Het is alweer een week geleden. Kampeerbuurvrouw A. en ik stonden naast elkaar aan een enorme ezel en hadden van workshopleider Bouchaīb de opdracht gekregen iets te doen met portretten die op het verkeerde moment gemaakt waren.
Buurvrouw A. en ik, we gaapten eindeloos, luid en schaamteloos tussen het verfmengen door. We hadden ons haar met geen mogelijkheid geprobeerd in model te brengen, laat staan dat er iets van make-up op onze gezichten zwierf. We hadden het eerste het beste comfortabele kledingstuk over ons hoofd getrokken en op boerenklompen (ik) en rubberlaarzen (zij) hielden we ons op deze laatste ochtend van een week lang slaapgebrek staande.

Het was een week geweest waarin ik, zoals dat tijdens iedere Buitenkunst-experience gebeurt, volop in verwondering over het terrein zwierf. Soms in trance, schier lijdend aan het Florence-syndroom (google die maar even), maar dan niet vanwege de bouwwerken, maar meer vanwege de niet-te-vangen sfeer. Ik hoorde een andere buurvrouw aan de telefoon met een vriend. Ze was hier voor het eerst en verhaalde over hoe het hier ging. Hoe ze ‘s morgens haar workshop koos, hoeveel mensen er waren, en dat je daar toch niks van merkte. Hoe fijn het was en hoe moeilijk dat was uit te leggen.

We hadden het er later over. Dat je dit ook lastig uitleggen kunt. Dat je het simpelweg moet ervaren en dan gegrepen wordt door het virus, of niet. Dat ik het zo fijn vind dat onze jongens ook hebben ‘gebuitenkunst’ als kind, omdat ik geloof dat het ze iets extra’s bood. Hoe jammer zij het vond dat ze het daarvoor te laat ontdekte. En hoe je iedere dag opnieuw geraakt wordt. Dat het samen zingen, toneelspelen, schrijven, schilderen, dansen iets met je doet. Zonder dat het therapeutisch wordt, want daarvoor ben je hier ook weer niet.

Aan het eind van de week telde ik mijn zegeningen (en vergat prompt het zompige grasveld, de vele regen, de lekkende tent) en ik had geen idee waar ik moest beginnen met schrijven. Zoals vaker, schreef ik dan dus niet. Ik ratelde tegen de man. Het werd een kip-zonder-kop-verhaal, dat bijna een hele week duurde. Waarin ik bleef zemelen over het hele verliezen van mezelf in het knutselen aan een ‘interactieve kijkdoos’ en het schilderen van die bevreemdende portretten op de laatste dag. Ik bejubelde de ene buurvrouw na de andere, en nog een keer. En terwijl hij het door mij mede uitgevoerde ‘Ubi Caritas’ nog eens een keer beluisterde, sprak ik hem nogmaals verbijsterd toe over het feit dat hij het songfestivalwinnende ‘Net als toen’ van Corry Brokken niet kende. Vierstemmig ook leuk uitgevoerd.

Misschien dat hij daarom volgend jaar maar gewoon weer meegaat: om er toch nog een touw aan vast te kunnen knopen. Want om nu steeds na afloop een week raadselachtig hysterische jubelverhalen aan te horen…ik geloof dat ik ook eieren voor mijn geld zou kiezen. Dan liever een weekje kunstig modderen op een terrein zonder stroom. Graag wel zonder lekkende tent.

Uit de kluiten gewassen spiekbriefjes voor tijdens de uitvoeringen. Dat is ook Buitenkunst.

Uit de kluiten gewassen spiekbriefjes voor tijdens de uitvoeringen. Dat is ook Buitenkunst.

De klok wel horen luiden

Tijdens de eerste week van mijn vakantie probeer ik meestal in vegetatieve staat te verkeren: slapen, hangen, een laatste klusje, maar dan wel klein, een kwart rondje wandelen en een paar baantjes zwemmen, maar verder: NIETS. Awel. Of weinig dan toch. Nou ja.

Daar had ik dus weer even niet aan gedacht, toen voorzitter I. een poosje terug opperde dat we met het koor best aan de playbackshow van de Zweeler Markt mee konden doen. ‘Leuk, toch?’ Ja. Voor een lolletje zijn we meestal wel in en ‘impulsief’ is ook al zo’n beetje onze gedeelde ‘middle name’, net als ‘improvisatie’, maar dat uit veiligheidsoverwegingen terzijde. Dus.

We bedachten dat ‘Bimbam’ van André van Duin (ik ben de precieze titel even kwijt) wel een aardig liedje was. En van die vier monniken die er nodig waren, maakten we er simpelweg acht. En de klok die moest vallen, werd een klepel. En de tekst, nou ja. En die monnik die de hoogte in gaat, dat kan natuurlijk ook een monnik zijn die door het nuttigen van net iets te veel drank boven op de andere monniken zou denderen.

Van alles was mogelijk. En van alles werd bedacht. Het was pas gisterenavond op het podium, dat alle losse draadjes uit de grote, gezellige kluwen die Marturia heet, samenkwamen. En ik bedacht dat er vanaf het begin van het repetitietraject maar een paar dingen zeker waren: koorlid B. zou de monnik zijn die aan de drank ging. Koorlid H. degene met de aanwijzingen en de meeste tekst.

En A. oftewel Aart zou na afloop een ranja voor me halen, die toch rosé bleek te zijn. Een zekerheid die zo vaststaat, ook los van ons optreden, maar die me door mijn eindeloze goedgelovigheid toch weer wist te verrassen. Er gaat nog een tijd komen dat ik ga geloven dat je van ranja werkelijk dronken wordt. Tot dan toe laat ik me voor de veiligheid toch maar niet trakteren op meer dan één siroopje per keer…

(Oh ja. We wonnen niet, maar ligt natuurlijk gewoon aan een doorgestoken kaart…of net iets te veel ranja bij het stemmend publiek. Of moet dat net weer ‘te weinig ranja’ zijn?)

Of we nou moed proberen te verkrijgen 'uit de Hoge'....?

Of we nou moed proberen te verkrijgen ‘uit de Hoge’….?

Buitenkunst met laagjes

Iedereen die tijdens het afgelopen pinksterweekend op dat ene groepskampeerterrein tussen Elp en Schoonloo bivakkeerde, zal het met me eens zijn: Buitenkunst Drenthe 2016 gaat de boeken in als een lang weekend met hindernissen. De eerste horde was de kou, waartegen overdag haast nog minder leek te doen dan ‘s nachts. Eenmaal in je slaapcabine was het niet zo moeilijk om slaapzak na deken na dekbed op elkaar te stapelen. Maar ja, loop daar overdag maar mee rond! (Niet dat er mensen waren die dat niet probeerden, overigens…)

De tweede horde was de regen. De verbinding met het internet is in de loop der jaren gelukkig verbeterd in de Drentse bossen, en zo werd buienradar.mobi regelmatig met bonzend hart geraadpleegd. ‘Over tien minuten een bui’, klonk het, en de piano werd met vereende krachten weer terug onder de bomen geduwd. Of we liepen daar zelf heen en de piano kreeg een zeil. Ik maakte er nieuwe vrienden, simpelweg doordat mijn paraplu zo weids was. Er passen met wat meten toch vier mensen onder.

Paraplu

Wordt het al droog?

Het was maar goed dat ik voor drie dagen zingen koos, want gitaarspelen of tekenen was me nooit gelukt. De kou kleurde mijn vingers wit en blauwgrijs; er was geen beweging in te krijgen. Dansen was leuk geweest, als een houten klaas, of bij het Ministry of Silly Walks. En toch. ‘Daar krijg je spijt van!’ zei coach J. afgelopen maandag, toen ik hem vertelde over het aanstaand kampeeravontuur. Maar spijt is het laatste wat ik had, en bovendien, zo denk ik eigenwijs, krijg je dát alleen van iets wat je níet doet, en kamperen deed ik wèl.

Vriend D. keurde het opgezette hotel goed...

Vriend D. keurde het opgezette hotel goed…

En ik zag vrienden, met wie het weer oeverloos ouwehoeren bleek. Ik trof oude bekenden en hun dochter, die elf jaar geleden mijn zoon daar het liefste vond (en omgekeerd). Elf jaar geleden! We spraken over nu en over de nieuwe relatie van de dochter, over nieuwe studies, over Pokon die hun zoon had gekregen en over onszelf en het plezier dat Buitenkunst ons gaf.

Ik noem het ‘buitenspelen voor volwassenen’, want iets anders dekt de lading niet, als iemand me vraagt wat Buitenkunst is. Ik rep over grenzen verleggen, maar alleen die hele leuke. Speelse technieken, waardoor je ineens een noot haalt die je eerder niet haalde. Boventonen, die je door resoneren via toiletdeuren en wastafels hervond. Ik zag ons tijdens die ene workshop door de ogen van een filmmaker: drie mannen met hun hoofd onder de kraan, heftig brommend van ‘Aaaaaaaaa….’ Twee vrouwen, zingend rondjes draaiend onder de uitgedrupte douche.

En ik besef dat ik het al helemaal niet meer over het weer heb. Helemaal niet over de kou. Ik realiseer me dat ‘we’ voor anderen de boeken ingaan als de bikkels, de helden van het pinksterweekend 2016. Maar voor onszelf zijn we zoals elk jaar de genieters van dat betere buitenspelen. Ergens in de bossen van diep en duister Drenthe. Zonder stroom. Zonder elektrische deken. Maar mèt een ontiegelijke hoeveelheid onbevroren lol.

Moeilijk kiezen...

Moeilijk kiezen…

Familieperikelen in de maak

Het begint ook mij te duizelen. Vroeg de man de laatste maanden al regelmatig naar mijn broer, waarbij hij niet de èchte, maar mijn toneelbroer bedoelde, intussen heb ik er via de schoolmusical een tien jaar jongere man bij, een kranige schoonvader en kinderen die ik zo slecht uit elkaar uit elkaar kan houden dat ik niet eens weet of ik nu twee zoons heb en twee dochters, drie dochters en twee schoonkinderen (èn die zoon), of, euh, nou…

Als kind had ik genoeg aan één familie. Ik vond het vreselijk, toneelspelen. Ik had geen idee waar ik mijn handen, mijn voeten, de rest van mijn lijf en mijzelf moest laten. Volgens mij keek ik voortdurend ongelukkig. En tóch….kreeg ik steeds opnieuw een rol bij het schooltoneel. In een kerstspel had ik er zelfs twee: engel Gabriël, èn een herdersjongen (…), en het enige argument voor mijn geforceerde inzet kan mijn geheugen zijn geweest, want toneel kon ik werkelijk niet spelen.

Door een bizarre samenloop van omstandigheden werd ik vorig jaar toch ‘Zwaantje’, de helft van een bejaarde tweeling. Broer Bertus en ik, we staan aanstaande zondag alweer voor de derde keer, samen met ons koor, op toneel. En ik vertelde erover tegen collega P. en hij zei dat ik iets met de schoolmusical moest, maar dat negeerde ik. En nog een keer. En toen het echt niet anders meer kon, zei ik: ‘Ik ben reserve.’ Als er iemand uitvalt, want dat gebeurt niet, maar het gebeurde dus wel.

En nu sta ik na schooltijd ineens in een gymzaal met een sliert leerlingen, een paar collega’s en een musicaljuf die de boel kan dirigeren. Ik zoek nog een beetje naar waar ik mijn handen laat, mijn voeten, mijn lijf en mijzelf. Ik verzamel moed voor het zingen van een liedje in mijn eentje, maar heel ongelukkig lijk ik nog niet te gaan kijken. Op de gangen in school hoor ik soms: ‘Dag mama!’, en ik doe mijn best om te bedenken welke koter dat nou was. Als mijn ‘man’ een netelige schoolkwestie oplost, bedenk ik net als in de musical wat voor een held het is.

En ik vraag me niet eens meer af hoe ik al die familiebanden uit elkaar houd, want dat gaat niet lukken. Net als ‘nee’ zeggen, mocht koorlid H. me volgend jaar opnieuw vragen voor het dorpstoneel. Al kan ik het natuurlijk altijd proberen…

Wat moet mijn oude schoonvadertje nou op die fiets? Ook nieuwsgierig? Komt dat zien, 24 februari, in De Muzeval in Emmen!

Wat moet mijn oude schoonvadertje nou op die fiets? Ook nieuwsgierig? Komt dat zien, 24 februari, in De Muzeval in Emmen!

Daar zie je niets van

Het gaat nog wel even door, met die drukte op de school diep in Drenthe. Nieuwe materialen en nieuwe middelen. Nieuwe ideeën uit nieuwe teams en die vegen als nieuwe bezems… Euh. Nou. Ze végen, maar het stof vliegt vooralsnog alle kanten uit en ik mopper over alles waar ik eigenlijk geen tijd voor heb en misschien wel geen tijd voor wil hebben.

‘Ik weet niet of we alle uren die we als docent zouden moeten maken, ook daadwerkelijk máken, hoor,’ zegt Chef en ze perst het laatste melkpak leeg. Het vuur dat in mij oplaait zou een leger in de as kunnen leggen, maar gelukkig zijn het alleen Chef en ik nog, in de koffiekamer. En Chef spaar ik. Altijd. Omdat ze, als het nodig is, het gelijk in het midden kan leggen: precies waar het hoort. (Al knuppelt ze soms onbedoeld eerst een hoenderhok aan gort, maar vooruit…)

‘Misschien moet ik vanavond niet gaan zingen’, opper ik tegen collega A. Mijn stem is niet best, vanwege een koutje en een iets te fijn feestje waar de rock ‘n roll de boventoon voerde, tot net iets te laat. Ik moet nog e-mails sturen, notulen uitwerken, een toets in elkaar flansen, ouders bellen. In gedachten tel ik de taakjes die ik in de vrijgekomen uren zou kunnen doen.

‘Niet doen!’ zegt A. dan. ‘Er is niemand die het merkt.’ Ik kijk op. A., die zo fel klinkt. A., die mij vertelt dat ik wel degelijk de leuke dingen moet blijven doen? ‘Hoezo?’ vraag ik dan, want ik weet niet precies wat hij bedoelt en wie er dan niks merkt. Hij draait zich om van zijn stapel serieuze papieren. ‘Niemand valt het op als jij een avond geen leuke dingen doet. Ook al verricht je nog zoveel werk.’

En ik ga zingen. Ook al brengen de hoge noten mijn stem in een bijzonder bereik en loop ik licht zigzaggend door mijn ene glas wijn na afloop weer naar huis. Ik slaap net iets te weinig uren en loop ‘s morgens net iets minder hard. Ik pak mijn tas in en denk aan alle komende uren. Genieten van de cultuurklas, hard aan het werk met havo 3. De ‘dolle 31 van mavo 2’ en stagiaire L. die zo heerlijk kan doceren.

Er is wel degelijk iemand die het opvalt.

Er is wel degelijk iemand die iets merkt.

Het is er maar eentje.

En dat is meer dan genoeg.

Gelukkig merken maar weinig mensen hoe ik huiswaarts zwenk...het is dan ook al aardig donker 's avonds...

Gelukkig merken maar weinig mensen hoe ik huiswaarts zwenk…het is dan ook al aardig donker ‘s avonds…

 

‘t Giet zoals het giet

Bijna twee weken zijn om. Twee weken waarin ik niets schreef. Niet dat het niet kriebelde. Of nou, nee, toch niet zo. Het kriebelde anders. Het kriebelde juist omgekeerd. Alsof ik niet moest schrijven. Juist niet. Omdat alles van waarde zo weerloos wordt, juist daar, op internet.

Hoe schrijf ik over de liefde, die groot is en almaar groter wordt. Nog steeds en opnieuw. Wanneer ik toezie, hoe hij de katten voert en zachtjes vloekt bij het bijna struikelen over staarten. Wanneer hij boven zijn bureau een kaart ophangt van het mooiste schilderij aller tijden. Hoe ik daardoor als was ben, maar hij zal me nooit als was boetseren.

Hoe schrijf ik over koorlid W., van wie we deze week afscheid hebben genomen. Ik ben langs zijn stille lichaam gelopen, ik heb gekeken, en nog eens, en nog kon ik niet geloven dat we nooit, maar dan ook nooit meer met elkaar zouden zingen. We zongen voor hem, met dichtgeknepen strotten, en we wisten best hoe het zat, maar het weten is iets anders dan het voelen. Ik ben er nog niet uit.

Hoe schrijf ik over al die jonge mensen die ik mee mag maken, van zo dichtbij, en die me tot waanzin zouden kunnen brengen met hun puberale gedrag, maar dat desondanks nooit doen. Het zijn ontroering en verwondering die de boventoon voeren. Een slappe lach vanachter een gezicht in de plooi. Een knipoog bij een gestolen zoen die jij net zag…

Kortom.

Het is een tijd waarin ik een groter watje ben dan ik mijn lezers toewens. Waarin het sentiment van het scherm zou druipen, als ik mezelf toe zou staan alles in woorden te vatten. Het wordt tijd voor haperende stroomvoorzieningen, leerlingen die zich in mijn auto boren (oh wacht, dat hebben we al eens gehad), zakkende dakgoten en scheurende spijkerbroeken in een gezelschap van formaat.

En anders misschien een wc-deur die met een breekijzer open moet…

…of zo…

...

Ja hoor, ook over een boom kan ik als een slap watje oreren. Past u maar op!

Eilandgasten

Dit was het schooljaar waarin ik geen ‘nee’ zou zeggen. Of liever: dat ik een heleboel keer ‘ja’ zou zeggen, omdat het tijd werd dat ik wat andere, leukere dingen zou doen na net iets te veel jaren studeren. Ik ging tekenen en schilderen bij diverse docenten, ik deed wedstrijdje na wedstrijdje ‘min of meer hardlopen’, ik stuurde een canadees over nachtelijk water in noordelijk Drenthe en ik sloot me aan bij een klein koor in het mooie dorp waar ik nu woon.

En toen die aankondiging op Facebook. Een weekend zingen op Terschelling. En ik zei wederom: ‘Ja!’ Volmondig per e-mail. Met vlinders in mijn buik. Want zo gestudeerd zing ik niet. En ik had geen idee wat ze er precies zouden doen. En ik kende er niemand. En er ging ook al geen bekende mee. Enneuh, enneuh… Nou. Maar ik ging. En wat die vlinders ervan zouden vinden, dat zagen we later dan wel.

Het werd vrijdag 26 juni. Met mijn paarse rugzakje liep ik vanaf de haven van West-Terschelling naar de Stayokay een stuk verderop. Ik schudde handen van een groep dames, tot er eentje vroeg wat ik er eigenlijk kwam doen. Yoga? Shoot. Verkeerde groep. Opnieuw handen schudden. Borrelen. Eten. En toen een pittige workshop ‘Rythm and Groove’. Of ik bijvoorbeeld met mijn handen iets anders kon klappen dan ik met mijn voeten tikte. Nou nee. Dát nou net niet.

Het was enorm hard werken. Goed luisteren. Durven. En doen. Zingen ‘door een verticale brievenbus’ en ‘met meer of minder lucht’. Hard, en zacht. Door elkaar. Met elkaar. En ook alleen. Heel even. Doodeng. Maar toch doen. En dan dat lachen. Ja. Toen we met zijn allen dachten dat de piano stuk ging en pas even later doorhadden dat die vreemde toon het blazen van de veerboot was. Maar ook op zo veel andere momenten.

Op zondagochtend ging ik vervroegd weer naar huis, om een reden waar ik later nog over zal schrijven. Mijn hoofd vol muziek, prachtige ontmoetingen en fijne gesprekken. De ervaring met dirigente Merel Martens die ik iedereen wel gun, zo fijn. En de rotsvaste overtuiging dat ‘we dit vast en zeker nog een keertje overdoen’.

Oh ja. Slapen in een stapelbed. Ook daar heb ik 'ja' tegen gezegd. Maar of de constructie van dit bed daar blij mee moest zijn...

Oh ja. Slapen in een stapelbed. Ook daar heb ik ‘ja’ tegen gezegd. Maar of de constructie van dit bed daar blij mee moest zijn…